Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:9089

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-11-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
15/860240-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte vrijgesproken van medeplegen van moord op een camping op de Afsluitdijk.

Wel veroordeling tot 8 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen wegmaken lijk.

De rechtbank heeft onderscheid gemaakt tussen de vorderingen van de nabestaanden in de hoedanigheid van benadeelde partij en als nabestaande. In eerste hoedanigheid vordering tot vergoeding van schade niet toegewezen wegens vrijspraak. In tweede hoedanigheid (kosten voor het als nabestaande aanwezig zijn op de diverse strafzittingen) vorderingen wel toegewezen, maar kosten dienen op grond van Europese regelgeving en wetsgeschiedenis door de Staat te worden vergoed.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 151, geldigheid: 2002-04-01
Wetboek van Strafvordering 260, geldigheid: 2016-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/860240-15 (P)

Uitspraakdatum: 4 november 2016

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15 maart, 22 maart, 26 mei, 1 juli, 25 augustus, 27 en 28 september, 3, 4, 5, 7 en 21 oktober 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. Visser en van hetgeen [verdachte] en zijn raadsman, mr. S.S.H. Orsel, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan [verdachte] is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1

Primair

(moord in vereniging)

hij in of omstreeks de periode van 25 tot en met 26 augustus 2015 te Hippolytushoef en/of Slootdorp, gemeente Hollands Kroon, en/of te Breezanddijk, gemeente Südwest-Fryslân, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte raad [S] door het aanwenden van uitwendig (samen)drukkend geweld op de hals (verwurging) en/of stomp botsend geweld op de hals (slaan, stompen) en/of uitwendig geweld op de mond/neus/tong (smoren, slaan, verstikking) van het leven heeft beroofd;

Subsidiair

(doodslag in vereniging)

hij op of omstreeks 26 augustus 2015 te Hippolytushoef en/of Slootdorp, gemeente Hollands Kroon, en/of te Breezanddijk, gemeente Südwest-Fryslân, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk [S] door het aanwenden van uitwendig (samen)drukkend geweld op de hals (verwurging) en/of stomp botsend geweld op de hals (slaan, stompen) en/of uitwendig geweld op de mond/neus/tong (smoren, slaan, verstikking) van het leven heeft beroofd;

Meer Subsidiair

(medeplichtigheid aan moord/doodslag in vereniging)

[J] en/of [A] in of omstreeks de periode van 25 tot en met 26 augustus 2015 te Hippolytushoef en/of Slootdorp, gemeente Hollands Kroon, en/of te Breezanddijk, gemeente Südwest-Fryslân, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte raad [S] door het aanwenden van uitwendig (samen)drukkend geweld op de hals (verwurging) en/of stomp botsend geweld op de hals (slaan, stompen) en/of uitwendig geweld op de mond/neus/tong (smoren, slaan, verstikking) van het leven hebben/heeft beroofd, bij/tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 25 en 26 augustus 2015 te Hippolytushoef en/of Slootdorp, gemeente Hollands Kroon, en/of te Breezanddijk, gemeente Südwest-Fryslân, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, doordat hij

- ( meermalen) (telefonisch) contact heeft onderhouden en/of afspraken heeft gemaakt met die [J] en/of met die [A] (onder meer over (ieders) aanwezigheid op/nabij de camping op de Afsluitdijk),

- naar die camping op de Afsluitdijk is gegaan (als versterking, om die [J] en/of die [A] bij te staan en/of aan een overwicht te helpen),

- die [S] naar/in een schuurtje bij een stacaravan (een 'bijhok') heeft gebracht en/of gehouden, en/of

- die [S] (aldaar) heeft vast gehouden;

Feit 2

(onttrekken van een lijk aan nasporing)

hij op of omstreeks 27 augustus 2015 te Hippolytushoef en/of Slootdorp, gemeente Hollands Kroon, en/of te Breezanddijk, gemeente Südwest-Fryslân, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [S] , heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt door

- het stoffelijk overschot van die [S] in een dekzeil en een plastic zak te verpakken,

- het stoffelijk overschot van die [S] in een auto/camper te laden en met die auto/camper van (de camping te) Breezanddijk naar de gemeente Hollands Kroon te vervoeren en/of

-(vervolgens) het stoffelijk overschot van die [S] (verzwaard met een tegel) in het water van het Amstelmeerkanaal (Voorboezem) te gooien,

zulks (telkens) met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van die [S] , te weten dat die [S] (door verwurging, geweld en/of verstikking) om het leven is gebracht, te verhullen.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Inleiding
Deze zaak heeft betrekking op het overlijden van [S] . Uit het dossier blijkt dat hij door een misdrijf om het leven is gekomen. Zijn lichaam is verpakt in een bouwzeil en verzwaard met een grindtegel, in het Amstelmeerkanaal gegooid. Op 30 augustus 2015 is zijn lichaam daar aangetroffen en is een politieonderzoek gestart. Dit onderzoek heeft ertoe geleid dat drie verdachten zijn aangehouden: medeverdachte [A] (hierna ook: [A] , de vrouw van [S] ), medeverdachte [J] (de ex-man van [A] ) en [verdachte] , de ex-vriend van [A] ).

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord of doodslag op [S] en aan het medeplegen van het wegmaken van het stoffelijk overschot.

3.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat [J] en [A] plannen hadden om [S] van het leven te beroven. Zij hebben [verdachte] daarvan op de hoogte gebracht en benaderd om daarbij te helpen. Zodoende werd [verdachte] een dag voor de dood van [S] betrokken bij de moordplannen. Hij heeft deelgenomen aan de uitvoering van het plan door zich naar de Afsluitdijk te begeven en samen met [J] de camping op te gaan, terwijl hij wist dat [S] daar aanwezig was. [S] is om het leven gebracht in het bijhok. [verdachte] heeft er (mede) voor gezorgd dat [S] in dat bijhok terecht kwam. Hoewel niet direct kan worden vastgesteld welke uitvoeringshandelingen [verdachte] heeft gepleegd, is hij wel direct getuige geweest van door [J] uitgeoefend geweld en is hij in de directe omgeving van [S] geweest, die hij op enig moment heeft vastgepakt. Nadat hij even het bijhok heeft verlaten is [verdachte] teruggekeerd en opnieuw bij de uitvoering van het geweld door [J] aanwezig geweest. Hij heeft zich daarvan niet gedistantieerd. Hij heeft zelfs de bezittingen van [S] (de portemonnee en telefoon) afgegeven aan [A] , die voor de caravan in haar auto zat. Vervolgens heeft hij [J] naar de woning van [A] gebracht en een dag later heeft hij [J] geholpen om het stoffelijk overschot te laten verdwijnen. Bij de uitvoering van het delict is de aanwezigheid van [verdachte] volgens de officier van justitie doorslaggevend geweest om [S] in het bijhok te houden en [J] bij te staan.

De officier van justitie heeft tegen de achtergrond van het voorgaande gerekwireerd tot bewezenverklaring van medeplegen van moord en van het onttrekken van een lijk aan nasporing, tezamen en in vereniging gepleegd.

3.3.

Standpunt van de verdediging

[verdachte] ontkent betrokken te zijn geweest bij het om het leven brengen van [S] . Hij heeft met [A] afgesproken om hun auto’s te ruilen, omdat hij de auto van [A] zou laten repareren. Om die reden is hij naar Noord-Holland gereden. Bij Den Oever aangekomen kreeg hij van [A] de instructie om naar het tankstation op de Afsluitdijk te rijden. Daar verwachtte hij [A] , maar kwam [J] opdagen. Met [J] is hij naar de camping gereden. [verdachte] is daar iets eerder aangekomen dan [J] en heeft [A] en [S] in hun caravan getroffen. Gedrieën zijn zij naar het bijhok gegaan. Daar is [J] ineens binnen gestormd. Hij is [S] aangevallen en heeft hem een paar klappen gegeven. [A] heeft direct het bijhok verlaten en [verdachte] kort daarna, terwijl [J] en [S] zijn achtergebleven. [verdachte] is vervolgens kort na [A] vertrokken van de camping en naar haar woning toegereden. [S] was nog in leven toen [verdachte] het bijhok verliet. [verdachte] heeft verklaard dat hij pas toen hij de volgende avond opnieuw in Noord-Holland was erachter kwam dat [S] dood was. Hij heeft [J] toen geholpen om het lichaam in het Amstelmeerkanaal te gooien.

Volgens de raadsman valt uit de bewijsmiddelen op te maken dat [J] en [A] hebben samengespannen om [S] van het leven te beroven. Het is [J] die [S] daadwerkelijk om het leven heeft gebracht. [verdachte] had geen weet van de plannen van [J] en [A] en is er onvrijwillig bij betrokken geraakt. Nu de wetenschap van de plannen tot het ombrengen van [S] bij [verdachte] ontbreekt, kan geen sprake zijn van voorbedachte raad, zodat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van medeplegen van moord.

Volgens de raadsman blijkt uit de bewijsmiddelen evenmin van een nauwe en bewuste samenwerking met [J] die was gericht op het doden van [S] . [verdachte] heeft geen materiële of intellectuele bijdrage geleverd aan het handelen van [J] , zodat hij ook van medeplegen van doodslag dient te worden vrijgesproken.

De raadsman concludeert tot slot ook tot vrijspraak van medeplichtigheid aan de moord of doodslag. Er is onvoldoende bewijs om aan te nemen dat [verdachte] [S] naar het bijhok zou hebben gebracht en/of gehouden en dat hij hem zou hebben vastgehouden. Dat [verdachte] telefonische contacten onderhield met [A] en naar de Afsluitdijk is gegaan is juist, maar kan niet worden uitgelegd als medeplichtigheid aan moord of doodslag. [verdachte] wist immers niet van de plannen van [J] en [A] .

[verdachte] heeft zich wel schuldig gemaakt aan het onttrekken van een lijk aan nasporing en dient dus voor feit 2 veroordeeld te worden, aldus de raadsman.

3.4.

Vrijspraak feit 1
Feiten

[S] woonde in Hippolytushoef samen met zijn echtgenote [A] . [J] , ex-echtgenoot van [A] , kwam dagelijks meermalen bij hen over de vloer. [verdachte] , ex-vriend van [A] , woonde in [plaats] en onderhield telefonisch contact met [A] . [verdachte] is samen met [A] , [J] en [S] aanwezig geweest op camping ’t Wad op de Afsluitdijk op de avond dat [S] om het leven is gebracht.

Juridisch kader

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van verdachte van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Voor een veroordeling wegens medeplichtigheid is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van verdachte telkens was gericht op het behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf dan wel op het verschaffen van gelegenheid als bedoeld in artikel 48, aanhef en onder 2, Sr, maar ook dat het opzet van verdachte, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf.

De rechtbank overweegt tegen de achtergrond van het voorgaande als volgt.

Voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorop dat zij de verklaringen van [A] , inhoudende dat zij [verdachte] had verteld over plannen van [J] om [S] te vermoorden, niet bruikbaar acht voor het bewijs. De verklaringen die [A] heeft afgelegd moeten naar het oordeel van de rechtbank met uiterste behoedzaamheid worden beoordeeld. Zij is medeverdachte en heeft wisselend verklaard, niet alleen over de (verantwoordelijkheid voor) de dood van [S] , maar ook over de aard van haar relatie met [verdachte] en over de onderzoeksbevindingen, zoals de diverse telefonische contacten tussen de telefoons van [verdachte] en haarzelf. Zo verklaart zij wisselend over wie die gesprekken heeft gevoerd en/of de berichten heeft gestuurd ( [J] of zijzelf, al dan niet in opdracht van [J] ) en over de inhoud daarvan. Ook heeft zij verschillende antwoorden gegeven op de vraag of en wanneer zij [verdachte] heeft verteld over moordplannen van [J] en of [verdachte] is gevraagd te helpen. De verklaringen van [A] kunnen daarom zonder bevestiging door andere bewijsmiddelen niet bijdragen tot de conclusie dat [verdachte] voor de dood van [S] bij moordplannen is betrokken. [A] ontkent overigens dat zij met [verdachte] heeft afgesproken dat hij naar de Afsluitdijk zou komen om te helpen bij het ombrengen van [S] .

Wat betreft de objectieve bewijsmiddelen leidt de rechtbank uit het dossier af dat er zowel in de dagen voor als op de dag van de dood van [S] diverse contacten zijn geweest tussen de telefoons van [verdachte] en [A] , zowel telefoongesprekken als sms-berichten. Zo is er op dinsdag 25 augustus om 16.24 uur vanaf het toestel van [A] , nadat er een telefoongesprek tussen dezelfde nummers heeft plaatsgevonden, een sms-bericht gezonden naar [verdachte] met de tekst ‘de kast om zeep helpen Duidelyk Zat toch al schad’. Dit bericht is enkele minuten later door [verdachte] beantwoord met een sms-bericht met de inhoud ‘Weet niet hoe en wat ook met [J] Hoe doe je dat’. Dat bericht is weer gevolgd door een telefoongesprek tussen de nummers van [verdachte] en [A] .

[verdachte] heeft verklaard niet meer te weten waarover die sms-berichten gingen. Volgens [A] gingen deze berichten over een kast van haar zus [getuige] , welke kast bij een verhuizing was gesneuveld, maar [verdachte] heeft verklaard daar geen weet van te hebben.

De rechtbank is van oordeel dat uit de berichten niet kan worden afgeleid dat [verdachte] hiermee werd betrokken bij of geïnformeerd over moordplannen op [S] , zelfs niet als de officier van justitie wordt gevolgd in zijn betoog dat de verklaring van [A] niet juist is. Van belang daarbij is dat geen sprake is van de kenbare inhoud van andere gesprekken of berichten waarmee voornoemde sms-berichten in betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst. Het is weliswaar mogelijk dat het om codetaal voor het ombrengen van [S] gaat – zoals de officier van justitie veronderstelt – maar een dergelijke verstrekkende conclusie kan niet worden getrokken zonder dat daarvoor concrete nadere aanknopingspunten zijn te vinden in het dossier. Dat geldt te meer nu er vermoedens bestaan dat bij het eerstgenoemde bericht een deel van de tekst is weggevallen. De verklaring van [A] over het inlichten van [verdachte] over de moordplannen van [J] is niet als een zodanig aanknopingspunt aan te merken, gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft opgemerkt over de te betrachten behoedzaamheid bij het gebruik daarvan en het vage karakter van de bedoelde op zichzelf staande sms-berichten.

Uit de sms-berichten van woensdag 26 augustus 2015 lijkt te kunnen worden opgemaakt dat [verdachte] met [A] een afspraak had om naar Noord-Holland te komen. Zowel [A] als [verdachte] heeft verklaard dat [verdachte] in zijn eigen auto (hierna: de Xantia) naar Noord-Holland is gereden om hun auto’s te ruilen, zodat de auto van [A] (hierna: de C5) kon worden gerepareerd. Aan de C5 zijn bij onderzoek echter geen gebreken geconstateerd en ook de wijze waarop die autoruil heeft plaatsgevonden roept de vraag op of dat de werkelijke reden is geweest van de komst van [verdachte] . Dat kan [verdachte] echter niet volledig worden tegengeworpen. Zijn verklaring, dat hij is afgegaan op de mededelingen en instructies van [A] en hij dus niet wist of de C5 iets mankeerde en waar deze zich zou bevinden, wordt immers niet door enig bewijsmiddel weerlegd.

Op 26 augustus 2015 om 19.55 uur, als [verdachte] vlak bij de Afsluitdijk is heeft hij per sms-bericht aan [A] gevraagd: ‘Waar moet ik nu naar toe komen’ waarop per sms-bericht is geantwoord: ‘Dyk Tank’. [verdachte] is daarop naar het tankstation op de Afsluitdijk gereden. Daar is [J] later in zijn camper gearriveerd.

Anders dan de officier van justitie stelt acht de rechtbank het niet vreemd dat [verdachte] uit voornoemd sms-bericht zonder nadere instructies begreep dat hij naar het benzinetankstation op de Afsluitdijk moest. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [verdachte] op het moment van ontvangst van het bericht al in Noord-Holland Noord was en bekend was met bedoeld tankstation. Ook acht de rechtbank het niet onverklaarbaar dat [verdachte] bij het tankstation op de Afsluitdijk heeft gewacht en geen actie heeft ondernomen, omdat [verdachte] even voordat hij de instructie kreeg om naar het tankstation te rijden ook een sms-bericht van [A] ontving met de tekst ‘Ik ry wat later weg’ en hij op zijn vraag aan haar per sms ‘Hoe laat ben je daar’ geen antwoord heeft gekregen.

Dat hij met de bij het tankstation gearriveerde [J] naar de camping is gereden past ook in zijn verklaring over het ruilen van de auto’s. [J] had de te ruilen auto immers niet bij zich en [A] bevond zich inmiddels met de auto op de camping.

Dat [verdachte] een dag later een sms-bericht aan [A] heeft gestuurd met de tekst ‘auto terug vanavond’ is opmerkelijk en mogelijk verdacht, maar levert geen bewijs op.

De rechtbank realiseert zich dat ook [verdachte] niet altijd consequent heeft verklaard over de voorgenomen autoruil en diverse vragen daarover niet heeft beantwoord. Zodoende blijft er dus twijfel bestaan of [verdachte] werkelijk met dat doel naar Noord-Holland is gekomen. Dat acht de rechtbank echter onvoldoende om te concluderen dat het niet anders kan dan dat met [verdachte] de afspraak is gemaakt dat [verdachte] naar de Afsluitdijk zou rijden om te helpen bij het ombrengen van [S] . Er ontbreekt immers bewijs waaruit kan worden afgeleid dat [verdachte] op de hoogte was van de plannen van [J] en [A] .

De rechtbank komt tot de conclusie dat niet buiten redelijke twijfel staat dat [verdachte] voorafgaand aan de dood van [S] betrokken is geraakt bij een vooropgezet plan om hem van het leven te beroven. Voorbedachte raad bij [verdachte] acht de rechtbank daarom niet bewezen.

Medeplegen, nauwe en bewuste samenwerking

Uit de bewijsmiddelen kan evenmin worden afgeleid dat [verdachte] , al dan niet in nauwe en bewuste samenwerking met [A] en/of [J] , [S] van het leven heeft beroofd. Van betrokkenheid bij een vooropgezet plan is immers niet gebleken, maar daarnaast is er ook onvoldoende bewijs waaruit blijkt dat [verdachte] uitvoeringshandelingen zou hebben verricht, of dat hij op een andere wijze een bijdrage heeft geleverd aan het geweld waarmee [S] is omgebracht.

Het dossier bevat geen objectieve bewijsmiddelen waaruit kan volgen wie het geweld heeft toegepast als gevolg waarvan [S] is overleden.

[J] heeft verklaard dat het [verdachte] is die [S] heeft aangevallen, maar de rechtbank acht die verklaring ongeloofwaardig in het licht van de overige bewijsmiddelen, in het bijzonder de opnames van de gesprekken van [J] in de gevangenis.

Indien de verklaring van [verdachte] moet worden gevolgd, dan is hij weliswaar getuige geweest van geweld van [J] tegen [S] , maar is hij weggegaan uit het bijhok, waar dat geweld plaatsvond. Volgens hem was [S] toen nog in leven en niet levensgevaarlijk gewond of anderszins in hulpeloze toestand. Uit [verdachte] zijn eigen verklaring blijkt dus niet van enige bijdrage aan het geweld tegen [S] .

De verklaring van [verdachte] dat hij vervolgens is weggegaan en alleen in zijn eigen auto (de Xantia) zat toen hij [A] volgde naar Hippolytushoef, waar hij later samen was met [J] en [A] , is op zijn minst twijfelachtig. Op de vraag hoe [J] dan zou zijn teruggekeerd naar Hippolytushoef, moest [verdachte] het antwoord schuldig blijven. Bovendien blijkt uit de ARS-gegevens dat de Xantia 9 minuten later de Afsluitdijk af komt rijden dan de C5. Er zijn op dit punt echter meerdere scenario’s denkbaar en mogelijk. Uit die onduidelijkheid kunnen dus geen conclusies worden getrokken.

De verklaring van [A] , dat [verdachte] de portemonnee en telefoon van [S] aan haar heeft overhandigd nadat zij was weggevlucht uit het bijhok en dat [verdachte] is teruggekeerd naar het bijhok, levert evenmin bewijs op. Deze verklaring moet als gezegd met de nodige behoedzaamheid worden beoordeeld en vindt geen steun in het dossier. Allereerst staat vast dat [A] vanuit haar positie in de auto geen zicht had op (de toegang tot) het bijhok. Daarnaast is de telefoon van [S] niet in de C5 teruggevonden, maar de portemonnee wel. Om 22.41 uur vertrekt de C5 uit Hippolytushoef. De telefoon van [S] straalt daarna om 22.54 uur, evenals de volgende ochtend om 6.54 uur, echter wel een zendmast in Wieringerwerf aan. Ook op dat moment is de telefoon dus niet in de C5 aanwezig geweest.

De officier van justitie heeft erop gewezen dat steun voor de verklaring van [A] wordt gevonden in het gegeven dat de portemonnee van [S] in de auto van [A] is aangetroffen, maar de rechtbank is met de raadsman van [verdachte] van oordeel dat dit niet onverklaarbaar is. [S] is namelijk in die auto naar de camping gekomen en kan heel goed de portemonnee in de auto hebben laten liggen. Hij was immers van plan om diezelfde avond weer terug te rijden.

De verklaring van [A] dat zij van [J] had vernomen dat [verdachte] [S] zou hebben vastgehouden, acht de rechtbank eveneens onvoldoende om aan het bewijs te kunnen bijdragen. Nog afgezien van de vraag naar de betrouwbaarheid van haar verklaring, kan immers ook worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [J] . [A] heeft dat vasthouden in ieder geval niet zelf waargenomen.

Dat [verdachte] in een telefoongesprek met iemand die hij via een datingwebsite heeft leren kennen heeft gezegd: ‘Ik heb ook iemand vastgehouden, had ik beter niet kunnen doen’ is verder zodanig vaag en weinig concreet dat daarin ook geen steun kan worden gevonden voor de verklaringen van [A] en [J] op dit punt, of dat daaruit kan worden geconcludeerd dat [verdachte] [S] in het bijhok zou hebben vastgehouden.

[verdachte] heeft geen geloofwaardig antwoord kunnen geven op de vraag waarom hij een dag na het ombrengen van [S] opnieuw naar de kop van Noord-Holland is gereden en bij het wegmaken van het lichaam heeft geholpen. Het levert zonder meer een sterke verdenking op dat [verdachte] meer met de dood van [S] te maken heeft dan hij zelf verklaart. Dat is echter niet voldoende om bewijs van medeplegen te kunnen aannemen.

Afrondend constateert de rechtbank dat er diverse vragen en onduidelijkheden blijven bestaan over de rol van [verdachte] bij de gebeurtenissen op camping ’t Wad op woensdagavond 26 augustus 2015. [verdachte] heeft deze vragen en onduidelijkheden met zijn verklaring ter terechtzitting niet weggenomen. De rechtbank heeft daarom ook stilgestaan bij de vraag of die onduidelijkheden, in samenhang bezien, de conclusie rechtvaardigen dat het dan niet anders kan zijn dan dat [verdachte] in nauwe en bewuste samenwerking met [J] en/of [A] [S] om het leven heeft gebracht. De rechtbank is alles afwegende echter van oordeel dat er te veel twijfel blijft bestaan om een dergelijke verstrekkende conclusie te trekken, ook al passen de bewijsmiddelen in het door de officier van justitie geschetste scenario. Bij haar oordeel heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er geen betrouwbaar bewijsmateriaal voorhanden is waaruit kan worden afgeleid dat [verdachte] enige wetenschap had van de moordplannen van [J] en [A] .

Medeplichtigheid

Tot slot geldt dat uit de bewijsmiddelen evenmin is gebleken dat [verdachte] medeplichtig is aan de moord of doodslag op [S] . Als [verdachte] behulpzaam zou zijn geweest (bijvoorbeeld door zijn aanwezigheid in het bijhok) staat namelijk niet vast dat hij dat met opzet heeft gedaan en dat hij opzet had op de dood van [S] . Er is immers niet gebleken dat [verdachte] betrokken was bij een vooropgezet moordplan of op enigerlei wijze een bijdrage heeft geleverd aan het geweld op [S] .

Slotsom

De rechtbank komt tot de slotsom dat niet wettig en overtuigend is bewezen wat [verdachte] onder 1 ten laste is gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

3.5.

Redengevende feiten en omstandigheden feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het medeplegen van het wegmaken van het lijk op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu [verdachte] dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 3 oktober 2016 afgelegd;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 september 2015 (ZD01.01. dossierpagina’s 107-108);

  • -

    het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 20 oktober 2015 (FO.01. dossierpagina 29);

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten het NFI rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ d.d. 18 januari 2016, opgemaakt door V. Soerdjbalie-Maikoe (FO.01. dossierpagina’s 257-266).

3.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 2

hij op 27 augustus 2015 te Hippolytushoef en/of Slootdorp, gemeente Hollands Kroon, en te Breezanddijk, gemeente Südwest-Fryslân, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [S] , heeft verborgen en weggevoerd en weggemaakt door

- het stoffelijk overschot van die [S] in een dekzeil en een plastic zak te verpakken,

- het stoffelijk overschot van die [S] in een camper te laden en met die camper van de camping te Breezanddijk naar de gemeente Hollands Kroon te vervoeren en

- vervolgens het stoffelijk overschot van die [S] verzwaard met een tegel in het water van het Amstelmeerkanaal (Voorboezem) te gooien,

zulks met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van die [S] , te weten dat die [S] (door verwurging, geweld en/of verstikking) om het leven is gebracht, te verhullen.

Hetgeen aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. [verdachte] moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 2: medeplegen van een lijk verbergen, wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] voor het medeplegen van de moord en het wegmaken van het lijk zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) jaren.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het (mede)plegen van de moord of de medeplichtigheid daaraan. Wat betreft het wegmaken van het lijk kan worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, aldus de raadsman.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan [verdachte] moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van [verdachte] , zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

[verdachte] zal worden vrijgesproken van het (mede)plegen van de moord en de medeplichtigheid daaraan, zodat de rechtbank tot een heel andere straf komt dan door de officier van justitie is gevorderd.

[verdachte] heeft zich wel schuldig gemaakt aan het onttrekken van een lijk aan nasporing. Hij heeft, terwijl hij wist dat [S] door een misdrijf om het leven was gekomen, samen met [J] het stoffelijk overschot in het Amstelmeerkanaal laten verdwijnen.

Door zijn handelen heeft [verdachte] de waarheidsvinding bemoeilijkt en eraan meegewerkt een zeer ernstig misdrijf, een moord, te verhelen. Bovendien heeft [verdachte] de nabestaanden van [S] leed aangedaan. Door het handelen van [verdachte] heeft de mogelijkheid bestaan dat zij voor altijd in onzekerheid zouden blijven over het lot van [S] en zij alsdan geen waardig afscheid van hem konden nemen. [verdachte] heeft dat op de koop toe genomen. De wijze waarop met het stoffelijk overschot van het slachtoffer is omgegaan is bovendien respectloos en onterend.

Tot slot rekent de rechtbank het [verdachte] aan dat zijn gedragingen in de maatschappij een schok teweeg brengen en gevoelens van onrust en onveiligheid.

Met betrekking tot de persoon van [verdachte] heeft de rechtbank er acht op geslagen dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Alles afwegende en mede gelet op uitspraken in zaken waarin voor hetzelfde feit is veroordeeld is de rechtbank van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt en zal zij [verdachte] daarom een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden opleggen.

7 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

7.1.

Vordering van de benadeelde partij/nabestaande [C]

De benadeelde partij, zus van het slachtoffer, heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak via haar gemachtigde advocaat, mr. L. Harteveld, bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de (civiele) vordering tot vergoeding van € 2.631,67 aan materiële schade die [verdachte] voor de benadeelde partij heeft veroorzaakt.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ter zake van de materiële schade geheel toewijsbaar is. De officier van justitie heeft gevorderd aan het toe te wijzen bedrag de schadevergoedingsmaatregel te koppelen.

Standpunt verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich namens [verdachte] op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard indien [verdachte] van het eerste feit wordt vrijgesproken.

Subsidiair heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel rechtbank

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Schade en onkosten benadeelde partij

De gevorderde vergoeding ter zake van het bijwonen van de uitvaart en de kosten uitvaart ziet op geleden schade. Hiervoor heeft de rechtbank overwogen dat verdachte zal worden veroordeeld voor het medeplegen van het wegmaken van het lijk, maar zal worden vrijgesproken van betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer. Dat leidt ertoe dat de gevorderde schade ter zake van het bijwonen van de uitvaart en de kosten uitvaart in deze strafzaak niet kunnen worden toegewezen. Die kosten (€ 542,44) staan niet in een rechtstreeks verband tot het bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in dat deel van haar vordering.

Voor toekenning van proceskosten aan de benadeelde partij, waar de kosten voor het bijwonen van de zittingen van deze strafzaak deel van uitmaken, bestaat geen grond, gelet op het voorgaande.

De vordering van de kosten voor het bijwonen van alle zittingen van de strafzaak in hoger beroep (€ 893,20) zal worden afgewezen, omdat die kosten niet gemaakt zijn.

De benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die [verdachte] heeft gemaakt, maar deze zullen worden begroot op nihil.

Onkosten als nabestaande

Een deel van de gevorderde kosten heeft betrekking op de reis- en verblijfkosten voor het bijwonen van de zittingen als nabestaande.

Artikel 1 van Europese richtlijn 2012/29/EU, PbEU L 315/57 d.d. 14-11-2012 luidt, voor zover relevant, als volgt:

For the purposes of this Directive the following definitions shall apply:

a. ‘victim’ means:

  • -

    i) a natural person who has suffered harm, including physical, mental or emotional harm or economic loss which was directly caused by a criminal offence

  • -

    ii) family members of a person whose death was directly caused by a criminal offence and who have suffered harm as a result of that person's death;

Artikel 14 luidt voor zover relevant als volgt:

Right to reimbursement of expenses

Member States shall afford victims who participate in criminal proceedings, the possibility of reimbursement of expenses incurred as a result of their active participation in criminal proceedings, in accordance with their role in the relevant criminal justice system. The conditions or procedural rules under which victims may be reimbursed shall be determined by national law.

Op grond van de richtlijn is de nationale wetgever gehouden een voorziening te treffen waarin is geregeld onder welke voorwaarden en op welke wijze het slachtoffer gemaakte kosten in verband met het strafproces vergoed kan krijgen. Overeenkomstig de rol van het slachtoffer in het Nederlandse strafproces en artikel 1 van de richtlijn geldt dat niet alleen voor het slachtoffer in hoedanigheid van benadeelde partij, maar ook in hoedanigheid als slachtoffer/nabestaande. In de Nederlandse wet is echter (nog) geen voorziening getroffen waarin is geregeld onder welke voorwaarden en op welke wijze een slachtoffer en/of nabestaande die gemaakte kosten vergoed kan krijgen.

In artikel 260 Sv, tweede lid, is bepaald dat indien slachtoffers of nabestaanden schriftelijk verzoeken om oproeping voor de uitoefening van het spreekrecht de officier van justitie daaraan gehoor geeft.

In de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 30143 (wijziging ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces, in werking getreden: 1-1-2011) wordt het volgende vermeld:

“Sinds 1 mei 2004 bestaat de mogelijkheid voor slachtoffers van ernstige misdrijven (dezelfde categorieën die zijn aangewezen voor de uitoefening van het spreekrecht) een schriftelijke slachtofferverklaring af te leggen en in het strafdossier te doen voegen.

Met betrekking tot de mogelijkheid voor het slachtoffer om reiskosten en kosten voor tijdverzuim vergoed te krijgen, wijs ik op artikel 260. Ook de benadeelde partij ontvangt volgens het huidige artikel 51f, eerste lid, een oproeping van de officier van justitie. Volgens de bestaande regeling in de Wet tarieven strafzaken kan het slachtoffer dat, eventueel op eigen verzoek, door de officier van justitie is opgeroepen, aanspraak maken op de desbetreffende vergoedingen.

Door de toevoeging van de categorie getuigen en nabestaanden in artikel 260 bij Wet van 21 juli 2004, Stb. 382 (invoering van het spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden) is verzekerd dat slachtoffers en nabestaanden voor een vergoeding van hun reiskosten en tijdverzuim een beroep kunnen doen op de vergoeding ingevolge de Wet tarieven in strafzaken. Zij worden immers ingevolge een opdracht van de officier van justitie voor de terechtzitting opgeroepen.”
(TK 2004-2005, 30143, nr. 3, blz. 14 en 23).
De Wet Tarieven in strafzaken bepaalt in artikel 1 onder meer dat vergoedingen worden toegekend voor gemaakte reis- en verblijfkosten, voor zover voortvloeiende uit een verzoek of opdracht van de justitie, ten behoeve van strafzaken. Artikel 6 van die wet

bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur tarieven worden vastgesteld voor vergoedingen voor reis- en verblijfkosten, toekomende aan de in artikel 3, lid 1, sub b, genoemde personen. In artikel 3 worden echter wel getuigen, maar niet slachtoffers of nabestaanden genoemd.

Ook in het Besluit Tarieven in strafzaken 2003 worden slachtoffers en nabestaanden niet vermeld.

Voormelde richtlijn had op 16 november 2015 geïmplementeerd moeten zijn. De richtlijn is op dit punt in artikel 14 voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk om rechtstreekse werking te kunnen hebben.

Gelet op de directe werking van artikel 14 van voormelde Europese richtlijn, de bedoeling van de wetgever, zoals blijkt uit de hiervoor geciteerde memorie van toelichting, alsmede gelet op de na de per 1 juli 2016 in werking getreden wetswijziging Versterking Positie Slachtoffers uitgebreide rol van het slachtoffer en/of de nabestaande in het strafproces, zal de rechtbank in deze zaak de reis- en verblijfkosten vaststellen, die door de staat aan het slachtoffer dienen te worden vergoed.

Deze reis- en verblijfkosten van in totaal € 818,97 (in het gevorderde totaalbedrag reiskosten strafzaak van € 1.042,03 zijn abusievelijk ook de reiskosten uitvaart van in totaal € 280,49 opgenomen) zijn goed onderbouwd, door de officier van justitie ter zitting erkend als redelijke kosten – wat door de rechtbank wordt onderschreven – en zullen daarom worden toegewezen.

7.2.

Vordering van de benadeelde partij/nabestaande [T]

Deze nabestaande, broer van het slachtoffer, heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak via zijn gemachtigde advocaat, mr. L. Harteveld, bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van een (civiele) vordering tot vergoeding van € 1.412,93 aan materiële schade die de verdachte voor de benadeelde partij heeft veroorzaakt.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ter zake van de materiële schade geheel toewijsbaar is. De officier van justitie heeft gevorderd aan het toe te wijzen bedrag de schadevergoedingsmaatregel te koppelen.

Standpunt verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard indien verdachte van het eerste feit wordt vrijgesproken.

Subsidiair heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel rechtbank

Voor de beoordeling van deze vordering verwijst de rechtbank naar wat hiervoor in dit vonnis over de vordering en onkosten van nabestaande [C] is overwogen.

De reis- en verblijfkosten van nabestaande [T] van in totaal € 888,49 zijn goed onderbouwd, door de officier van justitie ter zitting erkend als redelijke kosten – wat door de rechtbank wordt onderschreven – en zullen daarom worden toegewezen.

De vordering voor de kosten voor het bijwonen van alle zittingen van de strafzaak in hoger beroep (€ 524,44) zal worden afgewezen, omdat die kosten niet gemaakt zijn.

De benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die [verdachte] heeft gemaakt, maar deze zullen worden begroot op nihil.

7.3.

Vordering van de benadeelde partij/nabestaande [A]

is in deze strafprocedure niet alleen medeverdachte, maar ook weduwe van de om het leven gebrachte [S] . In dat kader heeft haar advocaat mr. Y. Moszkowicz – hoewel in het voegingsformulier niet door haar daartoe gemachtigd – opgave gedaan van de materiële en immateriële schade die [verdachte] voor haar zou hebben veroorzaakt.

Tijdens de zitting van 25 augustus 2016 heeft mr. Moszkowicz aangekondigd dat hij
“op enig moment” namens [A] ook een vordering benadeelde partij zou indienen. Deze opgave is uiteindelijk gedaan aan het slot van het pleidooi op 12 oktober 2016 in de strafzaak tegen [A] . Op dat moment was het pleidooi in de zaak van [verdachte] al gevoerd en had [verdachte] daarin ook het laatste woord gevoerd.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet toewijsbaar is, gezien zijn eis in de zaak [A] om haar als medepleger van moord te veroordelen.

Standpunt verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich niet over de vordering kunnen uitlaten. Verdachte en zijn raadsman waren niet aanwezig op de zitting van 12 oktober 2016 in de strafzaak tegen [A] .

Oordeel rechtbank

Een benadeelde partij kan zich in het strafgeding voegen en opgave doen van de schade die als gevolg van het strafbare feit is geleden. Die voeging kan zelfs nog ter zitting geschieden door opgave van de inhoud en gronden van de vordering, maar dat moet dan, ingevolge artikel 51g, derde lid, Sv, uiterlijk gebeuren vóór het requisitoir van de officier van justitie. In dit geval is de opgave gedaan ná het requisitoir, zelfs na pleidooi en laatste woord van [verdachte] , op een moment dat de strafzaak tegen hem niet meer aan de orde was. [A] kan daarom niet worden ontvangen in haar vordering, nog daargelaten de beslissing van heden in haar eigen zaak.

De benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die [verdachte] heeft gemaakt, maar deze zullen worden begroot op nihil.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 47 en 151 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] onder feit 1 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat [verdachte] het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 3.6 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert en verklaart [verdachte] hiervoor strafbaar.

Veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 [acht] maanden.

Bepaalt dat de tijd die [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering tot vergoeding van de door nabestaande [C] , [BSN] , gevorderde schade van € 893,20 ter zake van de kosten voor het bijwonen van de strafzaak in hoger beroep;

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

Bepaalt de proceskosten van [verdachte] op nihil;

Kent aan nabestaande [C] , [BSN] , ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 818,97 (zegge: achthonderdachttien euro en zevenennegentig cent), wegens reis- en verblijfkosten als nabestaande van slachtoffer [S] , gemaakt in de strafzaken met parketnummers 15/860178-15, 15/86022615 en 15/860240-15;

Beveelt de uitbetaling door de griffier van deze rechtbank van deze vergoeding aan deze nabestaande, met dien verstande dat de vergoeding slechts eenmaal voor de drie zaken gezamenlijk behoeft te geschieden;

Wijst af de vordering tot vergoeding van de door nabestaande [T] , gevorderde schade van € 524,44 ter zake van de kosten voor het bijwonen van de strafzaak in hoger beroep;

Bepaalt de proceskosten van [verdachte] op nihil;

Kent aan nabestaande [T] , [BSN] , ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 888,49 (zegge: achthonderdachtentachtig euro en negenenveertig cent), wegens reis- en verblijfkosten als nabestaande van slachtoffer [S] , gemaakt in de strafzaken met parketnummers 15/860178-15, 15/86022615 en 15/860240-15;

Beveelt de uitbetaling door de griffier van deze rechtbank van deze vergoeding aan deze nabestaande, met dien verstande dat de vergoeding slechts eenmaal voor de drie zaken gezamenlijk behoeft te geschieden;

Verklaart medeverdachte [A] niet-ontvankelijk in haar vordering;

Bepaalt de proceskosten van [verdachte] op nihil.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.J. Saarloos, voorzitter,

mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker en mr. H. Brouwer, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. de Roo,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 november 2016.