Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:9224

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-08-2016
Datum publicatie
08-11-2016
Zaaknummer
C/15/243549 / FA RK 16-3074 en C/15/220909/ FA RK 15-306
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft een beschikking van de meervoudige kamer inzake art. 1:266 BW.

In de zaak met het zaaknummer C/15/243 549/FA RK 16-3074 is het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag afgewezen ten aanzien van de vader en toegewezen ten aanzien van de moeder.

De vader zal het gezag over de minderjarige uitoefenen. De minderjarige zal opgroeien bij de pleegmoeder. Discretionaire bevoegdheid van de rechter om ondanks het ontbreken van een terugkeerperspectief van de minderjarige naar huis toch af te zien van gezagsbeëindiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

Zittingsplaats: Alkmaar

IMS

zaaknummers : C/15/243549 / FA RK 16-3074 en C/15/220909/ FA RK 15-306

datum uitspraak: 17 augustus 2016

beschikking van de meervoudige kamer inzake beëindiging van het ouderlijk gezag

in de zaak, bij de rechtbank bekend onder het zaaknummer C/15/243549/FA RK 16-3074, van:

de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Haarlem.

betreffende

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , hierna ook te noemen de minderjarige.

en in de zaak, bij de rechtbank bekend onder het zaaknummer C/15/220909/ FA RK 15-306, van:

[de vader] , hierna ook te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] ,

tegen

[de moeder] , hierna ook te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

De rechtbank merkt verder als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling De Jeugd -& Gezinsbeschermers, hierna te noemen de GI,

te Alkmaar,

[pleegmoeder] , hierna te noemen de pleegmoeder,

wonende te [woonplaats] .

1 Het procesverloop

1.1

In de zaak met nummer C/15/243549/FA RK 16-3074 is op 24 mei 2016 bij de griffie ingekomen het verzoekschrift met bijlagen van de Raad,

waaronder:

  • -

    het rapport van de Raad, gedateerd februari 2016,

  • -

    de bereidverklaring van de GI de voogdij te aanvaarden, gedateerd 28 januari 2016.

1.2

Op 5 juli 2016 is bij de griffie ingekomen het verweerschrift van mr. N.J.M. Plat,

namens de vader, strekkende tot afwijzing van het verzoek van de Raad voor zover

het de vader betreft.

1.3

Op 7 juli 2016 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- [vertegenwoordigster] , namens de Raad,

- [vertegenwoordigster] , namens de GI,

- de moeder, vergezeld door [vertegenwoordigster] en [vertegenwoordigster] van de GGZ,

- de vader, bijgestaan door mr. N.J.M. Plat,

- de pleegmoeder.

1.4

Gelijktijdig heeft de rechtbank het verzoekschrift van de vader behandeld, inhoudende het verzoek hem te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarige, bekend onder zaaknummer C/15/220909/ FA RK 15-306. Op 27 augustus 2015 heeft, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, een mondelinge behandeling plaatsgehad. Die behandeling is pro forma aangehouden tot 26 februari 2016, teneinde de GI in de gelegenheid te stellen een verzoek bij de Raad in te dienen voor een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel en de Raad de mogelijkheid te bieden dit (eventuele) onderzoek te verrichten.

2 De feiten

2.1

Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt uitgeoefend door beide ouders.

2.2

Bij beschikking van de kinderrechter van 14 november 2013 is ten aanzien van de minderjarige de ondertoezichtstelling uitgesproken. De minderjarige verblijft sinds ongeveer een jaar na haar geboorte in het huidige perspectiefbiedende netwerkpleeggezin, te weten bij oma (vaderszijde). Bij beschikking van 14 november 2013 heeft de kinderrechter de plaatsing geformaliseerd door middel van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige. Beide maatregelen zijn steeds verlengd en duren voort tot 14 november 2016.

3 Het verzoek

3.1

De Raad heeft in het rapport van februari 2016 verzocht het gezag van beide ouders te beëindigen en de GI tot voogd over de minderjarige te benoemen.

3.2

In het rapport is te lezen dat het voor een gezonde ontwikkeling van de minderjarige van belang is dat haar huidige woon- en opvoedingssituatie wordt gecontinueerd en dat er duidelijkheid bestaat over haar opvoedings- en ontwikkelingsperspectief. De verwachting is gerechtvaardigd dat de ouders niet in staat zijn om binnen een voor de minderjarige aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te kunnen dragen. Dat blijkt onder meer uit het feit dat gezien de verkregen informatie gesteld kan worden dat de langdurige ondertoezichtstelling de situatie van de ouders onvoldoende heeft kunnen beïnvloeden.

Tevens staat in het rapport dat de Raad ten tijde van het onderzoek de mogelijkheid heeft overwogen dat de vader het gezag voortaan alleen gaat uitoefenen. De Raad heeft zich daarbij afgevraagd in hoeverre de vader in staat zal zijn de moeder een rol te laten spelen in het leven van de minderjarige. Het is van belang voor de ontwikkeling van de minderjarige dat contactherstel plaatsvindt tussen haar en de moeder en dat dat contact wordt onderhouden. In de ogen van de Raad kan een en ander niet in vrijwillig kader en dan zou, ook wanneer het gezag van de moeder zou zijn beëindigd, de ondertoezichtstelling (voorlopig) in stand moeten blijven. Deze maatregel is echter niet langer aangewezen, aangezien ook de vader naar verwachting niet binnen een voor de minderjarige aanvaardbare termijn haar verzorging en opvoeding volledig ter hand kan nemen.

3.3

Ter terechtzitting heeft de Raad haar standpunt gewijzigd, in die zin dat de Raad nog steeds van mening is dat aan alle vereisten is voldaan om tot een gezagsbeëindigende maatregel te komen, maar dat er – gekeken naar de menselijk maat – in deze zaak twijfel is of ten aanzien van de vader tot deze maatregel zou moeten worden overgegaan.

Het is bij de Raad bekend dat de vader op termijn graag samen met zijn moeder, de pleegmoeder, het gezag zou willen uitoefenen. Voor wat betreft het contactherstel tussen de moeder en de minderjarige heeft de Raad er inmiddels vertrouwen in dat de pleegmoeder en de vader het belang daarvan ook inzien. In het geval dat de vader het gezag behoudt, dienen de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing het komende jaar nog wel te worden verlengd.

4 De Standpunten

4.1

De GI heeft ter zitting aangegeven dat ook zij twijfelt of ten aanzien van vader tot een gezagsbeëindigende maatregel dient te worden gekomen, hoewel aan de vereisten daarvoor is voldaan. De vader stelt zich volledig meewerkend op en op zijn opstelling valt niets aan te merken. De GI heeft de Raad destijds verzocht om onderzoek te doen naar de toepassing van een verderstrekkende maatregel, omdat de ouders niet in staat zullen zijn om binnen een voor de minderjarige aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen en een ondertoezichtstelling dan niet langer de aangewezen maatregel zou zijn. Het is van belang voor de minderjarige dat de huidige woon- en opvoedingssituatie wordt gecontinueerd en dat er duidelijkheid bestaat over haar opvoedings- en ontwikkelingsperspectief.

De veiligheid en continuïteit in de zorg en ondersteuning aan de minderjarige is ondertussen geborgd door middel van de huidige kinderbeschermingsmaatregelen en de GI gaat er vanuit dat, in het geval alleen de vader het gezag behoudt, deze maatregelen zullen voortduren.

4.2

De vader is het niet eens met het aanvankelijke verzoek van de Raad voor zover het het verzoek betreft zijn gezag over de minderjarige te beëindigen. Hij is blij met de aanvulling die de Raad daaromtrent ter zitting heeft gedaan.

Mr. Plat heeft –kort gezegd- aangevoerd dat er sprake is van factoren en omstandigheden die, ondanks dat de vader nu en in de nabije toekomst niet de verzorging en opvoeding van de minderjarige ter hand kan nemen, rechtvaardigen dat hij zijn gezag behoudt. Bovendien geeft behoud van het gezag meer zekerheid voor de vader dat tevoren met hem wordt overlegd als er belangrijke beslissingen genomen moeten worden en dat zijn mening gewicht in de schaal legt. Het geeft hem ook de mogelijkheid zo nodig rechtstreeks informatie over de minderjarige op te vragen bij de school en de hulpverlening.

4.3

De moeder begrijpt dat het in het belang van de minderjarige is dat haar gezag zal worden beëindigd en in die zin voert zij geen verweer.

4.4

De pleegmoeder is het niet eens met het aanvankelijke verzoek voor zover het het verzoek van de Raad betreft het gezag van de vader over de minderjarige te beëindigen.

De vader heeft in de afgelopen periode een behoorlijke inspanning geleverd om zijn rol als vader zo goed mogelijk invulling te geven en hij verdient het om te kunnen laten zien dat hij zich in het belang van de minderjarige kan blijven inzetten.

5 De beoordeling


Op grond van de stukken en de behandeling ter terechtzitting overweegt de rechtbank als volgt.

5.1

De rechtbank kan, op grond van artikel 1:266, eerste lid, sub a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder beëindigen, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

5.2

Gebleken is dat binnen de bestaande kinderbeschermingsmaatregelen niet meer wordt gewerkt aan thuisplaatsing en dat het in het belang is van de minderjarige om haar toekomstperspectief en verdere ontwikkeling veilig te stellen.

5.3

De minderjarige kent een belast verleden. Zij is getuige geweest van huiselijk geweld en haar ouders waren onvoldoende beschikbaar. Zij is op eenjarige leeftijd in 2011 bij de pleegmoeder ondergebracht omdat de ouders de zorg voor haar niet konden dragen.

In 2013 is de plaatsing bij de pleegmoeder geformaliseerd na een conflict tussen de moeder en de pleegmoeder.

De minderjarige liet aanvankelijk in haar gedrag ambivalentie zien in haar hechting naar de pleegmoeder. Ook voelt de minderjarige zich erg loyaal en verantwoordelijk naar de moeder en denkt zij dat het door haar komt dat de moeder haar niet kan zien. Sinds januari 2014 is er geen contact meer tussen de moeder en de minderjarige. De moeder en de minderjarige hebben geen wezenlijke band kunnen opbouwen.

5.4

De minderjarige krijgt bij de pleegmoeder de zorg die zij nodig heeft, waaronder voldoende stabiliteit en structuur. Deze opvoedingsomgeving komt tegemoet aan hetgeen zij op korte en lange termijn nodig heeft. De minderjarige is een lief en vrolijk meisje dat zich op alle gebieden goed ontwikkelt. Zij krijgt (spel)therapie om haar verleden een plek te geven. Voor de rechtbank is het duidelijk dat het opgroeiperspectief van de minderjarige bij de pleegmoeder ligt. Er is een duidelijke omgangsregeling met de vader van eens in de veertien dagen een weekend. Voor wat betreft het contact met de moeder, ontvangt de pleegmoeder begeleiding van pleegzorg om te leren omgaan met de vragen die de minderjarige over haar moeder heeft. De pleegmoeder en de vader praten niet negatief over de moeder.

5.5

Uit het rapport van de Raad komt naar voren dat de moeder belast is met persoonlijke problematiek. Zij is gediagnosticeerd met borderline persoonlijkheidsproblematiek en heeft zelf een belast verleden. Zij heeft daarvoor begeleiding van de GGZ. Zij vindt het moeilijk om haar eigen aandeel in haar gedrag te zien en heeft de neiging alles buiten zichzelf te plaatsen. Zij heeft moeite om met de hulpverlening tot afspraken te komen en zich daar aan te houden. Zij heeft al geruime tijd hulpverlening van verschillende instanties waarbij het de vraag is of zij hier het overzicht in kan houden. De problemen omtrent het wel of niet meewerken met de hulpverlening, spelen al jaren en zij heeft vooralsnog niet, dan wel onvoldoende geprofiteerd van de geboden begeleiding en hulpverlening. De moeder heeft een aantal jaren geen contact gehad met de minderjarige en momenteel wordt voorzichtig geprobeerd het contact te herstellen. Gebleken is dat het pedagogisch inzicht van de moeder gering is. Gelet op de complexiteit en langdurigheid van de persoonlijke problematiek van de moeder en de ontoereikendheid van de geboden hulpverlening tot nu toe, waardoor de moeder reeds langdurig onmachtig is dan wel onvoldoende in staat is om te voldoen aan de verzorgings- en opvoedingsbehoefte van de minderjarige, ligt het niet in de lijn der verwachting dat de moeder binnen de aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich zal kunnen nemen.

5.6

Bij de vader is sprake van psychiatrische problematiek (PDD-NOS) wat hem belemmert in de zorg voor de minderjarige. Al lange tijd is duidelijk dat ook de vader onvoldoende aan de verzorgings- en opvoedingsbehoefte van de minderjarige kan voldoen en het ligt ook niet in de lijn der verwachting dat de vader in de nabije toekomst de verzorging en opvoeding volledig op zich zal kunnen nemen. De vader heeft geaccepteerd dat de minderjarige zal opgroeien bij de pleegmoeder en kan de minderjarige hierin ook emotioneel ondersteunen.

De rol van de vader ten aanzien van de minderjarige is echter een hele andere dan die van de moeder. De vader speelt een belangrijke rol in het leven van de minderjarige. De pleegmoeder van de minderjarige is zijn eigen moeder. De vader heeft steeds een goed contact (gehad) met zowel de minderjarige als met de pleegmoeder als met de GI. De vader heeft een uitgebreide omgangsregeling met de minderjarige.

5.7

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat op zich voor beide ouders aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a, van het BW is voldaan. De vraag die ter beantwoording voorligt, is of dat in deze zaak ten aanzien van beide ouders ook moet leiden tot een beëindiging van het gezag. De rechtbank is van oordeel dat dit ten aanzien van de man niet het geval is en overweegt daartoe het volgende.

5.8

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is dat een verzoek als het onderhavige in beginsel wordt toegewezen als aan de wettelijke eisen is voldaan. De wet kent de rechter echter een discretionaire bevoegdheid toe om ondanks het ontbreken van een terugkeerperspectief van de minderjarige naar huis toch af te zien van gezagsbeëindiging.

5.9

Zowel de Raad als de GI hebben ter terechtzitting betoogd dat er geen enkele nadelige invloed is te verwachten voor de ontwikkeling van de minderjarige, indien het gezag van de vader blijft voortduren. De GI heeft aangegeven dat de vader goed samenwerkt met de hulpverlening en dat hij goed te bereiken is. De vader doet erg zijn best om er voor te zorgen dat het goed gaat met de minderjarige en weet te handelen vanuit het belang van de minderjarige. Hij is in staat de minderjarige emotioneel te ondersteunen in het feit dat zij bij de pleegmoeder zal opgroeien. In de toekomst zou de vader graag samen met de pleegmoeder het gezamenlijk gezag over de minderjarige willen gaan uitoefenen, omdat zij de hoofdverzorger van de minderjarige is. Bovendien neemt de rechtbank in ogenschouw dat de vader in staat is om het belang van contact met de moeder voor de minderjarige te zien en hij zich bereid heeft getoond zich hiervoor in te spannen, evenals de pleegmoeder. Voorts acht de rechtbank van belang dat uit de beschikbare informatie naar voren komt dat de minderjarige geen onzekerheid ervaart over haar opgroeiperspectief, mede door de opstelling van de vader op dit punt.

5.10

In een geval als dit, is het naar het oordeel van de rechtbank het meest in het belang van de minderjarige dat het gezag in stand blijft. De rechtbank zal daarom het verzoek ten aanzien van de vader afwijzen.

5.11

Ten aanzien van de moeder is de rechtbank van oordeel dat tot een gezagsbeëindigende maatregel dient te worden gekomen. Aan de vereisten is voldaan en gezagsbeëindiging wordt in het belang van de minderjarige geacht.

De rechtbank zal gelet op vorenstaande het verzoek tot beëindiging van het gezag ten aanzien van de moeder toewijzen.

5.11

Voor wat betreft het contact(herstel) tussen de moeder en de minderjarige heeft de rechtbank er, met de Raad en de GI, voldoende vertrouwen in dat de pleegmoeder en de vader het belang daarvan inzien en hun verantwoordelijkheid daarin zullen nemen. Bovendien kan de GI op dit punt nog langer een initiërende en begeleidende rol blijven spelen, als dat nodig zou blijken. De vader heeft ter terechtzitting aangegeven geen verweer te zullen voeren tegen het voortduren van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing op deze gronden, als in november 2016 het verzoek tot verlenging daarvan aan de orde komt. De moeder krijgt zo de kans om haar rol als moeder op afstand invulling te geven.

5.12

Door de beëindiging van het gezag van de moeder ontstaat de situatie dat de vader het gezag over de minderjarige alleen zal uitoefenen, waardoor de vader geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn verzoek, bij de rechtbank bekend onder het zaaknummer C/15/220909/ FA RK 15-306, om te worden belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige. Zijn verzoek ligt daarmee voor afwijzing gereed.

6 De beslissing


De rechtbank:

in de zaak met nummer C/15/243549/FA RK 16-3074:

6.1

Beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder] , geboren op

[geboortedatum] te [geboorteplaats] , over de minderjarige:

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;

6.2

Wijst af het meer of anders verzochte;

6.3

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

en in de zaak met nummer C/15/220909/ FA RK 15-306:

6.4

Wijst af het verzoek van de vader.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, voorzitter tevens kinderrechter,

mr. J.A.C.R.W. VerLoren van Themaat-van der Hoeven en mr. J.L. Roubos, rechters, beiden tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op

17 augustus 2016.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam