Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:9503

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-06-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
15/061830-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak belediging verbalisant. Ook als de woorden "in diens tegenwoordigheid" ruim worden uitgelegd, is daarvan geen sprake als de verbalisant pas dagen later via de opgenomen beelden kennis neemt van de uitingen, die niet aan hem zijn gericht.

Vrijspraak "besloten erf" als bedoeld in artikel 138 Sr (ECLI:NL:HR:2007:BB7104 en HR:2011:BO9866).

Veroordeling belaging, meermalen gepleegd.

Vrijspraak medeplegen gezien geringe rol medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/06183015; 15/097385-16 (ttz gev) (P)

Uitspraakdatum: 20 juni 2016

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 juni 2016 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie persoonsgegevens op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.I. Hoogland en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.M. Neervoort, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1. primair)
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 mei 2014 tot en met 13 maart 2015 te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangever] en/of [aangeefster] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [aangever] en/of [aangeefster] , in elk geval die ander (telkens) te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen immers heeft/hebben en/of is/zijn hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),
- meermalen huis- en/of erfvredebreuk gepleegd bij die [aangever] en/of [aangeefster] door het besloten erf gelegen aan de [straat] te betreden, terwijl de toegang tot voornoemd erf meermalen is ontzegd en/of
- meermalen voor (de deur van) de woning en/of op het erf van die [aangever] en/of [aangeefster] gestaan en (onder meer) geschreeuwd en/of aan die [aangever] en/of [aangeefster] mondeling de woorden toegevoegd "Gore Homo", "Viespeuk", “Heb je [X] weer gepijpt” en/of "Stomme Trut" althans (telkens) woorden van dergelijke (beledigende/dreigende) aard en/of strekking en/of
- (daarbij) de (vele) aanmaningen en/of verzoeken van die [aangever] en/of [aangeefster] om weg te gaan en/of geen contact met hen op te nemen genegeerd;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 mei 2014 tot en met 13 maart 2015 te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk beledigend [aangever] en/of [aangever] , in diens/dier tegenwoordigheid (telkens) mondeling heeft toegevoegd de woorden "Gore Homo", "Viespeuk", “Heb je [X] weer gepijpt” en/of "Stomme Trut", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 oktober 2014 tot en met 13 maart 2015 te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) wederrechtelijk vertoevende en/of wederrechtelijk zijn binnengedrongen op een besloten erf en/of in een besloten lokaal gelegen aan [straat] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader(s), zich met zijn mededader(s), althans alleen, (telkens) niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd;

2
hij op of omstreeks 23 oktober 2014 te [gemeente] , in elk geval in Nederland, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [X] (brigadier van politie Eenheid Noord-Holland), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Bel jij [X] ook effe, of mag hij aan je balletjes zitten" en/of "Jullie laten je gewoon effe lekker nemen door hem" en/of "Die vuile [X] " en/of "Je laat je gewoon in je reet neuken door um", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking, van welke belediging(en) voormelde [X] later kennis heeft genomen;

1. parketnummer 15/097385-16)
hij op of omstreeks 5 december 2015 te [woonplaats] , gemeente [gemeente] op een besloten erf gelegen aan de [straat] en in gebruik bij [aangever] en/of [aangeefster] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 30 oktober 2014 schriftelijk de toegang tot dat/die erf en/of woning voor onbepaalde tijd heeft ontzegd en/of heeft verboden;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding

Het perceel van de woning aan de [straat 2] te [woonplaats] van medeverdachte mevrouw [medeverdachte] , vriendin van verdachte, grenst met de achterzijde aan de zijkant van het perceel van de heer en mevrouw [aangever] - [aangeefster] ( [straat] te [woonplaats] ). [medeverdachte] en verdachte hebben aan de achterzijde van het perceel [straat 2] een in-/uitrit gemaakt voor een auto. Zij menen dat deze in-/uitrit grenst aan de openbare weg, zodat zij daarvan gebruik kunnen maken. [aangever] en [aangeefster] bestrijden dat verdachten het recht hebben gebruik te maken van de in-uitrit. De situatie zorgt al enkele jaren voor veel strubbelingen tussen de buren. Verdachte stelt dat hij op 27 mei 2014 door verbalisant [X] in elkaar is geslagen en hij houdt de buurman, [aangever] , daar verantwoordelijk voor.

In het bestuursrechtelijke traject zijn over de uitrit al verschillende procedures geweest, maar er ligt nog geen onherroepelijke eindbeslissing.

Thans wordt verdachte verdacht van primair belaging van de buren gedurende een periode van bijna tien maanden, al dan niet samen met [medeverdachte] , subsidiair van belediging en/of erfvredebreuk van de buren, eveneens al dan niet in vereniging met [medeverdachte] . Voorts wordt verdachte ervan verdacht verbalisant [X] te hebben beledigd. Daarnaast is er een verdenking van erfvredebreuk op 5 december 2015.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 1 (parketnummer 15/097385-16) ten laste gelegde feiten.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit verdachte vrij te spreken van de onder 1 primair ten laste gelegde belaging en van de onder 2 en onder parketnummer 15/097385-16 ten laste gelegde erfvredebreuk. Ten aanzien van de belaging ontbreekt een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de buren en ten aanzien van de erfvredebreuk was verdachte niet bekend met de brief van 30 oktober 2014. Verdachte is tweemaal bij de buren aan de deur geweest en heeft zich op aangeven van de buren weer verwijderd, aldus de raadsvrouw.

Ten aanzien van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde belediging van de buren en de onder 2 ten laste gelegde belediging van verbalisant [X] heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte meent dat hij ook van deze feiten vrijgesproken moet worden nu de door hem geuite woorden in figuurlijke zin moeten worden opgevat en niet beledigend zijn bedoeld.

4.3.

Vrijspraak feit 2 en feit 1 (parketnummer 15/097385-16)

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 en onder parketnummer 15/097385-16 ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Feit 2

Artikel 266, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) luidt:

Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt,

hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding,

hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden,

hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding,

aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Er zijn derhalve drie varianten die elk kunnen worden gebezigd bij het ten laste leggen van belediging. Het Openbaar Ministerie heeft gekozen voor de tweede variant (‘hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden …’). Uit het dossier blijkt echter dat verdachte de in de tenlastelegging opgenomen woorden heeft geuit op 23 oktober 2014 ten overstaan van [aangever] en [aangeefster] en zich ook tegen hen heeft gericht. Zij hebben het incident opgenomen en op 28 oktober 2014 heeft verbalisant [X] kennisgenomen van die beelden. Ook als ‘in diens tegenwoordigheid’ ruim wordt uitgelegd, is daarvan geen sprake als de verbalisant pas dagen later via de opgenomen beelden kennis neemt van de uitingen, die niet aan hem zijn gericht. Verdachte dient om die reden vrijgesproken te worden van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Feit 1 (parketnummer 15/097385-16)

Artikel 138, eerste lid, Sr luidt:

Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

De vraag die in dit geval onder meer moet worden beantwoord is of de plaats op het erf van aangevers, waar verdachte zich tegen de wil van aangevers bevond, wel als besloten kan worden aangemerkt.

Uit de jurisprudentie volgt dat van een ‘besloten erf’ sprake is indien dat erf kenbaar van de omgeving is afgescheiden. Het erf hoeft niet geheel afgesloten zijn om als ‘besloten’ aangemerkt te kunnen worden (ECLI:NL:HR:2007:BB7104 en HR:2011:BO9866 ).

Uit het dossier blijkt weliswaar dat verdachte de voortuin heeft betreden (beeldfragment 30 december 2014, deel 2), maar uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte zich op een ‘besloten erf’ als bedoeld in artikel 138, eerste lid, Sr, heeft begeven. Uit de dossierstukken is immers niet gebleken dat deze voortuin kenbaar van de omgeving is afgescheiden (vgl. beeldfragment 8 november 2014, tijdseenheid 10.15 uur). De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder parketnummer 15/097385-15 ten laste gelegde feit.

4.4.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

[aangever] (hierna: [aangever] ) heeft aangifte gedaan van stalking door verdachte en diens vriendin [medeverdachte] . Hij wordt stelselmatig door hen belaagd met beledigingen, scheldwoorden en aantijgingen die zien op een seksueel getinte verhouding met de wijkagent. Verdachte insinueert dat aangever en zijn echtgenote (hierna: [aangeefster] ) een seksuele verhouding met de wijkagent zouden hebben om hem te bewegen voor de belangen van [aangever] en [aangeefster] op te komen. Die intimiderende belagingen zijn niet alleen kwetsend voor [aangever] en [aangeefster] , maar ook voor wijkagent [X] .

De stalking is begonnen op 27 mei 2014, de dag dat [aangever] voor de tweede maal een (betonnen) paal op de erfgrens had laten plaatsen waardoor verdachte en [medeverdachte] met hun auto geen gebruik meer konden maken van de in-/uitrit aan de [straat] . In de zomer van 2014 vonden de scheldpartijen vrijwel dagelijks plaats, soms wel tweemaal per dag. Zodra verdachte [aangever] of [aangeefster] opmerkte, kwam hij naar de erfgrens en uitte hij scheldwoorden als ‘gore smeerlap, vuile rat, viespeuk, gore homo, heb je weer in de reet van [X] (de rechtbank begrijpt: wijkagent [X] ) gezeten’. Bij het schelden nam verdachte een dreigende houding aan. Hij schreeuwde op een dreigende, zuigende en priemende toon wat een enorme impact had op [aangever] . Die uitlatingen hebben [aangever] gekwetst. Hij voelde zich in zijn integriteit aangetast. Hij voelde zich onveilig op zijn eigen erf en voelde constant spanning als hij naar buiten moest of naar huis reed.

Na het weghalen van de paal werd de belaging iets minder, maar bleef wel doorgaan.

Ook [aangeefster] was vaak onderwerp van de beledigingen. Verdachte bestookte haar regelmatig met teksten als ‘je neukt [X] , je pijpt [X] ’, en meer van dat soort teksten. Ook [aangeefster] was door de belagingen emotioneel zeer geraakt. Door de stress zijn [aangever] en [aangeefster] respectievelijk al 8 en 9 kilo afgevallen.2

[aangeefster] onderschrijft de aangifte volledig. Als verdachte [aangever] in het vizier kreeg, kwam hij naar de erfgrens om [aangever] te beledigen en schold hij [aangever] uit voor ‘gore smeerlap, vuile homo, heb je [X] weer gepijpt, heb je weer in de reet van [X] gezeten’ en meer van dat soort woorden. Ook tegen [aangeefster] riep verdachte ‘heb je [X] weer gepijpt’.3

[aangever] heeft enkele incidenten opgenomen. De beelden zijn bekeken door verbalisant [Y] , die daarover onder meer als volgt heeft gerelateerd:

23 oktober 2014 omstreeks 22.26 uur:

Verdachte tegen [aangever] : laat je je effe pijpen door hem? Oo jij pijpt hem, oo hartstikke lekker…. Bel je [X] ook effe, of mag hij aan je balletjes zitten?

Verdachte tegen [aangever] en [aangeefster] : jullie laten je gewoon effe lekker nemen door hem he? Heb je al lekker (handgebaar)?

Verdachte op zuigende toon tegen [aangever] : heb ie ja al lekker effe volgepompt? … Je laat je gewoon in je reet neuken door um.4

23 oktober 2014 omstreeks 22.41 uur:

Verdachte tegen de [aangeefster] : hoe vaak heb jij nou [X] moeten pijpen?

Verdachte tegen [aangever] en [aangeefster] : als jij [X] belt dan zeg je, [X] kom effe langs.

Verdachte tegen [aangever] : hij heeft een direct nummer van [X] en zegt dan, kom je me effe pijpen. … Mij in elkaar laten slaan, dan ben je gewoon een vies ratje.5

8 november 2014 omstreeks 16.07 uur:

Verdachte tegen [aangever] : viespeuk.

Verdachte tegen [aangever] en [aangeefster] : viespeuken zijn jullie.

Verdachte tegen [aangeefster] : die vent van jou moet handen wassen. Elke dag met ze reet bij [X] in de handen, eh hol. Elke dag met handen bij [X] in ze reet he. … Pijp jij hem, denk het wel ant zien.

Verdachte tegen [aangever] : gore viespeuk.6

21 november 2014 omstreeks 14.40 uur:

Verdachte tegen [aangever] : je bent een viezerik.

Verdachte tegen [aangeefster] : en jij pijpt hem zeker? … Mij bedreigen met een bezemsteel, zo’n kutwijf ben je wel. … Laat de hele buurt maar meegenieten, het interesseert me niks.

Verdachte tegen aangever: vuile viezeriken.7

In een poging om het tij te keren hebben [aangever] en [aangeefster] op 30 oktober 2014 een aangetekende brief, gericht aan verdachte en diens vriendin [medeverdachte] , naar het adres van [medeverdachte] ( [straat 2] te [woonplaats] ) gestuurd. In de brief vragen zij geadresseerden hen niet meer te benaderen, niet meer te provoceren, met rust te laten, hun eigendommen te respecteren, hen niet meer aan te spreken en niet meer hun erf te betreden, ook niet om aan te bellen of iets in de bus te doen.8 [medeverdachte] heeft deze brief ontvangen.9 Tijdens het incident op 21 november 2014 refereert [medeverdachte] aan de brief “nou ja, we wachten de brieven wel weer af”. Verdachte reageert daarop: “aangetekend en wel”.10

[aangeefster] heeft aangifte gedaan van erfvredebreuk op 30 december 2014. Verdachte bevond zich rond 17.25 uur bij hun voordeur en belde aan. [aangeefster] heeft – onder verwijzing naar de brief van 30 oktober 2014 – aangegeven dat verdachte weg moest gaan. Verdachte weigerde dat en legde zijn armen op de rand van de onderdeur. Ook [medeverdachte] kwam bij de voordeur staan. Toen verdachte zijn armen van de onderdeur afhaalde en [aangeefster] de bovendeur dicht wilde doen, duwde verdachte die bovendeur weer open. Na enige tijd, waarin verdachte te verstaan was gegeven dat hij weg moest gaan, haalde verdachte zijn armen van de onderdeur en kon [aangeefster] de bovendeur daadwerkelijk dicht doen.11

Ook van dit voorval zijn beelden opgenomen. Verbalisant [Y] heeft de beelden bekeken en als volgt gerelateerd:

30 december 2014 omstreeks 17.25 uur kwamen verdachte en diens vriendin [medeverdachte] bij [aangever] en [aangeefster] aan de deur van hun woning aan de [straat] . [aangeefster] opende het bovenste deel van de deur. Diverse malen wordt door [aangeefster] en [aangever] gezegd dat verdachte en [medeverdachte] van hun erf moeten en dat verdachte zijn handen van de deur moet halen. Tussentijds duwde verdachte de bovendeur nog een keer open.12

[aangeefster] heeft nogmaals aangifte gedaan van erfvredebreuk op 20 februari 2015. Op die dag werd omstreeks 20.15 uur aangebeld bij de voordeur. [aangeefster] zag dat verdachte en [medeverdachte] voor de deur stonden. [aangeefster] deed niet open en zij hoorde dat er steeds werd gebeld en dat er werd geschopt en gebonkt tegen de deur.13 [aangever] heeft over dit incident een gelijkluidende verklaring afgelegd.14

[aangever] heeft aangifte gedaan van stalking op 13 maart 2015. Rond 11.51 uur waren [aangever] en [aangeefster] aan het werk onder de carport van hun woning. Op een gegeven moment kwamen verdachte en [medeverdachte] uit hun woning en liepen zijn richting hun hek, grenzend aan de [straat] . Verdachte riep: ‘kijk daar heb je die viezeriken’ en ‘dit zijn die buren die lopen te neuken met [X] ’. Toen verdachte op het erf van [aangever] ging staan, heeft [aangever] hem driemaal gemaand van zijn erf te gaan. Verdachte bleef schreeuwen en beledigen. Enige tijd later ging verdachte nogmaals op dezelfde plek staan.15

De beelden die van dit incident zijn opgenomen, zijn bekeken door verbalisanten [A] en [B] . Zij zien dat verdachte het erf van de woning [straat 2] af loopt en op het erf van [aangever] gaat staan. [aangever] vraagt onmiddellijk aan verdachte om van zijn erf te gaan. Verdachte gaf daar geen gehoor aan. Vervolgens heeft [aangever] nog tweemaal gezegd: ‘ga van mijn erf af’. Verdachte gaf daar geen gehoor aan.16

Verdachte heeft erkend meerdere malen bij de deur van [aangever] en [aangeefster] te zijn geweest.17

[aangever] en [aangeefster] hebben een verslag gemaakt van de incidenten in de periode oktober 2014 – maart 2015.18

4.5.

Bewijsoverwegingen

Kennis van de aangetekende brief

Anders dan verdachte heeft verklaard, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte op de hoogte was van de aangetekende brief van 30 oktober 2014. De rechtbank leidt dat af uit de opmerking van verdachte op 21 november 2014, beeldfragment deel 3, tijdseenheden 1.28 en 1.35. [medeverdachte] spreekt over brieven, verdachte voegt toe: ‘aangetekend en wel’. De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte bij het maken van die opmerking louter een brief van de DAS, die overigens niet in het dossier voorkomt, voor ogen heeft gehad.

Strekking van de woorden ‘viespeuk’ en ‘heb je [X] weer gepijpt’

Verdachte heeft erkend dat hij de woorden ‘viespeuk’ en ‘heb je [X] weer gepijpt’ heeft geuit, maar dat ze figuurlijk en niet als belediging waren bedoeld . De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door deze uitlatingen te doen, daarbij dergelijke woorden te gebruiken, wel degelijk de intentie heeft gehad [aangever] en [aangeefster] te beledigen en te sarren, mede gelet op de manier waarop dat is gebeurd.

Partiële vrijspraak medeplegen, het betreden besloten erf en het uiten van de woorden ‘gore homo’ en ‘stomme trut’.

Hoewel verdachte en medeverdachte [medeverdachte] vaak samen bij de incidenten aanwezig waren, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van een nauwe bewuste samenwerking bij de belaging. De rol van [medeverdachte] was gelet op de bewijsmiddelen daarvoor te beperkt. De rechtbank zal daarom vrijspreken van medeplegen van belaging.

Ten aanzien van het betreden van een besloten erf, verwijst de rechtbank naar de eerder gemaakte opmerkingen onder punt 4.3. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het betreden van een besloten erf.

Verdachte heeft ter zitting van 6 juni 2016 meegedeeld, dat hij nooit woorden als ‘gore homo’ gebruikt. Hoewel [aangever] en [aangeefster] die woorden wel in hun verklaringen hebben genoemd, heeft de rechtbank die niet bij het afspelen van de ter beschikking gestelde beeldfragmenten gehoord. De woorden ‘stomme trut’ werden door medeverdachte [medeverdachte] geuit. De rechtbank geeft verdachte het voordeel van de twijfel en zal verdachte vrijspreken van het uiten van die woorden.

4.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op tijdstippen in de periode van 27 mei 2014 tot en met 13 maart 2015 te [woonplaats] , gemeente [gemeente] telkens wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangever] en [aangever] met het oogmerk die [aangever] en [aangever] (telkens) te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen immers heeft hij, verdachte,
- meermalen voor (de deur van) de woning en/of op het erf van die [aangever] en [aangever] gestaan en onder meer geschreeuwd of aan die [aangever] en [aangever] mondeling de woorden toegevoegd "Viespeuk", “Heb je [X] weer gepijpt”, althans telkens woorden van dergelijke beledigende aard en/of strekking en
- de (vele) aanmaningen of verzoeken van die [aangever] en [aangever] om weg te gaan en/of geen contact met hen op te nemen, genegeerd.

Hetgeen aan verdachte onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

belaging, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en tot een werkstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

7.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van bijna tien maanden zijn buren lastig gevallen door hen diverse malen te beledigen en te sarren en teksten te roepen, waarmee werd geïnsinueerd dat de buren een seksuele relatie hadden met de wijkagent. Bovendien is verdachte meerdere malen op het erf en bij de voordeur van zijn buren geweest, terwijl hem was en werd aangezegd dat hij daar niet mocht komen en weg moest gaan. De buren hebben van deze inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer veel hinder en overlast ondervonden, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 25 mei 2016, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder tot een voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf is veroordeeld.

Dit heeft verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 3 augustus 2015 van [S] , als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland te Alkmaar.

Uit het rapport blijkt het volgende:

Verdachte heeft als werktuigkundige op de Grote Vaart gewerkt en heeft daarna gedurende 12 jaren een internationaal transportbedrijf gerund om vervolgens weer terug te keren naar de Grote Vaart als hoofd-werktuigkundige. Volgens betrokkene is hij door de aanhouding van de wijkagent in de ziektewet beland. Hij heeft lichamelijke klachten overgehouden na geweld bij de aanhouding. Betrokkene lijkt te handelen naar eigen inzicht (eigen rechter). Zaken op de documentatie hebben te maken met een langslepend conflict tussen betrokkene en de beheerder van het park waar betrokkene woont. Betrokkene is veel aan het woord, hij is strijdlustig. Hij maakt een dominante indruk op de reclasseringswerkster, laat zich moeilijk onderbreken en staat niet open voor gedragsverandering. Het recidiverisico is, gezien de documentatie, niet uit te sluiten. Vanwege de ontkennende houding van betrokkene blijft een advies van de reclassering achterwege.

De rechtbank komt in verband met de vrijspraken van feit 2 en het feit onder parketnummer 15/097385-16 tot een andere strafoplegging dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

Daarnaast is de rechtbank, gezien de nog steeds gespannen situatie met de buren en de houding van verdachte, van oordeel dat een voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank zal artikel 63 niet van toepassing verklaren, nu ten tijde van de behandeling van het hoger beroep op (uitspraakdatum 26 augustus 2014) nog geen aangifte was gedaan.

8 Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangever] en de benadeelde partij [aangever] hebben ieder een vordering tot schadevergoeding van € 500,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 primair ten laste gelegde feit en de onder 1 subsidiaire ten laste gelegde erfvredebreuk zouden hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van beide benadeelden toe te wijzen.

Gezien de referte ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, heeft de raadsvrouw zich ook gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vorderingen en het verhandelde ter terechtzitting. De vorderingen zullen – nu tegen de hoogte daarvan geen verweer is gevoerd – worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken. De tot op heden door de benadeelde partijen gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

SCHADEVERGOEDING ALS MAATREGEL EX ARTIKEL 36f Sr

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelden. De eventuele toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 26f, 57 en 285b, van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 en feit 1 (parketnummer 15/097385-16) is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.6. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 4.5. bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 80 (tachtig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangever], [straat] , [woonplaats] geleden schade tot een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangever] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangever] , [straat] , [woonplaats] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangever], [straat] , [woonplaats] geleden schade tot een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangever] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangever] , [straat 2] [woonplaats] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.J. Saarloos, voorzitter,

mr. A. Warmerdam en mr. H. Brouwer, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.M.A. van der Meij,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 juni 2016.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 P-v aangifte [aangever] , p. 5, 6 (onderaan), 7 - 9.

3 P-v verhoor getuige [aangever] , p. 14, 15 iets onder het midden, en 16.

4 P-v bevindingen, p. 20.

5 P-v bevindingen, p. 21 (halverwege) en 22.

6 P-v bevindingen, p. 25 en 26.

7 P-v bevindingen, p. 27

8 Een geschrift, zijnde een aangetekende brief, gedateerd 30 oktober 2014, p. 13.

9 Verklaring van medeverdachte [medeverdachte] ter zitting van 6 juni 2016.

10 Beeldfragment 21 november 2014, deel drie, tijdseenheden 1.28 en 1.35, ter zitting getoond.

11 P-v aangifte [aangever] , p. 36 en 37.

12 P-v bevindingen, p. 31.

13 P-v aangifte [aangever] , p. 44 en 45.

14 P-v verhoor getuige [aangever] , p. 48.

15 P-v aangifte [aangever] , p. 51 en 52.

16 P-v bevindingen, p. 54.

17 Verklaring van verdachte ter zitting van 6 juni 2016.

18 Een geschrift, zijnde een verslag van incidenten in de periode oktober 2014 – maart 2015, opgesteld door [aangever] en [aangever] , p. 56 – 59.