Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:9515

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
5248168 \ CV EXPL 16-5962 (H.K.)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Beroep op verjaring slaagt. Betreft doorlopende kredietovereenkomst tijdens huwelijk aangegaan. Gedaagde is in januari 2006 gescheiden. Haar ex is gebruik blijven maken van het krediet. Verjaring is niet binnen 5 jaar gestuit door eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 5248168 \ CV EXPL 16-5962 (H.K.)

Uitspraakdatum: 30 november 2016

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap Nationale-Nederlanden Bank N.V.

gevestigd te 's-Gravenhage

eisende partij

verder te noemen: eiseres

gemachtigde: Flanderijn & van Eck, gerechtsdeurwaarders te Rotterdam

tegen

mevrouw [naam]

wonende [adres]

[X] partij

verder te noemen: [X]

gemachtigde: J.A. Klaver, verbonden aan Werkkollektief Hoorn.

1 Het procesverloop

1.1.

Eiseres heeft bij dagvaarding van 5 juli 2016 een vordering tegen [X] ingesteld. [X] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 2 november 2016 heeft een zitting plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen dhr. O.R. Straver van Flanderij & Van Eck namens eiseres, en [X] in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben beide partijen nog stukken aan de rechtbank toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[X] was destijds gehuwd met de heer [x1] . Op 30 januari 2006 zijn zij gescheiden. Vanaf dat moment leeft [X] van een bijstandsuitkering.

2.2.

[X] en haar toenmalige echtgenoot hebben op 16 november 1993 een doorlopende kredietovereenkomst gesloten met de rechtsvoorganger van eiseres, Vola Financieringen, voor een maximumbedrag van € 18.151,21 (ƒ 40.000,--). De contractanten hebben zich verbonden om ter aflossing maandelijks € 363,02 aan eiseres te betalen.

Vaststaat dat [X] en haar ex-echtgenoot deze overeenkomst hebben ondertekend.

2.3.

[X] en haar toenmalige echtgenoot hebben vervolgens op 7 januari 1994 een doorlopende kredietovereenkomst gesloten met de rechtsvoorganger van eiseres, Vola Financieringen, voor een maximumbedrag van € 15.428,53 (ƒ 33.998,90). De contractanten hebben zich verbonden om ter aflossing maandelijks € 226,89 aan eiseres te betalen.

De ex-echtgenoot van [X] heeft deze overeenkomst ondertekend. Over de handtekening van [X] onder deze tweede overeenkomst bestaat debat tussen partijen.

2.4.

[X] en voornoemde heer [X1] zijn op 30 januari 2006 gescheiden.

2.5.

Feitelijk heeft alleen de ex-echtgenoot van [X] gebruik gemaakt van de kredietfaciliteiten uit hoofde van voornoemde overeenkomsten; [X] zelf heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.6.

Na de echtscheiding heeft de ex-echtgenoot van [X] , die inmiddels op een ander adres woonachtig was, nog gebruik gemaakt van de kredietfaciliteiten uit hoofde van voornoemde overeenkomsten en heeft hierop ook afgelost.

2.7.

Uiteindelijk heeft eiseres met de ex-echtgenoot van [X] , die in de schuldsanering was beland, een overeenkomst gesloten tegen finale kwijting.

3 De vordering en het verweer

3.1.

Eiseres vordert dat de kantonrechter [X] veroordeelt tot betaling van € 8.961,11, te weten € 8.805,56 aan hoofdsom vermeerderd met de overeengekomen kredietvergoeding, € 0,92 aan overige kosten en € 154,63 aan rente.

3.2.

Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag – kort samengevat – een doorlopende kredietovereenkomst van 16 november 1993 en 7 januari 1994 ten bedrage van respectievelijk omgerekend in euro’s: € 18.151,21 en € 15.428,53. Volgens eiseres is de tweede overeenkomst een aanvulling op de eerste.

Eiseres stelt dat [X] tekort is geschoten in de nakoming van die overeenkomsten en baseert – kort gesteld – haar vordering op die tekortkoming.

3.3.

[X] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, op welk verweer – voor zover van

belang – bij de beoordeling van het geschil zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voor zover van belang en afgezien van andere verweren beroept [X] zich primair op verjaring van de vordering van eiseres. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.2.

Niet is gebleken dat [X] binnen vijf jaar na haar echtscheiding op 30 januari 2006, is gemaand dan wel op andere wijze door eiseres in gebreke is gesteld om de schulden uit hoofde van voormelde kredietovereenkomsten te voldoen.

De door eiseres aangehaalde stukken – dit betreft met name telefoonnotities – die door haar als productie 11 bij akte zijn overgelegd, kunnen niet als zodanig worden opgevat. [X] betwist voorts gemotiveerd enig stuk te hebben getekend, dan wel akkoord te zijn gegaan met betalingsregelingen. Derhalve is de verjaring niet gestuit binnen vijf jaar na 30 januari 2006.

4.3.

De kantonrechter is met [X] eens, dat de op 11 mei 2010 aan [X] gezonden brief (productie 9a akte eiseres) niet als stuiting kan worden aangemerkt. Bij de uitleg van de strekking van deze brief komt het er op aan of [X] daaraan redelijkerwijs de betekenis heeft moeten toekennen dat eiseres zich ondubbelzinnig haar recht op nakoming heeft voorbehouden. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter, in het licht van alle omstandigheden, niet het geval.

Tevens is niet gebleken dat [X] in 2014 akkoord is gegaan met een betalingsregeling, zoals volgens eiseres zou blijken uit de door haar bij akte overgelegde producties 10a en 10b.

4.4.

Het vorenoverwogene dient gezien te worden in het licht van het feit dat eiseres met de ex-echtgenoot van [X] , waarvan niet weersproken vaststaat dat hij de enige was die gebruik heeft gemaakt van het doorlopend krediet, kennelijk na de echtscheiding een finale kwijting heeft getroffen. Daarbij had uiteraard ook [X] betrokken moeten worden nu zij mede-debiteur was, hetgeen niet is gebeurd. Dit klemt temeer, omdat partijen sinds de echtscheiding in januari 2006 op verschillende adressen woonachtig zijn.

4.5.

Nu het beroep op verjaring slaagt, zal de vordering worden afgewezen.

Gelet op deze beslissing, behoeft op de overige door partijen aangevoerde punten niet verder te worden ingegaan.

4.6.

De proceskosten komen voor rekening van eiseres, omdat zij ongelijk krijgt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt eiseres tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [X] worden vastgesteld op een bedrag van € 500,00 aan salaris van de gemachtigde van [X] .

Dit vonnis is gewezen door mr. P.G. Vroom en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van J.A.J. Kreijger, griffier.

De griffier De kantonrechter