Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:9426

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
C/15/234776 / HA ZA 15-755
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg van bepaling in overeenkomst tot levering van gas. Vordering tot wijziging van de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3433
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/234776 / HA ZA 15-755

Vonnis van 16 november 2016

bij vervroeging

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STORTGAS B.V.,

gevestigd te Haarlem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M. Blok te Ede Gld,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GASTREATMENT SERVICES B.V.,

gevestigd te Bergambacht,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.N. Mense te Haarlem.

Partijen zullen hierna Stortgas en GtS genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 maart 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 oktober 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De provincies Noord-Holland en Flevoland houden gezamenlijk alle aandelen in de naamloze vennootschap Afvalzorg Holding N.V. (hierna: Afvalzorg).

Afvalzorg houdt zich bezig met het houden van aandelen in vennootschappen die zich bezig houden met het bewerken en hergebruiken van afval, het storten van afval en het beheer van en de nazorg over verontreinigde stortlocaties.

2.2.

Een van de dochterondernemingen van Afvalzorg is Afvalzorg Deponie B.V. Deze onderneming beheert en exploiteert verschillende stortlocaties, waarvan sommige nog in bedrijf zijn en andere niet meer gebruikt worden. Een van de gesloten locaties die onder haar beheer valt is de locatie Schoteroog te Haarlem.

2.3.

Afvalzorg Deponie B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van Stortgas.

Stortgas houdt zich bezig met de exploitatie van energieprojecten en het onttrekken en affakkelen van stortgas, het zo nodig bewerken van stortgas om dit te kunnen inzetten voor het opwekken van elektriciteit en warmte en met de afzet van stortgas aan derden.

Het stortgas bestaat uit methaan, CO² en stikstof. Stortgas beheert ook de locatie Schoteroog.

2.4.

GtS is een ingenieursbureau dat zich onder meer bezig houdt met het ontwerpen, bouwen en exploiteren van gasopwaarderingsinstallaties.

2.5.

In de buurt van Schoteroog ligt de algemene waterzuiveringsinstallatie (AWZI) Haarlem-Waarderpolder. Deze AWZI wordt beheerd door Hoogheemraadschap Rijnland (hierna: Rijnland). De AWZI produceert rioolgas. Dit gas bevat in de regel geen stikstof en heeft een hoger methaangehalte.

2.6.

GtS heeft een installatie ontworpen en in overleg met Afvalzorg en Rijnland gebouwd waarmee de gassen afkomstig van Schoteroog (stortgas) en de AWZI (rioolgas) kunnen worden verwerkt tot aardgas, welk aardgas vervolgens door GtS verkocht wordt aan Essent.

2.7.

In maart 2009 is tussen GtS en Stortgas een overeenkomst tot stand gekomen onder de titel ‘Samenwerkingsovereenkomst GPP® systeem Schoteroog’. Deze overeenkomst houdt het volgende in:

(…)

KOMEN ALS VOLGT OVEREEN:

B. Levering stortgas

Artikel 4 – Koop en levering van stortgas

4.1

Stortgas verkoopt en levert aan het Leveringspunt, zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel, en GTS koopt en neemt 100 % af van het gehele volume aan stortgas afkomstig van de stortplaats Schoteroog, dat beschikbaar is voor verkoop. Stortgas spant zich in om gedurende de looptijd van deze overeenkomst, overeenkomstig het gestelde in artikel 10, stortgas op specificatie te leveren.

4.2

Het Leveringspunt is de flens van de installatie.

(…)

Artikel 8 – Bepaling van de hoeveelheid stortgas

8.1

De omvang van de door Stortgas te leveren en door GTS af te nemen stortgas wordt vastgelegd door de meetinrichting, waaronder in deze overeenkomst wordt verstaan de debietmeter in de aanvoerleiding van de installatie. (…) De door de meetinrichting verkregen gegevens zijn bindend en vormen de grondslag voor facturatie (…).

8.2

Beide partijen zullen instemmen met tussentijdse kalibratie van de meetinrichting indien in de ogen van GTS of Stortgas de meetinrichting onbetrouwbaar wordt geacht. (…)

(…)

A. Overige afspraken

Artikel 10 – Duur en verlenging

10.1

Deze overeenkomst wordt aangegaan vanaf de datum van ondertekening en eindigt van rechtswege op 1 december 2019 (…)

(…)

10.4

GTS en Stortgas hebben ieder het recht door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere partij, deze overeenkomst eerder te beëindigen dan de in lid 1 van dit artikel bedoelde termijn, indien naar het oordeel van GTS of Stortgas de benutting van stortgas om (milieu)technische of bedrijfseconomische redenen niet (meer) verantwoord door GTS of Stortgas kan plaatsvinden.(…)

2.8.

Vanaf 13 september 2012 is de installatie operationeel en is de levering van stortgas door Stortgas aan GtS begonnen. GtS heeft de facturen van Stortgas tot en met eind 2013 voldaan. Vanaf begin 2014 heeft zij de facturen van Stortgas niet meer betaald. Dit betreft de facturen over de periode 16 april 2014 tot en met 19 juli 2016, welke facturen in totaal zien op € 104.736,04.

2.9.

Stortgas heeft GtS zowel mondeling als schriftelijk meermalen verzocht om tot betaling van de openstaande facturen over te gaan. Hieraan heeft GtS geen gevolg gegeven.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Stortgas vordert na vermeerdering van eis samengevat - veroordeling van GtS tot betaling van € 104.736,04, vermeerderd met rente en (buitengerechtelijke) kosten.

3.2.

GtS voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

GtS vordert – samengevat – primair ontbinding dan wel subsidiair wijziging van de overeenkomst, met veroordeling van Stortgas in de kosten van de procedure, te vermeerderen met rente en nakosten.

3.5.

Stortgas voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Stortgas heeft nakoming gevorderd van de betalingsverplichtingen uit de overeenkomst door GtS. Zij heeft daartoe aangevoerd dat GtS de in 2.8 genoemde facturen heeft ontvangen zonder protest daartegen, maar deze onbetaald laat en dat in zoverre sprake is van verzuim.

4.2.

GtS heeft erkend dat zij vanaf begin 2014 de door Stortgas toegezonden facturen niet meer heeft voldaan. Zij heeft echter, onder meer onder verwijzing naar artikel 4.1 van de overeenkomst, in de eerste plaats aangevoerd dat het de bedoeling van partijen was dat zij alleen voor het gas hoefde te betalen dat zij daadwerkelijk tot aardgas kon verwerken en als zodanig aan Essent kon verkopen. Met de frase “dat beschikbaar is voor verkoop” is volgens GtS namelijk bedoeld: geschikt voor verkoop door GtS, althans verkoopbaar door GtS. In dat verband heeft GtS er op gewezen dat zij in de periode vanaf begin 2014 tot medio 2014 nagenoeg niets heeft geproduceerd en dus geen inkomsten heeft gegenereerd en dat Rijnland haar sinds medio 2014 niet meer voorziet van het voor haar bij de productie van aardgas benodigde rioolgas, zodat zij sindsdien het gas dat zij van Stortgas ontvangt alleen maar kan affakkelen. Om die reden heeft GtS de onderhavige facturen van Stortgas onbetaald gelaten.

4.3.

Stortgas heeft de door GtS gestelde bedoeling van partijen in artikel 4.1 van de overeenkomst betwist en aangevoerd dat GtS gehouden is te betalen voor al het door Stortgas geleverde stortgas.

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt. De kernvraag in het geschil tussen partijen betreft de uitleg van artikel 4.1 van de overeenkomst (weergegeven in r.o. 2.7) en dan meer specifiek de uitleg van de zinsnede ‘dat beschikbaar is voor verkoop’. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

4.5.

Vast staat dat in de overeenkomst niet nader gedefinieerd is wat ‘beschikbaar voor verkoop’ betekent. Naar het oordeel van de rechtbank moet die zinsnede worden gelezen in samenhang met de rest van de bewuste zin, inhoudende ‘4.1 Stortgas verkoopt en levert aan het Leveringspunt, zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel, en GTS koopt en neemt 100 % af van het gehele volume aan stortgas afkomstig van de stortplaats Schoteroog, dat beschikbaar is voor verkoop.’ Desgevraagd heeft GtS ter zitting verklaard dat Stortgas de overeenkomst heeft opgesteld. Stortgas heeft ter zitting onweersproken verklaard dat zij deze zin altijd opneemt in vergelijkbare overeenkomsten die zij sluit met afnemers van door haar geleverd stortgas op andere locaties. Daarbij heeft Stortgas onbetwist aangevoerd dat zij het stortgas ook op andere wijze in de markt zou kunnen verkopen en dat de tekst “100% van het gehele volume aan stortgas (…) dat beschikbaar is voor verkoop” is opgenomen ter bescherming van GtS als afnemer om vast te leggen dat Stortgas niet gerechtigd is om (een gedeelte van) het op de locatie Schoteroog vrijkomende stortgas aan anderen dan GtS te leveren. Mede gezien deze toelichting is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor geciteerde zin, waaronder “dat beschikbaar is voor verkoop”, betekent dat Stortgas gehouden is aan GtS te leveren 100% van het voor Stortgas voor verkoop beschikbare stortgas en dat GtS gehouden is die hoeveelheid te kopen en af te nemen.

In de inhoud van de overeenkomst noch hetgeen GtS heeft aangevoerd, kan steun gevonden worden voor het standpunt van GtS dat met de zinsnede ‘dat beschikbaar is voor verkoop.’ bedoeld is het gas dat voor GtS beschikbaar is voor verkoop aan derden. Stortgas wijst er in dat verband terecht op dat de productie van aardgas, en daarmee het gebruik van het stortgas, geheel buiten haar invloedssfeer plaatsvindt en zij daar geen zeggenschap over heeft. Gesteld noch gebleken is dat Stortgas daarvoor het risico zou willen dragen. Mede in aanmerking genomen dat Stortgas het stortgas ook op andere wijze zou kunnen verkopen, valt dan ook niet in te zien dat bedoeld is alleen af te rekenen het door GtS tot verkoopbaar gas op te werken stortgas. Ook het feit dat niet is gedefinieerd op welke wijze zou worden vastgesteld welke hoeveelheid gas voor verkoop aan derden beschikbaar was en daarmee welke prijs GtS zou moeten betalen, draagt bij aan dat oordeel.

Voor zover het de bedoeling van GtS was te bedingen dat zij uitsluitend gehouden zou zijn tot betaling als zij het stortgas daadwerkelijk zou kunnen gebruiken om te verwerken tot aardgas dat zij kan verkopen, had het op haar weg gelegen daaromtrent een voorbehoud te laten opnemen in de overeenkomst. GtS heeft erkend dat dit bij de onderhandelingen niet aan de orde is geweest en dat zij een dergelijk voorbehoud niet heeft bedongen, omdat de overeenkomst volgens haar logisch en duidelijk was. GtS heeft in dit verband verder gesteld dat de door haar voorgestelde bedoeling voortvloeit uit het geheel van afspraken die partijen met de provincie hebben gemaakt en dat het logisch is dat GtS alleen hoeft te betalen voor stortgas dat zij heeft kunnen opwerken tot aardgas omdat zij alleen daaruit inkomsten genereert. Stortgas heeft die stelling betwist. Gelet daarop en in het licht van voorgaande uitleg van de overeenkomst, heeft GtS haar standpunt onvoldoende geconcretiseerd, zodat de rechtbank geen grond ziet om GtS toe te laten tot bewijslevering ten aanzien van de door haar gestelde bedoeling.

4.6.

Uit het vorengaande volgt dat GtS in beginsel gehouden is voor het door Stortgas aan haar geleverde stortgas te betalen.

4.7.

Door GtS is nog betoogd dat de kwaliteit van het door Stortgas geleverde gas niet voldeed aan hetgeen overeengekomen was, omdat het gas onvoldoende methaan bevatte. Stortgas heeft dat onder meer gemotiveerd weersproken door er, onderbouwd met een grafiek, op te wijzen dat hooguit 1% van het geleverde stortgas onvoldoende methaan bevatte en dat gas met minder dan 30% methaan niet in rekening is gebracht. GtS heeft de juistheid van de grafiek niet, althans onvoldoende, weersproken en haar stelling overigens niet onderbouwd. Er bestaat dan ook geen grond om haar stelling dat sprake is van wanprestatie te honoreren. Aan dit verweer van GtS wordt voorbij gegaan.

4.8.

Voorts is door GtS nog betoogd dat de door Stortgas geplaatste meter van een ander type is dan was overeengekomen en dat deze onjuiste gegevens weergeeft, zodat die gegevens niet kunnen dienen als uitgangspunt voor de facturering. Stortgas heeft dat gemotiveerd betwist en e-mailcorrespondentie overgelegd tussen haar en GtS van juli en augustus 2014. Daaruit blijkt dat Stortgas en GtS hebben gecorrespondeerd over de meter, waarbij GtS in een e-mail van 14 juli 2014 heeft aangegeven dat het haar voorkeur had een turbinemeter te behouden. Vervolgens heeft Stortgas GtS er per e-mail van 7 augustus 2014 van op de hoogte heeft gebracht dat de turbinemeter is vervangen door een Kurz debietmeter met het verzoek aan te geven waarom GtS een voorkeur had voor een turbinemeter. Als onbetwist staat vast dat GtS daar niet meer op heeft gereageerd. Nu GtS haar klacht over de meter eerst in deze procedure naar voren heeft gebracht, heeft Stortgas terecht aangevoerd dat GtS daarover niet tijdig heeft geklaagd, zodat haar daarop geen beroep meer toekomt. Dit verweer blijft dan ook overigens onbesproken.

4.9.

GtS heeft, zo begrijpt de rechtbank dit verweer, subsidiair nog betoogd dat zij gezien de gewijzigde omstandigheden op grond van maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gehouden aan haar betalingsverplichting op grond van de overeenkomst en daarbij verwezen naar haar stellingen op dit punt in reconventie. De rechtbank verwerpt dit verweer onder verwijzing naar hetgeen zij in 4.21 daaromtrent overweegt bij de beoordeling van de vorderingen in reconventie.

4.10.

Door Stortgas is bij dagvaarding betaling gevorderd van een bedrag van

€ 59.312,28 voor de leveranties over de periode tot en met het tweede kwartaal van 2015. Bij akte heeft zij haar eis vermeerderd met een bedrag van € 45.423,76, zijnde de openstaande facturen over de periode vanaf het derde kwartaal 2015 tot en met het tweede kwartaal 2016.

4.11.

Door GtS is erkend dat zij die facturen niet betaald heeft. Ten aanzien van de facturen die zien op de periode derde kwartaal 2015 tot en met het tweede kwartaal 2016 heeft zij aangevoerd dat zij voor die facturen nog niet in verzuim verkeert, nu Stortgas ten aanzien van die bedragen geen sommaties heeft verzonden. GtS heeft gesteld dat de bij die vermeerdering behorende buitengerechtelijke kosten en gevorderde rente vanaf de vervaldata van de facturen op die grond dan ook niet toewijsbaar zijn.

4.12.

De rechtbank overweegt als volgt. Door Stortgas is niet weersproken dat zij ter zake van de facturen waarmee zij haar eis heeft vermeerderd GtS niet eerder in gebreke heeft gesteld dan op het moment van haar eisvermeerdering. Dit betekent dat de conclusie van antwoord in reconventie tevens wijziging van eis in conventie als ingebrekestelling beschouwd zal worden. Nu deze conclusie is genomen ter zitting van 6 oktober 2016 wordt die datum als verzuimdatum aangemerkt.

4.13.

Voor de toewijsbaarheid van de gevorderde wettelijke handelsrente maakt dit evenwel geen verschil. Stortgas heeft op haar facturen weliswaar een termijn vermeld van 21 dagen, maar nu niet is gesteld of anderszins gebleken dat deze betalingstermijn is overeengekomen tussen partijen, kan zij hieraan geen rechten ontlenen.

Artikel 6:119a BW, het artikel over de wettelijke handelsrente, bepaalt in het tweede lid aanhef en onder a het volgende:

Indien geen uiterste dag van betaling is overeengekomen, is de wettelijke rente van rechtswege verschuldigd vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de factuur heeft ontvangen.

Uit de vermelding ‘van rechtswege’ volgt dat na ommekomst van genoemde termijn van 30 dagen na ontvangst van de factuur automatisch de wettelijke handelsrente gaat lopen, los van de vraag of er sprake is geweest van een ingebrekestelling of sprake is van verzuim. De gevorderde wettelijke handelsrente is derhalve toewijsbaar telkens vanaf 30 dagen na de ontvangst van de respectievelijke facturen – ook ten aanzien van de bij dagvaarding gevorderde facturen – tot de dag der algehele voldoening.

4.14.

Voor wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten wordt overwogen dat voldoende is komen vast te staan dat Stortgas ten aanzien van het bij dagvaarding gevorderde bedrag voldoende werkzaamheden heeft verricht om te komen tot voldoening van de vordering buiten rechte. Om die reden zijn de bij dagvaarding gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 1.368,12 toewijsbaar. Nu ten aanzien van de facturen waarvan betaling is gevorderd bij de vermeerdering van eis niet is gesteld of gebleken dat GtS ter zake van die facturen eerder dan in deze procedure in gebreke is gesteld, kan voor deze facturen geen bedrag aan buitengerechtelijke kosten worden toegewezen.

4.15.

GtS zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4.16.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen.

4.17.

De gevorderde veroordeling in de nakosten zal eveneens worden toegewezen.

in reconventie

4.18.

GtS heeft primair gevorderd dat de overeenkomst zal worden ontbonden. Daaraan heeft GtS ten grondslag gelegd dat Stortgas toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door gas te leveren dat niet voldeed aan het overeengekomen percentage methaan en daarom niet geschikt was voor de productie van biogas.

4.19.

In conventie in r.o. 4.7 is dit betoog van GtS reeds verworpen, zodat dit geen grond oplevert voor ontbinding van de overeenkomst. De vordering zal in zoverre dan ook worden afgewezen.

4.20.

Aan haar subsidiaire vordering tot wijziging van de overeenkomst heeft GtS ten grondslag gelegd dat er sprake is van onvoorziene omstandigheden aan haar kant waarmee zij geen rekening behoefde te houden bij het aangaan van de overeenkomst. Die gewijzigde omstandigheden bestaan er uit dat Rijnland sinds medio 2014 gestopt is met de levering van rioolgas aan GtS zodat het voor haar niet meer mogelijk is aardgas te produceren en zij kosten maakt doordat zij het stortgas alleen maar kan affakkelen.

4.21.

De rechtbank overweegt als volgt. De omstandigheid dat Rijnland gestopt is met de levering van rioolgas aan GtS is onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat Stortgas naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst met GtS mag verwachten. Die omstandigheid dient krachtens de aard van de onderhavige overeenkomst voor rekening en risico te blijven van GtS. In dat verband heeft Stortgas er terecht op gewezen dat er geen voorbehoud in de onderhavige overeenkomst tussen partijen is opgenomen waaruit volgt dat de overeenkomst alleen van toepassing zou zijn wanneer Rijnland voldoende rioolgas zou leveren aan GtS. Ook anderszins valt niet in te zien dat de gevolgen van handelingen van een derde als Rijnland zouden moeten worden afgewenteld op Stortgas. Deze vordering zal dan ook eveneens worden afgewezen.

Los daarvan bestaat voor GtS op basis van de overeenkomst de mogelijkheid om met Stortgas in overleg te treden om te komen tot wijziging van de overeenkomst. Ter zitting heeft GtS erkend dat zij van die mogelijkheid nog geen gebruik gemaakt heeft. De rechtbank geeft haar in overweging om dat alsnog te doen.

4.22.

GtS zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt GtS tot betaling aan Stortgas van een bedrag van € 104.736,04 (eenhonderdvierduizend zevenhonderdzesendertig euro en vier cent) te vermeerderen met de wettelijke handelsrente telkens over de verschillende factuurbedragen vanaf 30 dagen na ontvangst van de betreffende factuur tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt GtS tot betaling aan Stortgas van een bedrag van € 1.368,12 (eenduizend driehonderdachtenzestig euro en twaalf cent) ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

5.3.

veroordeelt GtS in de kosten van deze procedure tot heden aan de zijde van Stortgas begroot op € 3.941,84 (€ 3.864,-- kosten vastrecht en € 77,84 kosten dagvaarding) en op € 2.842,-- (2 punten à € 1.421,--) aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

veroordeelt GtS in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,-- aan salaris advocaat, - te vermeerderen met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat, indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en GtS niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan;

in reconventie

5.6.

wijst het gevorderde af;

5.7.

veroordeelt GtS in de kosten van deze procedure tot heden aan de zijde van Stortgas begroot op nihil aan verschotten en op € 452,-- (2 x 0,5 punten à € 452,00) aan salaris van de advocaat;

5.8.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en in het openbaar uitgesproken bij vervroeging op 16 november 2016.1

1 type: 1155 coll: