Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:9295

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-08-2016
Datum publicatie
13-01-2017
Zaaknummer
C/15/247960 / JU RK 16-1510
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing 3-jarige. Verzoek tot sluiten deuren in de nachtelijke uren niet toegestaan, nu het geen instelling voor gesloten jeugdzorg betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

Zittingsplaats: Haarlem

zaakgegevens : C/15/247960 / JU RK 16-1510 en C/15/247364 /JU RK 16-1425

datum uitspraak: 25 augustus 2016

beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing


in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Haarlem.

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

[de vader] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] .

1 Het procesverloop

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van 17 augustus 2016, met de daarin vermelde stukken,

- het aanvullend rapport van de Raad ingekomen bij de griffie op 24 augustus 2016.

1.2

Op 25 augustus 2016 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de moeder bijgestaan door mr. M.R.P. Hoppenbrouwers, kantoorhoudende te Amsterdam,

- namens de vader, mr. E.C. Boon, kantoorhoudende te Amsterdam,

- de Raad, vertegenwoordigd door mevrouw [naam] ,

- de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna de GI), vertegenwoordigd door mevrouw [naam] en

mevrouw [naam] .

1.3

De raadsvrouw van de vader geeft aan dat de vader wel is verschenen, maar te emotioneel is en daarom niet in de zittingzaal aanwezig is. Zij zal zijn belangen behartigen.

2 De feiten

2.1

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

2.2

Op 17 augustus 2016 heeft de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht

gesteld voor de duur van drie maanden. Dit is vastgelegd bij beschikking van 17 augustus

2016, waarin de behandeling van het verzoekschrift is bepaald op 25 augustus 2016, teneinde

de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter.

2.3

De kinderrechter heeft op 17 augustus 2016 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van vier weken verleend, hetgeen eveneens is vastgelegd bij beschikking van 17 augustus 2016. Het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling is voor het overige aangehouden.

2.4

De minderjarige verblijft in een pleeggezin.

3 Het verzoek

3.1

De Raad heeft in de aanvullende rapportage verzocht [minderjarige] definitief onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Tevens heeft de Raad het eerdere verzoek tot machtiging uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden gehandhaafd.

3.2

De Raad voert daartoe aan dat er ernstige zorgen bestaan over de ontwikkeling van [minderjarige] en zijn opvoedingssituatie. Deze zorgen hebben betrekking op zijn algehele ontwikkeling. Met name de leef- en opvoedomstandigheden zijn zorgelijk en schadelijk voor deze kwetsbare jongen van drie jaar oud, waarbij sprake is van sterke kenmerken van een autismespectrumstoornis en een ontwikkelingsachterstand van ongeveer twee jaar. [minderjarige] behoeft specifieke hulpverlening en intensieve begeleiding.
De indruk bestaat dat ouders in beslag worden genomen door hun eigen problemen, waardoor zij onvoldoende kunnen aansluiten bij de ontwikkelbehoefte van [minderjarige] . Beide ouders zijn bekend met psychiatrische problematiek. De vader is bekend met psychoses en gebruikt op dit moment geen medicatie. De moeder is gediagnosticeerd met schizofrenie en gebruikt eveneens geen medicatie. De onberekenbaarheid van met name de vader acht de Raad zeer zorgelijk. De rol van moeder is onduidelijk. Zij is in staat om afspraken te maken rondom [minderjarige] , echter in het spoedonderzoek is gebleken dat zij deze vervolgens niet nakomt, of de afspraken worden door haar ontkend. Eerdere onderzoeken naar de zus van [minderjarige] ( [naam] ) schetsen een zorgelijk beeld over de moeder. Positief is dat de moeder alle trainingen en cursussen die het Raeger instituut aanbood die voor [minderjarige] nodig zijn, gevolgd heeft. Ook onderhoudt de moeder een goede behandelrelatie met [naam] . Echter, door wisselingen van betrokken hulpverleners is het contact tussen ouders en hulpverlening minder goed verlopen en hebben ouders zelfs de deur gesloten voor bijvoorbeeld het jeugdteam. Ook onttrekken ouders [minderjarige] op dit moment aan de zorg van Raeger.

De Raad vindt het noodzakelijk dat er hulpverlening en begeleiding komt voor [minderjarige] en ouders. Binnen het vrijwillig kader is dit onvoldoende van de grond gekomen. Er is onvoldoende zicht gekomen op de situatie van [minderjarige] bij beide ouders. Ouders zijn niet in staat gebleken om zelfstandig de noodzakelijk geachte hulpverlening in te zetten en hiervan te profiteren. Daarbij schat de Raad in dat, gezien de ernst van de situatie, een periode van drie maanden ondertoezichtstelling onvoldoende is om intensieve begeleiding in te zetten voor [minderjarige] en ouders te ondersteunen.

3.3

Ter zitting heeft de Raad toegelicht dat [minderjarige] sinds de voorlopige ondertoezichtstelling in een pleeggezin woont. Het pleeggezin heeft echter aangegeven dat [minderjarige] heftig gedrag laat zien en dat zij het niet meer aankunnen. Het is op dit moment onverantwoord dat [minderjarige] naar huis gaat met begeleiding van Raeger, omdat er onvoldoende vertrouwen bestaat dat de moeder hieraan onvoorwaardelijk haar medewerking zal verlenen.

De Raad acht het van belang dat de komende tijd duidelijkheid komt of het gedrag van [minderjarige] kindeigen is of dat het door de omgeving wordt bepaald. Ter zitting is naar voren gekomen dat [minderjarige] per vandaag in de [naam] terecht kan. De Raad acht dat een geschikte plek om bovenstaande zorgen te observeren. De Raad handhaaft haar verzoek en wijzigt het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing in die zin dat [minderjarige] geplaatst wordt in een accommodatie jeugdhulpverlener.

4 Het standpunt van belanghebbenden

4.1

De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Een thuisplaatsing is alleen mogelijk als de ouders hun volledige medewerking verlenen aan de hulpverlening en het wijkteam. [minderjarige] kreeg specialistische hulp bij Raeger, een autismecentrum te Amsterdam. De ouders hebben zelfstandig de keuze gemaakt om bij Raeger te stoppen. Ook hebben ouders de deur voor het jeugdteam gesloten. De situatie in de woning van zowel vader als moeder is bovendien onveilig voor [minderjarige] . De GI geeft aan dat zij in beide woningen zijn geweest en dat de woningen vervuild zijn. In de woning van de moeder zijn bijvoorbeeld veel vliegen en de schoenen van de GI plakten aan de grond.

Het pleeggezin heeft aangegeven dat [minderjarige] zeer heftig gedrag laat zien. Hij kan geen seconde alleen zijn. Hij klimt overal op en zit overal aan. Het pleeggezin kan niet met hem communiceren. [minderjarige] gaat naar bed, maar wordt in de nacht wakker en kan niet in zijn bed blijven liggen. Hij gilt en het pleeggezin krijgt hem niet tot bedaren. De pleegmoeder heeft op de ochtend van de zitting om 5.00 uur een email aan de GI geschreven dat zij het niet meer aankunnen. [minderjarige] heeft specialistische hulp nodig. De GI wilde [minderjarige] in een gezin opvangen, maar gelet op zijn gedrag bij het huidige pleeggezin zal dat heel moeilijk gaan. De GI wil daarom [minderjarige] eerst laten observeren bij de [naam] . [minderjarige] kan onmiddellijk terecht bij de [naam] .

4.2

De raadsman van de moeder pleit volgens zijn pleitaantekeningen. Hij stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:255 BW, zodat er ten onrechte een ondertoezichtstelling is verleend. De moeder stond achter plaatsing bij Raeger en heeft aan dit traject haar volledige medewerking verleend, totdat bleek dat er bij Raeger kennelijk onvoldoende faciliteiten waren om [minderjarige] tussen de middag te laten slapen. Met als gevolg dat [minderjarige] erg moe was als hij thuis kwam. Dat de moeder [minderjarige] vervolgens thuis heeft gehouden, betekent niet dat zij geen hulpverlening wil. De moeder beseft dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij hulp krijgt. Zij is bereid om [minderjarige] alsnog naar Raeger te laten gaan, maar er dient dan wel een oplossing te komen dat [minderjarige] tussendoor kan slapen.

De moeder betwist dat de woningen van de ouders ernstig vervuild zouden zijn, dat er sprake zou zijn van overlast zoals gemeld bij Veilig Thuis en dat zij in de woning van vader zou verblijven. De moeder stelt zich op het standpunt dat hulpverlening in het vrijwillig kader kan plaatsvinden. Voorts geeft de moeder aan dat een uithuisplaatsing niet aan de orde is. De situatie wordt door de Raad volledig verkeerd ingeschat. [minderjarige] kan de uithuisplaatsing in huidige vorm niet aan. Er zal vanuit Raeger bekeken moeten worden wat in het belang van [minderjarige] is en besproken worden hoe vorm te geven zodat ouders zich daarin kunnen vinden. De moeder erkent de problemen. [minderjarige] is een bijzonder kind en heeft veel aandacht nodig. De moeder verzoekt de verzoeken van de Raad af te wijzen.

4.3

De raadsvrouw van de vader sluit zich aan bij hetgeen namens de moeder is aangevoerd. De rol van de vader is beperkter dan die van de moeder omdat [minderjarige] bij de moeder woont. De vader staat open voor hulpverlening. Er moeten alleen betere afspraken worden gemaakt. De vader is van mening dat [minderjarige] weer bij de moeder moet gaan wonen. De vader voelt zich niet gehoord door de gezinsmanager. De vader verzoekt de verzoeken van de Raad af te wijzen.

5 De beoordeling

5.1

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [minderjarige] zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen hebben betrekking op zijn algehele ontwikkeling. [minderjarige] is een kwetsbare jongen van drie jaar oud, met sterke kenmerken van een autismespectrumstoornis en een ontwikkelingsachterstand van ongeveer twee jaar. [minderjarige] is drie jaar oud en praat niet. [minderjarige] heeft specifieke hulpverlening en intensieve begeleiding nodig. Ouders zijn onvoldoende in staat hem deze zorg te bieden en onttrekken [minderjarige] aan de zorg van Raeger, die in het vrijwillig kader was ingezet. Ouders lijken in beslag te worden genomen door hun eigen psychiatrische problematiek en onttrekken zich steeds opnieuw aan iedere vorm van hulpverlening.

5.2

De bevindingen ter zitting hebben de kinderrechter geen aanleiding gegeven het in voormelde beschikking van 17 augustus 2016 geformuleerde oordeel te wijzigen. Die beschikking dient derhalve te worden gehandhaafd. Bovendien acht de kinderrechter het gelet op het bovenstaande voldoende aannemelijk geworden dat is voldaan aan het wettelijk criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter zal daarom [minderjarige] definitief onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden

5.3

[minderjarige] is nu uit huis geplaatst. Er zijn grote zorgen over zijn ontwikkeling. De kinderrechter deelt de visie van de Raad dat het voor zijn verdere ontwikkeling van belang is om zo spoedig mogelijk te onderzoeken of zijn ontwikkelingsachterstand en problematische gedrag worden veroorzaakt door kindeigen factoren of dat dit omgevingsbepaald is. Dat kan alleen als hij elders verblijft en niet thuis. Ter zitting is gebleken dat [minderjarige] onmiddellijk kan worden geplaatst in de [naam] alwaar hij kan worden onderzocht en geobserveerd. Zo kan er zicht komen op wat er met [minderjarige] aan de hand is en wat er in de thuissituatie bij de moeder thuis nodig is aan extra ondersteuning. Het uitgangspunt blijft dat [minderjarige] weer bij zijn moeder gaat wonen met hulp en ondersteuning voor kind en ouder(s). Gelet op dit uitgangspunt alsmede gelet op zijn jonge leeftijd acht de kinderrechter het daarom van belang dat de moeder in staat wordt gesteld hem in de [naam] frequent te bezoeken, voorzover dit niet in strijd komt met het belang van [minderjarige] . Doel moet zijn de hechting tussen de moeder en kind niet onnodig te verstoren. De kinderrechter verzoekt de GI de omgang tussen [minderjarige] en zijn ouders in de gaten te houden.

5.4

De kinderrechter is van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW. De kinderrechter zal de machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie voor jeugdhulpverlener verlenen voor de duur van drie maanden.

5.5

De [naam] heeft via de GI aangegeven dat zij vervangende toestemming van de kinderrechter nodig heeft om [minderjarige] te kunnen observeren en begeleiden als ouders eventueel niet zullen meewerken. De kinderrechter stelt voorop dat dit verzoek niet voorligt. Daar komt bij dat naar het oordeel van de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing de instemming van de ouders overbodig maakt. Nu de [naam] wordt ingezet voor observatie en onderzoek is geen sprake van medische behandeling als bedoeld in artikel 1:265h BW.

5.6

De GI heeft ter zitting bovendien aangegeven dat de [naam] toestemming van de kinderrechter wil om bij [minderjarige] in de avond en nacht de deur te sluiten. De kinderrechter merkt op dat nu de [naam] geen instelling voor gesloten jeugdzorg is en er geen machtiging gesloten jeugdzorg is gevraagd, het sluiten van de deuren niet is toegestaan. Nog daargelaten dat het zeer de vraag is hoe wenselijk het is dat de een kind van drie jaar oud, dat niet kan praten, in de nachtelijke uren met gesloten deuren wordt opgevangen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1

stelt [minderjarige] onder toezicht van De Gecertificeerde Instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, met ingang van

25 augustus 2016 tot 25 augustus 2017;

6.2

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, met ingang van 25 augustus 2016 tot 25 november 2017;

6.3

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Mateman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

S. Weijens-Dekker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2016.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam