Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:9507

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
24-11-2016
Zaaknummer
AWB 16/859
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:140, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Handhavendoptreden tegen bewoning manege in strijd met het bestemmingsplan.

Beroep op overgangsrecht slaagt niet.

Geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving moet worden afgezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/859

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. O.H. Minjon),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Excel).

Procesverloop

Bij op 22 januari 2015 verzonden besluit (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres gelast om voor 23 januari 2016 de bewoning van pension- en dressuurstal ‘ [naam 1] ’ (hierna: de manege) aan de [adres 1] (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 75.000,--.

Bij besluit van 15 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden beluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens eiseres is tevens de heer [naam 2] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres exploiteert sinds 2006 de manege. De manege bestaat onder andere uit een binnenbak, twee buitenbakken, een round-pen, een longeerpaddock en een stapmolen. Er zijn ongeveer 50 paarden gehuisvest. Sinds 2006 bewoont eiseres een deel van de bij de manege horende bebouwing (hierna: het pand) en staat ze op het adres van de manege ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Naast de manege bevindt zich, op hetzelfde perceel, [naam 3] , een groepsvakantieboerderij. Deze groepsvakantieboerderij wordt door de familie [naam 4] gescheiden geëxploiteerd van de manege.

2. Verweerder heeft eiseres op straffe van een dwangsom gelast de bewoning van het pand te staken en gestaakt te houden. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bewoning in strijd is met het vigerende bestemmingsplan en dat eiseres geen beroep kan doen op het overgangsrecht. Voorts is verweerder van mening dat er geen zicht op legalisatie is en dat er ook geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat van handhavend optreden zou moeten worden afgezien. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat hoewel het voor eiseres wenselijk is voor haar bedrijfsvoering een bedrijfswoning te hebben, dat geen reden is om van handhavend optreden af te zien.

3.1.

Eiseres voert aan dat het gebruik van het pand wordt beschermd door het overgangsrecht van het bestemmingsplan. Zij wijst erop dat sinds 1988 onafgebroken in het pand is gewoond hetgeen ook noodzakelijk is voor het houden van adequaat toezicht op de paarden.

3.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat door eiseres niet is aangetoond dat het pand sinds 1988/1989 permanent wordt bewoond. Uit de door eiseres overgelegde verklaringen kan hooguit worden afgeleid dat er afwisselend werd overnacht. Permanente bewoning, in de zin dat een huishouden in de woonruimte het hoofdzakelijk woonverblijf had, staat geenzins vast.

3.3.

Ter plekke geldt het bestemmingsplan “Landelijk gebied Zuid” (hierna: het bestemmingsplan). Ingevolge dit bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming “Sport” met de nadere aanduiding “specifieke vorm van sport-1”. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Tevens staat vast en is tussen partijen niet in geschil dat uit de bij het bestemmingsplan behorende verbeelding volgt dat er binnen het bouwvlak geen bedrijfswoning is toegestaan. De bewoning van het pand als zijnde bedrijfswoning is derhalve op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan.

3.4.

Thans dient de vraag te worden beantwoord of bewoning van het pand, hoewel dit niet past binnen de vigerende bestemming, wordt beschermd door het overgangsrecht.

3.5.

In artikel 37.2 aanhef en onder a en d, van de planvoorschriften, is bepaald dat voor gebruik het overgangsrecht als volgt luidt:

a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; (…)

d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Uit dit artikel volgt dat illegaal gebruik op grond van het gebruiksovergangsrecht mag worden voortgezet, tenzij dat gebruik ook reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, waaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

3.6.

Op het perceel rustte ingevolge het voorgaande bestemmingsplan “Landelijk gebied 1998” de bestemming “Dagrecreatie”. Uit de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding volgt dat er binnen het achterste bouwvlak geen bedrijfswoning is toegestaan.

In artikel 25, eerste lid, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan is bepaald dat het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag worden voortgezet, tenzij het betreft een gebruik dat met de in het voorgaande bestemmingsplan aangewezen bestemming strijdig was en welk gebruik een aanvang heeft genomen nadat dit voorgaande bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen.

Uit dit artikel volgt dat illegaal gebruik op grond van het gebruiksovergangsrecht mag worden voortgezet, tenzij dat gebruik ook reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan en dat gebruik een aanvang heeft genomen nadat dit voorheen geldende bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen.

3.7.

Op het perceel rustte ingevolge het daaraan voorafgaande bestemmingsplan “Landelijk Gebied” de bestemming “dagrecreatie”. Uit de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding volgt dat er binnen het achterste bouwvlak geen bedrijfswoning is toegestaan.

In artikel 26, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag worden voortgezet.

3.8.

Het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” is vastgesteld 29 november 1988 en is op 18 juli 1989 in werking getreden. Voor de vraag of het gebruik van het pand als bedrijfswoning onder het overgangsrecht valt is derhalve bepalend of het pand op 18 juli 1989 als bedrijfswoning in gebruik was en of dat gebruik sindsdien onafgebroken is voortgezet.

3.9.

Verweerder heeft voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van permanente bewoning vanaf 18 juli 1989 de volgende criteria gehanteerd.

Volgens verweerder is kenmerkend voor de activiteit ‘wonen’ het hebben van een feitelijk hoofdverblijf op het betreffende adres. Een in de jurisprudentie algemeen aanvaarde definitie van ‘hoofdverblijf’ is de plaatst die fungeert als het centrum van de sociale en maatschappelijke activiteiten van betrokkenen en die een voor permanente bewoning geschikte verblijfplaats is, dat tenminste bestaat uit een keuken, woon-, was- en slaapgelegenheid. Er moet sprake zijn van een geheel van omstandigheden die als wonen moeten worden beschouwd, bijvoorbeeld nachtrust, maaltijden, ontvangen van post en bezoek op het betreffende adres. Het mag niet gaan om een zogenaamd postadres of ‘papieren’ adres maar moet gaan om een feitelijke thuishaven. Voorts is van belang dat de betrokkene in de BRP staat ingeschreven op het adres van de woning in kwestie. Als iemand beschikt over meerdere adressen is het aantal overnachting doorslaggevend.

3.10.

Bij het ontbreken van een definitie van het begrip bewoning in het bestemmingsplan, zal de rechtbank het door verweerder gehanteerde kader bij de beoordeling van de vraag of het pand vanaf 18 juli 1989 onafgebroken is bewoond ook als uitgangspunt nemen. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder gehanteerde criteria niet onredelijk zijn.

3.11.

De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiseres overgelegde verklaringen en het verklaarde ter zitting niet volgt dat het pand vanaf 18 juli 1989 onafgebroken is bewoond. Ook indien de rechtbank er vanuit zou gaan dat het pand in de periode 1988 tot 1991 door de stagiaires [naam 5] en [naam 6] permanent werd bewoond, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank geenzins vaststaat, is de bewoning in ieder geval vanaf het vertrek van de stagiaires onderbroken. [naam 2] heeft immers verklaard dat hij na het vertrek van de stagiaires in 1991 vrijwel onafgebroken - en dus niet onafgebroken - woonachtig was in het pand. Zijn eigen woning had hij aangehouden en hij stond op het adres van zijn eigen woning ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, thans BRP. Ook heeft [naam 2] verklaard zijn post op een ander adres dan het adres van het pand te ontvangen. Gelet hierop is er in ieder geval ná het vertrek van de stagiaires geen sprake (meer) van onafgebroken bewoning. Het door eiseres gedane beroep op het overgangsrecht slaagt niet.

4. Nu het beroep op het overgangsrecht niet slaagt, is bewoning van het pand in strijd met het bestemmingsplan. In geval van overtreding van een wettelijk voorschrift zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie dient te worden afgezien.

5. Verweerder is niet voornemens om voor de bewoning van het pand een omgevingsvergunning te verlenen. Van concreet zicht op legalisatie is derhalve geen sprake.

6.1.

Eiseres voert aan dat het voor haar bedrijfsvoering essentieel is dat er 24-uurs toezicht aanwezig is op de manege. Indien het gebruik van het pand moet worden gestaakt, kan zij de exploitatie van de manege niet voortzetten nu daarvoor een 24-uurs toezicht absoluut noodzakelijk is. Dit belang is zodanig groot dat handhavend optreden onevenredig is. Verder voert zij aan dat het bestemmingsplan uitdrukkelijk toestaat dat op de manege wordt overnacht en dat het tegen deze achtergrond bezien onduidelijk is waarom het gebruik door eiseres van het pand door verweerder ter discussie wordt gesteld. Het belang dat mogelijkerwijs wordt gediend met handhavend optreden staat niet in verhouding tot de daarmee in het geding zijnde belangen van eiseres.

6.2.

Verweerder erkent het door eiseres gestelde belang van 24-uurs toezicht. Verweerder stelt echter dat in het toezicht op de paarden ook kan worden voorzien door middel van moderne technieken, zoals camera’s, al dan niet in combinatie met nacht(slaap)diensten door eiseres of medewerkers/stagiaires van de manege. Op grond van het bestemmingsplan is het immers toegestaan elke nacht in de manege te overnachten. Dit zal waarschijnlijk tot meer kosten voor de manege leiden. Dit enkele financiële belang is niet voldoende zwaarwegend om van handhavend optreden af te zien.

6.3.

Het vigerend bestemmingsplan staat de mogelijkheid van overnachten toe. Het begrip “overnachtingsmogelijkheden” wordt verder in de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan niet (nader) toegelicht of beperkt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit met zich brengt dat het toegestaan is elke nacht in de manege te overnachten. 24-Uurs toezicht is daarmee op basis van het vigerende bestemmingsplan mogelijk. Anders dan eiseres heeft betoogd, brengt het feit dat het bestemmingsplan toestaat dat elke avond in het pand wordt overnacht niet met zich dat verweerder (reeds daarom) van handhaving had moeten afzien.

6.4.

Ook hetgeen eiseres heeft aangevoerd in het kader van de noodzakelijke 24-uurs toezicht op de paarden is niet als een zodanig zwaarwegend belang te beschouwen, aangezien daarvoor andere voorzieningen getroffen kunnen worden. Dat deze alternatieven voor eiseres niet ideaal zijn en zij wellicht haar bedrijfsvoering hierop zal moeten aanpassen, is een omstandigheid die in haar eigen risicosfeer ligt. De beroepsgrond slaagt niet.

7.1.

Eiseres heeft voorts een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Eiseres wijst erop dat delen van de oorspronkelijke bedrijfswoning/stolp [adres 1] en [adres 2] thans worden bewoond door derden. Onduidelijk is waarom hiertegen niet en ten aanzien van eiseres wel handhavend wordt opgetreden.

7.2.

Verweerder stelt onderzoek te hebben verricht naar de situatie op voornoemde percelen. Op basis van de thans aan verweerder ter beschikking staande gegevens heeft verweerder niet kunnen vaststellen dat de gebouwen sinds de peildatum 18 juli 1989 worden bewoond. Verweerder heeft de betreffende adressen derhalve toegevoegd aan zijn werkvoorraad. De overtredingen zullen worden geprioriteerd en aan de hand daarvan worden opgepakt.

7.3.

De rechtbank is van oordeel dat gezien hetgeen verweerder thans naar voren brengt er geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De beroepsgrond van eiseres slaagt derhalve niet.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, rechter, in aanwezigheid van

mr. C. van Steenoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.