Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:964

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
C/15/220680 / HA ZA 15-49
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad? Mededelingen ambtenaar niet te beschouwen als de gemeente rechtens bindende toezeggingen. Terugkomen van een privaatrechtelijke overeenkomst niet onrechtmatig jegens eisers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1028
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie handel & insolventie

Zittingsplaats Alkmaar

MAB/FV

zaaknummer / rolnummer: C/15/220680 / HA ZA 15-49

Vonnis van 3 februari 2016

in de zaak van

1 [Voornamen ep 1] [Achternaam ep 1, 2] ,

wonende te [Woonplaats] ,

2. [Voornamen ep 2] [Achternaam ep 1, 2] - [Meisjesnaam],

wonende te [Woonplaats] ,

3. [Voornaam ep 3] [Achternaam ep 3],

wonende te [Woonplaats] ,

4. [Voornaam ep 4] [Achternaam ep 4],

wonende te [Woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. drs. E.M. Hoorenman te [Woonplaats] , gemeente Hoorn,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HOORN,

gevestigd te Hoorn, gemeente Hoorn,

gedaagde,

advocaat mr. F. Westenberg te Hoorn.

Eisers zullen hierna gezamenlijk [Achternaam ep 1, 2] c.s. worden genoemd. Eisers 1 en 2 zullen afzonderlijk worden aangeduid als [Achternaam ep 1, 2] in enkelvoud en eisers 3 en 4 als
[Achternaam ep 3] c.s. Gedaagde zal worden aangeduid als de gemeente.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken

  • -

    de brieven van [Achternaam ep 1, 2] c.s. van 30 december 2015 en de gemeente van 12 januari 2016 naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[Achternaam ep 1, 2] heeft op 4 november 2010 een perceel grond van de gemeente gekocht, gelegen aan de [Adres 1] te [Woonplaats] . [Achternaam ep 3] c.s. hebben in september 2009 een perceel grond gekocht, gelegen aan de [Adres 2] te [Woonplaats] . Bedoelde percelen liggen in de inmiddels (grotendeels) gerealiseerde nieuwbouwwijk [Naam wijk] & [Naam wijk] . [Achternaam ep 1, 2] c.s. hebben aldaar een woning laten bouwen. De woning van [Achternaam ep 1, 2] is vrijstaand; de woning van [Achternaam ep 3] c.s. is een hoekwoning. Ten westen van hun percelen ligt een perceel dat bekend is als “kavel [Naam kavel] ”; in dit vonnis zal deze kavel ook als zodanig worden aangeduid. De kavel van [Achternaam ep 1, 2] grenst aan de kavel [Naam kavel] ; tussen het perceel van [Achternaam ep 3] c.s. en de kavel [Naam kavel] ligt een straat.

2.2.

Van toepassing is het bestemmingsplan [Naam wijk] en [Naam wijk] , dat op 16 februari 2010 onherroepelijk is geworden. In aanvulling daarop en ter verdere uitwerking daarvan is op 16 juni 2009 het bestemmingsplan [Naam wijk] en [Naam wijk] uitwerking fase 4 (hierna: het uitwerkingsplan) vastgesteld. De gronden waar de in 2.1. bedoelde percelen zijn gelegen hebben een woonbestemming. In het bestemmingsplan en het uitwerkingsplan is geen (wijze van) verkaveling vastgelegd. In de planvoorschriften is onder meer vastgelegd dat maximaal 50% van het erf mag worden bebouwd en dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen ten hoogste 40% van de oppervlakte van het erf mag bedragen tot een bepaald maximum, afhankelijk van de grootte van het perceel. Naarmate het perceel groter is, is dit maximum hoger.

2.3.

Ten behoeve van de grondverkoop van een aantal percelen, waaronder de kavel die [Achternaam ep 1, 2] in november 2010 heeft gekocht, heeft de gemeente in maart 2010 de brochure “ [Naam wijk] en [Naam wijk] Bouwregels gemeentelijke kavels fase 4a [Naam fase] ” uitgegeven. In die brochure is een kaart opgenomen met de verkaveling van het gebied. Daarin is de kavel [Naam kavel] als één kavel met één bouwvlak opgenomen. Ook op de situatieschets/verkooptekening bij de koopovereenkomst met [Achternaam ep 1, 2] is de verkavelingswijze op die manier weergegeven.

2.4.

De gemeente heeft op 27 februari 2009 voor een koopprijs van € 1,00 een deel van de kavel [Naam kavel] aan [Voorletters] [Naam kavel] (hierna: [Naam kavel] ) geleverd; van het andere deel was [Naam kavel] kennelijk al eigenaar. In artikel 9 van de leveringsakte is opgenomen dat [Naam kavel] gehouden is binnen vijf jaar na de start van de bouw van de direct omliggende woningen op de kavel [Naam kavel] een woning te bouwen, en wel op het perceelsgedeelte dat op de situatietekening is aangeduid als “de bouwkavel”. Ten aanzien van deze verplichting is in artikel 18 van de leveringsakte een kettingbeding opgenomen. In artikel 20 van de leveringsakte is opgenomen dat de kavel [Naam kavel] zal worden bestemd met de bestemmingen wonen en tuin, “zodat de koper hierop één woning, garage en bijgebouwen met tuin kan realiseren.

2.5.

Bij brief van 5 februari 2010 aan [Voorletters] [Naam kavel] , de toenmalige eigenaar van de kavel [Naam kavel] , is hem namens het college en wethouders van de gemeente Hoorn meegedeeld:

“Op 23 november jl. hebben wij u bericht met betrekking tot uw verzoek voor de bouw van twee vrijstaande woningen

Op 3 februari jl. heeft de heer [Naam ambtenaar 2] u geinformeerd over het nadere onderzoek van bureau stedenbouw. Wij bevestigen u hierbij dat op grond van deze nadere beoordeling bij opstellen van de bouwvoorwaarden wij een negatief advies hebben ontvangen over de splitsing van uw kavel voor twee woningen. De redenen hiervoor zijn de volgende. In het gebied achter uw woning gaat het thans om vier kavels voor vrijstaande woningen in geval tussen deze vier kavels een extra woning wordt geprojecteerd komt deze woning erg dicht op de naastgelegen woningen te staan. De ruimtelijke beleving van de vier omliggende kavels wordt hierdoor sterk verminderd hetgeen ten koste gaat van de kwaliteit en waarde van alle omliggende kavels.

Wij bevestigen u hierbij het advies van stedenbouw over te nemen en uw verzoek voor splitsing af te wijzen.”

2.6.

Voorafgaand aan de koop van zijn in 2.1. bedoelde perceel heeft [Achternaam ep 1, 2] een gesprek gehad met de heer [Naam ambtenaar 1] , als ambtenaar werkzaam bij de gemeente (hierna: [Naam ambtenaar 1] ). [Naam ambtenaar 1] heeft daarvan een notitie gemaakt en opgeschreven:

“18/10/2010 [Gp 1] ( [Kavel ep 1,2] [Afkorting naam wijk] 4a)

(…) geinformeerd geen 2 woningen op de kavel [kavels ep 1,2,3,4] ”

2.7.

Op 18 juni 2013 heeft [Naam r.o.] [RO] B.V., de rechtsopvolger van [Naam kavel] , (hierna [Naam r.o.] BV) een overeenkomst met de gemeente ondertekend, die door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd op 4 oktober 2013. Ingevolge deze overeenkomst heeft [Naam r.o.] BV de mogelijkheid verkregen voor de bouw van twee vrijstaande woningen met garage op de kavel [Naam kavel] . In artikel 3 van de overeenkomst is bepaald dat, gelet op de aangepaste bouwmogelijkheden, de eerder berekende en met [Naam kavel] overeengekomen schadeloosstelling is herberekend en dat [Naam r.o.] BV een bedrag van
€ 29.100,- verschuldigd is aan de gemeente.

2.8.

Inmiddels is de kavel [Naam kavel] gesplitst in twee kavels. Er zijn omgevingsvergunningen verleend voor de bouw van een woning op elk van die kavels. Bezwaar en – in het geval van de eerst verleende omgevingsvergunning – beroep daartegen zijn ongegrond verklaard omdat de bouwplannen passen binnen het bestemmingsplan. De omgevingsvergunningen staan in rechte vast.

3 Het geschil

3.1.

[Achternaam ep 1, 2] c.s. vorderen dat de rechtbank:

primair: zal verklaren voor recht dat de gemeente zich heeft verbonden jegens [Achternaam ep 1, 2] c.s. dat er slechts één woning zal worden gebouwd op de kavel [Naam kavel] en de gemeente te bevelen deze verbintenis na te komen in de zin dat er geen tweede woning zal worden gebouwd op de kavel [Naam kavel] ; niet nu en ook niet in de toekomst;

subsidiair: zal verklaren voor recht dat de gemeente aansprakelijk is voor de schade die [Achternaam ep 1, 2] c.s. zullen lijden ten gevolge van het verlies van hun woongenot en de vermindering van de waarde van hun woningen, nader op te maken bij staat;

met veroordeling van de gemeente in de kosten van de procedure, de nakosten daarin begrepen.

3.2.

[Achternaam ep 1, 2] c.s. leggen hieraan ten grondslag dat op de kavel [Naam kavel] één woning was gepland, en wel op de noordkant van de kavel, en dat zij hun percelen hebben gekocht met de wetenschap en de garantie dat er niet méér woningen zouden worden gebouwd dan gepland. Dit blijkt uit diverse bescheiden, waarnaar [Achternaam ep 1, 2] c.s. op pagina 3 van de dagvaarding verwijzen. Zij achten het besluit van de gemeente om de bouw van twee woningen op de kavel [Naam kavel] toe te staan strijdig met de koopovereenkomsten die zij met de gemeente hebben gesloten en zijn van mening dat de gemeente heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en dus onrechtmatig, door met [Naam r.o.] BV de overeenkomst te sluiten dat op de kavel [Naam kavel] twee woningen mogen worden gebouwd. Door de mogelijkheid twee woningen te bouwen, lijden [Achternaam ep 1, 2] c.s. schade in de vorm van waardedaling van hun percelen.

3.3.

De gemeente voert verweer. Zij stelt dat het de eigenaar van een perceel vrij staat een perceel te splitsen; de gemeente heeft op dat punt geen (weigerings)bevoegdheid. Een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning kan alleen worden geweigerd als zich één van de in de wet genoemde weigeringsgronden voordoet. Ten aanzien van de woningen op de kavel [Naam kavel] deed zich geen weigeringsgrond voor, zodat de omgevingsvergunning verleend moest worden. Reeds daaruit volgt dat de primaire vordering niet kan worden toegewezen; in dat geval zou de gemeente moeten handelen in strijd met de wet.

De gemeente stelt zich voorts op het standpunt dat zij niet heeft toegezegd dat er op de kavel [Naam kavel] nooit twee woningen gerealiseerd zouden kunnen worden. [Naam ambtenaar 1] is een ambtenaar van de gemeente en dus niet het orgaan dat namens de gemeente bindende toezeggingen kan doen. Zelfs als [Achternaam ep 1, 2] aan [Naam ambtenaar 1] kenbaar heeft gemaakt dat het slechts mogen bouwen van één woning op de kavel [Naam kavel] voor hem doorslaggevend was bij de grondaankoop en vervolgens door [Naam ambtenaar 1] uitlatingen zijn gedaan als door [Achternaam ep 1, 2] c.s. omschreven – hetgeen de gemeente betwist – is geen sprake van de gemeente bindende toezeggingen. [Naam ambtenaar 1] heeft bovendien geen toezeggingen gedaan, maar slechts informatie verstrekt. Uitgaande van de situatie zoals die destijds was, was de mededeling dat op de kavel [Naam kavel] één woning zou worden gerealiseerd, juist. Aan [Achternaam ep 3] c.s. zijn vanuit de gemeente in het geheel geen toezeggingen gedaan, zodat hun vordering niet toewijsbaar is.

De gemeente heeft verder betoogd dat zij gerechtigd was ten aanzien van [Naam r.o.] BV op haar eerdere standpunt terug te komen en betwist dat [Achternaam ep 1, 2] c.s. door dit terugkomen schade hebben geleden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De gemeente voert het verweer dat [Achternaam ep 1, 2] c.s. niet de juiste procespartij hebben gedagvaard en niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, en niet de gemeente, het orgaan is dat de omgevingsvergunningen voor de woningen op de kavel [Naam kavel] heeft verleend. Dit verweer slaagt niet. [Achternaam ep 1, 2] c.s. spreken immers de gemeente aan in verband met gestelde toezeggingen/aangegane verbintenissen namens de gemeente c.q. het door de gemeente onrechtmatig terugkomen van een privaatrechtelijke afspraak met [Naam kavel] dat op de kavel [Naam kavel] maar één woning mocht worden gerealiseerd. De vordering is dus niet gebaseerd op onrechtmatig handelen door het college.

4.2.

Vast staat dat de gemeente in 2009 met [Naam kavel] de privaatrechtelijke afspraak heeft gemaakt dat op de kavel [Naam kavel] (slechts) één woning zou worden gerealiseerd. Tussen partijen is dan ook niet in geschil dat het op het moment waarop [Achternaam ep 1, 2] c.s. hun percelen kochten, de bedoeling van de gemeente was dat de kavel [Naam kavel] slechts met één woning zou worden bebouwd, ofschoon het bestemmingsplan er niet aan in de weg stond dat de kavel na splitsing met twee woningen zou kunnen worden bebouwd. Bestuursrechtelijke beletselen voor bebouwing met twee woningen waren er derhalve niet, wel privaatrechtelijke. Niet in geschil is voorts dat de gemeente in 2012 de privaatrechtelijke afspraken met [Naam r.o.] BV, de rechtsopvolger van [Naam kavel] , heeft herzien en haar heeft toegestaan de kavel [Naam kavel] alsnog met twee woningen te bebouwen.

4.3.

Zowel aan de primaire als aan de subsidiaire vordering ligt ten grondslag dat de gemeente bij monde van [Naam ambtenaar 1] heeft gegarandeerd dat op de kavel [Naam kavel] slechts één woning zou worden gebouwd. [Achternaam ep 1, 2] c.s. acht de gemeente aan die toezegging gebonden. De gemeente heeft het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een rechtens bindende toezegging. De rechtbank beoordeelt dit verweer als volgt.

4.4.

De rechtbank overweegt allereerst dat, indien er al toezeggingen door [Naam ambtenaar 1] zijn gedaan, deze uitsluitend zijn gedaan aan [Achternaam ep 1, 2] en niet aan [Achternaam ep 3] c.s.

Een beroep op de uitlatingen van [Naam ambtenaar 1] in het kader van de gestelde gegeven garantie baat [Achternaam ep 3] c.s. dus niet. Daarbij komt dat [Naam ambtenaar 1] zijn mededelingen pas heeft gedaan geruime tijd nadat [Achternaam ep 3] c.s. hun kavel hadden gekocht. [Achternaam ep 3] c.s. kunnen bij de koop dus niet (mede) hebben gehandeld op basis van de uitlatingen van [Naam ambtenaar 1] .

4.5.

De rechtbank gaat ervan uit dat [Naam ambtenaar 1] in oktober 2010 aan [Achternaam ep 1, 2] heeft meegedeeld dat er op de kavel [Naam kavel] geen twee woningen mochten worden gebouwd en dat het [Naam ambtenaar 1] op dat moment bekend was dat [Achternaam ep 1, 2] de potentiële koper van kavel 12 was. Dit blijkt afdoende uit de gespreksaantekeningen van [Naam ambtenaar 1] , waarvan de relevante inhoud in 2.6. is weergegeven. [Naam ambtenaar 1] moet dus hebben begrepen dat de informatie over de bebouwingsmogelijkheden van de kavel [Naam kavel] voor [Achternaam ep 1, 2] van belang was in het kader van de door hem voorgenomen aankoop van een perceel. Of [Achternaam ep 1, 2] aan [Naam ambtenaar 1] ook kenbaar heeft gemaakt dat de informatie over de bebouwingsmogelijkheden van de kavel [Naam kavel] , nu en de toekomst, van doorslaggevend belang was voor zijn beslissing over de aankoop en dat [Naam ambtenaar 1] ook heeft bevestigd dat bebouwing met twee woningen in de toekomst niet zou worden toegestaan, kan de rechtbank niet als vaststaand aannemen, nu de gemeente dit betwist. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om [Achternaam ep 1, 2] het bewijs op te dragen van deze stellingen. Ook indien deze zouden komen vast te staan, zou dit namelijk niet de conclusie kunnen dragen dat de gemeente over de bebouwingsmogelijkheden van de kavel [Naam kavel] bindende toezeggingen heeft gedaan. Daarvan zou volgens vaste jurisprudentie slechts sprake kunnen zijn indien toezeggingen zijn gedaan die in het maatschappelijk verkeer hebben te gelden als toezeggingen van de gemeente Hoorn. Een ambtenaar van een gemeente is in de regel niet degene die in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als degene die garanties of in rechte te honoreren toezeggingen over toekomstige bebouwingsmogelijkheden mag geven of doen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarover in dit geval anders te oordelen.

Dit laat onverlet dat een ambtenaar, zoals [Naam ambtenaar 1] ook heeft gedaan, een burger desgevraagd kan voorzien van informatie over bebouwingsmogelijkheden van percelen binnen de gemeente. In die zin kunnen ambtenaren inderdaad, zoals [Achternaam ep 1, 2] heeft betoogd, worden aangemerkt als de “spreekbuis” van een gemeente naar buiten toe. Dit betekent echter nog niet dat [Naam ambtenaar 1] de gemeente ook formeel vertegenwoordigde in die zin dat zijn mededelingen zijn aan te merken als de gemeente Hoorn bindende toezeggingen. Dat [Naam ambtenaar 1] ruggespraak zou hebben gehouden met zijn collega [Naam ambtenaar 2] maakt dit niet anders. Ook ten aanzien van [Naam ambtenaar 2] is onvoldoende gesteld of gebleken dat deze in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als degene die namens de gemeente Hoorn bindende toezeggingen over de toekomstige bebouwingsmogelijkheden van de kavel [Naam kavel] mocht doen. Het beroep op de door [Naam ambtenaar 1] gegeven garantie slaagt dus niet.

4.6.

[Achternaam ep 1, 2] c.s. hebben zich er nog op beroepen dat de gegeven garantie tevens voortvloeit uit de in de dagvaarding onder 5. opgesomde stukken. Een deel van deze stukken heeft betrekking op uitlatingen die nà de aankoop van hun kavels zijn gedaan. Deze kunnen reeds om die reden niet bijdragen aan de conclusie dat de gemeente ten tijde van de grondverkoop de garantie heeft gegeven dat de kavel [Naam kavel] nu en in de toekomst slechts met één woning zou worden bebouwd. Ook de omstandigheid dat in de verkoopbrochure ten behoeve van de kavel van [Achternaam ep 1, 2] een kaartje stond waarop de kavel [Naam kavel] als één kavel met één bouwvlak was opgenomen en bij de koopovereenkomst met [Achternaam ep 1, 2] een situatietekening was gevoegd, is onvoldoende om een garantie of een rechtens geldende afspraak met betrekking tot de toekomstige bebouwingsmogelijkheden van een aangrenzend perceel op te baseren. In de brochure die betrekking heeft op het door [Achternaam ep 3] c.s. aangekochte perceel (productie 13 bij de dagvaarding) staat de kavel [Naam kavel] niet opgenomen op de situatietekening, zodat [Achternaam ep 3] c.s. aan die verkoopbrochure geen valse verwachtingen hebben kunnen ontlenen.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het betoog van [Achternaam ep 1, 2] c.s. dat de gemeente heeft gegarandeerd dat er op de kavel [Naam kavel] nu en in de toekomst geen twee woningen zullen worden gerealiseerd, niet slaagt. Daarmee is tevens gegeven dat geen sprake kan zijn van een garantie die onderdeel is gaan uitmaken van de koopovereenkomst tussen [Achternaam ep 1, 2] c.s. en de gemeente, zodat de primaire vordering niet toewijsbaar is.

4.8.

Aan de subsidiaire vordering ligt verder ten grondslag dat de gemeente heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door in afwijking van eerdere afspraken aan [Naam r.o.] BV toe te staan dat op de kavel [Naam kavel] twee woningen mogen worden gerealiseerd, hetgeen onrechtmatig is jegens [Achternaam ep 1, 2] c.s.

[Achternaam ep 1, 2] c.s. beroepen zich op schending van het fair play beginsel, het beginsel van een evenredige belangenafweging, het verbod van détournement de pouvoir, het verbod van détournement de procedure, het verbod van willekeur, het vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Daarnaast vinden zij dat de gemeente heeft gehandeld in strijd met het eigendomsrecht van [Achternaam ep 1, 2] c.s. Zij leggen hieraan opnieuw ten grondslag dat de gemeente heeft gehandeld in strijd met hen gegeven garanties. [Achternaam ep 1, 2] c.s. stellen verder dat de gemeente zich heeft laten leiden door financiële motieven en dat de overeenkomst van 18 juni 2013 door de gemeente geheim is gehouden. Bij het nemen van dit besluit is geen rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van [Achternaam ep 1, 2] c.s. Dat de kavel [Naam kavel] bij nader inzien te groot was en er meer vraag was naar kleinere kavels, overtuigt volgens [Achternaam ep 1, 2] c.s. niet, nu er wel meer grote kavels zijn in het plan [Naam wijk] & [Naam wijk] .

4.9.

Als uitgangspunt geldt dat een gemeente de bevoegdheden die haar krachtens burgerlijk recht toekomen, niet mag uitoefenen in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Indien een gemeente niet handelt in overeenstemming met die beginselen, kan dit onder omstandigheden onrechtmatig zijn jegens derden. Daarvoor is van belang of de geschonden norm mede strekt ter bescherming van de belangen van deze derden.

4.10.

De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat van in rechte te honoreren garanties of toezeggingen geen sprake is geweest. Van schending van het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel is dus geen sprake. Dat de gemeente de overeenkomst van
18 juni 2013 met [Naam r.o.] BV moedwillig geheim zou hebben gehouden voor [Achternaam ep 1, 2] c.s., vindt geen steun in de gedingstukken, nog los van de vraag of een dergelijk geheim houden jegens [Achternaam ep 1, 2] c.s. als onrechtmatig zou zijn aan te merken. De stelling van [Achternaam ep 1, 2] c.s. dat hier in feite sprake is van besluitvorming met een publiekrechtelijk karakter, zodat de gemeente de procedure met meer waarborgen had moeten omkleden dan zij heeft gedaan, kan niet als juist worden aanvaard. De rechtbank ziet ook geen grond voor het oordeel dat de gemeente haar bevoegdheden heeft gebruikt met een ander doel dan waarvoor deze haar zijn verleend.

4.11.

Wat betreft het beginsel van een evenredige belangenafweging overweegt de rechtbank dat een gemeente niet zonder meer het recht kan worden ontzegd om van privaatrechtelijke afspraak terug te komen, ook niet indien daarbij belangen van derden in het geding zijn. Wel mocht in dat kader van de gemeente worden verwacht dat zij zich bij het terugkomen van het eerdere privaatrechtelijk besluit dat op de kavel [Naam kavel] slechts één woning mocht worden gebouwd, rekenschap zou geven van alle bij dit besluit betrokken belangen en met een zorgvuldige afweging zou komen. Schending van het evenredigheid- en zorgvuldigheidsbeginsel kan slechts leiden tot de conclusie dat de gemeente jegens [Achternaam ep 1, 2] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld, indien de belangen aan de zijde van [Achternaam ep 1, 2] c.s. eraan in de weg hadden moeten staan dat de gemeente terugkwam van haar beslissing op de kavel [Naam kavel] slechts één woning toe te staan (en [Achternaam ep 1, 2] c.s. daardoor schade hebben geleden).

4.12.

Dat de belangen van [Achternaam ep 3] c.s. in ernstige mate zijn geschonden door het terugkomen van de eerdere beslissing van de gemeente, komt in hun stellingen en de vaststaande feiten onvoldoende tot uitdrukking. Hun woning is niet vrijstaand, hun perceel wordt door een straat gescheiden van de kavel [Naam kavel] en de tweede woning op de kavel [Naam kavel] zal slechts voor een klein gedeelte worden gerealiseerd ter hoogte van hun perceel, te weten ter hoogte van het achterste stukje van hun tuin. Bovendien is gesteld noch gebleken dat aan [Achternaam ep 3] c.s. voorafgaand aan de koop van hun perceel ooit is uitgedragen (door mededelingen of anderszins, bijvoorbeeld door situatietekeningen of brochures) dat de kavel [Naam kavel] met slechts één woning zou (kunnen) worden bebouwd. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor de conclusie dat de gemeente jegens [Achternaam ep 3] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld.

4.13.

Wat betreft [Achternaam ep 1, 2] overweegt de rechtbank dat zijn belang erin is gelegen dat hij een vrijstaande kavel heeft gekocht met de verwachting dat op de naastgelegen kavel één woning zou worden gerealiseerd. Ofschoon – zoals de rechtbank hiervoor heeft is overwogen – deze verwachting niet is gebaseerd op de gemeente in rechte bindende toezeggingen en dus niet doorslaggevend kan zijn in de belangenafweging, moet er wel van worden uitgegaan dat namens de gemeente voorafgaand aan de koop is uitgedragen dat de stand van zaken was dat op de kavel [Naam kavel] slechts één woning mocht worden gebouwd. In de belangenafweging dient dit enig gewicht te krijgen. Het argument van de gemeente dat een omgevingsvergunning voor een tweede woning na splitsing niet geweigerd had kunnen worden, acht de rechtbank in dat kader niet doorslaggevend. De gemeente had de eerdere privaatrechtelijke afspraken met [Naam kavel] immers juist gemaakt om te voorkomen dat hij na splitsing een tweede woning zou kunnen realiseren, niettegenstaande de mogelijkheden die het bestemmingsplan bood. De rechtbank gaat er verder van uit dat de realisering van een tweede woning op de kavel [Naam kavel] ruimtelijk een nadelige invloed heeft op de kavel van [Achternaam ep 1, 2] . Dit is door de gemeente ook tot uitgangspunt genomen in haar brief aan [Naam kavel] van
5 februari 2010. Dit nadeel bestaat erin dat er op beduidend kleinere afstand van het perceel en de woning van [Achternaam ep 1, 2] een woning kan worden gebouwd en dat er na splitsing in totaal een groter deel van de kavel [Naam kavel] kan worden bebouwd. Het betoog van de gemeente dat de woning oorspronkelijk ook gebouwd had kunnen worden op de locatie waarop nu de tweede woning zal worden gerealiseerd, gaat niet op, nu de gemeente aanvankelijk ook afspraken met [Naam kavel] had gemaakt over de locatie van de woning.

4.14.

Aan de zijde van de gemeente en [Naam r.o.] BV speelt het belang dat de kavel [Naam kavel] in 2013 nog niet was ontwikkeld. De stelling van de gemeente dat de grootte van de kavel er in het economisch tij van destijds aan in de weg stond dat deze werd verkocht is door [Achternaam ep 1, 2] onvoldoende gemotiveerd betwist. Het argument dat [Naam r.o.] BV het perceel kennelijk niet kon ontwikkelen wegens de beperkte bebouwingsmogelijkheden en de gemeente het niet langer wenselijk achtte de kavel onbebouwd te laten in een voor het overgrote deel bebouwde nieuwbouwwijk, mocht bij de besluitvorming van de gemeente een rol spelen. Verder mocht zij er gewicht aan toekennen dat feitelijk in het bestemmingsplan is vastgelegd wat in de nieuwbouwwijk [Naam wijk] & [Naam wijk] fase 4 A in ruimtelijke zin aanvaardbaar is te achten. Niet in geschil is dat dit bestemmingsplan geen verkavelingswijze kent, niet aan splitsing van kavels in de weg staat en de bebouwing zoals inmiddels vergund toestaat, zoals [Achternaam ep 1, 2] bij raadpleging van het bestemmingsplan voorafgaand aan de aankoop van zijn perceel ook bekend had kunnen zijn. Gelet daarop kan niet staande worden gehouden dat tegen een tweede woning op de kavel [Naam kavel] als zodanig zwaarwegende stedebouwkundige bezwaren bestaan die de gemeente aanleiding hadden moeten geven de belangen van [Achternaam ep 1, 2] bij haar beslissing te laten prevaleren. Het door de gemeente ingenomen standpunt in haar brief aan [Naam kavel] van 5 februari 2010 doet hier niet aan af.

4.15.

Alles overziende ziet de rechtbank onvoldoende grond voor het oordeel dat de belangen van [Achternaam ep 1, 2] eraan in de weg hadden moeten staan dat de gemeente terugkwam van haar beslissing om op de kavel [Naam kavel] maar één woning toe te staan. Van onrechtmatig handelen van de gemeente is daarom geen sprake, zodat ook ten aanzien van [Achternaam ep 1, 2] de vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt.

4.16.

[Achternaam ep 1, 2] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gemeente Hoorn worden begroot op:

- griffierecht 613,00

- salaris advocaat 1.808,00 (4,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 2.421,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [Achternaam ep 1, 2] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Gemeente Hoorn tot op heden begroot op € 2.421,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2016.