Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:9104

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 348
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek over door gemeentelijke medewerkers aan de politie verstuurde meldingen over mogelijke uitbuiting in relatie tot de prostitutiebranche. De gemeente wijst het verzoek af omdat de meldingen niet meer beschikbaar zijn bij de gemeente en er ook geen andere hieraan gerelateerde stukken zijn aangetroffen. Overtuigend gemotiveerd dat de stukken waar het Wob-verzoek op ziet niet (meer) beschikbaar zijn. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 1, geldigheid: 2015-07-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/348

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.B. van Faassen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Blom en mr. E.C.W. van der Poel).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Bij besluit van 15 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend

De rechtbank heeft op 15 september 2016 de zaak gevoegd behandeld met een soortgelijke zaak van eiser (HAA 16/2795). Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Eiser is exploitant/beheerder van een seksinrichting op [locatie] in Alkmaar.

1.2

Op 12 mei 2015 heeft eiser verweerder om stukken verzocht die volgens hem inzicht geven in gevallen van misstanden in de prostitutiebranche, in het bijzonder misstanden die gesignaleerd zijn door gemeentelijke medewerkers. Daarbij heeft hij verwezen naar een citaat uit een brief van de burgemeester van Alkmaar dhr. P. Bruinooge van 3 maart 2011: “Eind 2010 zijn onze baliemedewerkers getraind op het signaleren van melden van uitbuiting. Een dertigtal mededelingen binnen 3 maanden laat zien dat deze gemeentelijke medewerkers, die dagelijks contact hebben met bijvoorbeeld Oost-Europese migranten, in staat zijn om signalen van uitbuiting te herkennen”.

Eiser heeft zijn verzoek als volgt gespecificeerd:

1. De stukken waar de dertig binnengekomen meldingen schriftelijk in zijn verwerkt en welke onder meer inzicht verschaffen over de aard van de meldingen en de afkomst van de meldingen.

2. Opgemaakte stukken die verband houden met de behandeling van het dertigtal meldingen waaronder eventuele handhavingsbesluiten zoals het opleggen van bestuursdwang dan wel een bestuursrechtelijke boete met de eventuele onderliggende collegebesluiten.

3. Schriftelijke stukken waaruit blijkt of de gemeentelijke medewerkers na de drie maanden en het dertigtal meldingen, voornoemd, nog meer meldingen hebben geregistreerd.

4. Opgemaakte notulen van vergaderingen dan wel besprekingen waarin onderhavig onderwerp door het bestuur en/of ambtenaren zijn besproken dan wel gelijksoortige stukken die verband houden met de gedane meldingen.

Indien er ten aanzien van het verzoek om stukken onder 3 daadwerkelijk stukken beschikbaar zijn:

5. Opgemaakte stukken die verband houden met de behandeling van de meldingen zoals onder 3 genoemd waaronder eventuele handhavingsbesluiten zoals het opleggen van bestuursdwang danwel een bestuursrechtelijke boete met de eventuele onderliggende collegebesluiten.

2 Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen op de volgende gronden. De meldingen zijn niet meer beschikbaar bij de gemeente (ad 1), er zijn geen handhavingsbesluiten naar aanleiding van de meldingen (ad 2), er zijn geen stukken van andere meldingen naast de dertig onder 1 genoemde meldingen (ad 3), er zijn daarom ook geen stukken over de opvolging (ad 5) en het is niet meer te achterhalen of medewerkers bij besprekingen over de meldingen aanwezig zijn geweest (ad 4).

In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd met een nadere toelichting waarin kort gezegd staat dat het meldpunt een e-mailadres van de politie Noord-Holland betrof dat onder beheer en verantwoordelijkheid van de politie valt. De meldingen betroffen meldingen van baliemedewerkers van de gemeente van een mogelijke misstand aan het meldpunt van de politie. De politie is verantwoordelijk voor eventuele strafrechtelijke opvolging van de meldingen door middel van een onderzoek. De meldingen konden via mail, rechtstreeks naar de mailbox, worden gedaan of mondeling. De meldingen zijn niet door de gemeente vastgelegd. Alleen de door de baliemedewerkers verzonden e-mails aan het meldpunt kunnen dus onder verantwoordelijk van de gemeente vallen in het kader van de Wob. In het gekozen proces was er geen verantwoordelijkheid voor de gemeente voor het registreren, behandelen of opvolgen van de meldingen. Stukken over de opvolging van de meldingen zijn daarom ook niet bij de gemeente aanwezig. Bestuursrechtelijke opvolging heeft niet plaatsgevonden. Uit het onderzoek is gebleken dat deze e-mails zich niet meer bevinden in de mailbox van de baliemedewerkers. De back-ups van de jaren 2010/2011 zijn niet meer door de gemeente te raadplegen. De verwijderde e-mails kunnen dus niet meer achterhaald worden.

3. Eiser betwist het standpunt van verweerder dat er geen stukken (meer) beschikbaar zijn. Eiser acht dit standpunt van verweerder onvoldoende gemotiveerd. Voorts betwist eiser het standpunt van verweerder dat het meldpunt onder het beheer van de politie valt. De politie erkent dit standpunt op geen enkele wijze waardoor onduidelijkheid is ontstaan over de vraag wie nu verantwoordelijk is geweest voor de afhandeling van de meldingen en wat er gebeurd is met de e-mails en andere stukken. Ter zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat verweerder ten onrechte zijn Wob-verzoek heeft beperkt tot stukken die zien op het dertigtal meldingen.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit en ter zitting overtuigend heeft gemotiveerd dat de stukken waar het Wob-verzoek van eiser op ziet niet (meer) beschikbaar zijn bij verweerder. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2216) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.
Ook heeft verweerder overtuigend gemotiveerd dat het meldpunt onder het beheer van de politie viel, hetgeen ter zitting ook is bevestigd door de politie. Er is geen grond voor het oordeel dat het standpunt van verweerder onjuist is. De enkele betwisting van eiser, zonder een nadere onderbouwing, is daartoe onvoldoende. Daar komt bij dat de politie heeft erkend te beschikken over dat dertigtal meldingen, hetgeen de rechtbank kan bevestigen na kennisname in het kader van zaak HAA 16/2795 van de door de politie geheimgehouden stukken.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog ter zitting dat verweerder zijn Wob-verzoek ten onrechte heeft beperkt tot de stukken die zien op het dertigtal meldingen. Zoals ook uit de voorgaande overwegingen blijkt, is verweerder in het primaire besluit ingegaan op alle vijf onderdelen van het Wob-verzoek. Eiser is in bezwaar uitsluitend opgekomen tegen de weigering van openbaarmaking van de dertig meldingen, zodat verweerder zich in het bestreden besluit daartoe kon beperken.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het beroep is ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L. Beijen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.