Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:9039

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-08-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
4820113 AO VERZ 16-53-1
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Toepassing artikel 3 Besluit overgangsrecht transitievergoeding. Werkneemster kan aanspraak maken op de (mogelijk hogere dan de transitievergoeding) aanvullende uitkering van artikel 10d:10 van het ambtenarenreglement voor zover tevens aan de vereisten van artikel 10d:10 lid 1 onder c en lid 2 is voldaan en op de na-wettelijke uitkering van artikel 10d:15 van het ambtenarenreglement voor zover tevens aan de vereisten van artikel 10d:15 lid 1 onder a en b is voldaan. Geen aanleiding tot matiging op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1251
AR 2016/3181

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 4820113 \ AO VERZ 16-53

Uitspraakdatum: 19 augustus 2016

Beschikking in de zaak van het tegenverzoek van:

[werkneemster] ,

wonende te [woonplaats]

verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek

verder te noemen: [werkneemster]

gemachtigde: mr. C.J.M. Waasdorp

tegen

de stichting

Stichting Frans Hals Museum | De Hallen Haarlem,

gevestigd te Haarlem

verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek

verder te noemen: SFHM

gemachtigde: mr. M.J. Messink

1 Het verdere procesverloop

1.1.

Bij beschikking van 15 april 2016 is de beslissing ten aanzien van de vraag of de aanvullende uitkering en na-wettelijke uitkering op [werkneemster] van toepassing zijn en de beslissing ten aanzien van de gevorderde transitievergoeding aangehouden. Het verzoek tot verstrekking van een bruto/netto specificatie betreffende de betaling van de transitievergoeding op straffe van een dwangsom is eveneens aangehouden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich bij akte nader uit te laten over de na-wettelijke en aanvullende uitkering zoals opgenomen in het ambtenarenreglement 1995 en over de transitievergoeding (zoals bedoeld onder 5.13 van de beschikking van 15 april 2016).

1.2.

[werkneemster] heeft op 12 mei 2016 een akte genomen, waarop SFHM bij akte van 19 juni 2016 heeft gereageerd.

2 Het tegenverzoek

[werkneemster] heeft bij bovengenoemde akte haar tegenverzoek gewijzigd als volgt:

Bij toepassing van artikel 2 van het Besluit overgangsrecht transitievergoeding:

Primair:

Voor recht te verklaren dat [werkneemster] aanspraak kan maken op de aanvullende uitkering van artikel 10d:10 e.v. van het ambtenarenreglement en op de na-wettelijke uitkering van artikel 10d:15 e.v. van het ambtenarenreglement, waarbij zij tevens verzoekt voor recht te verklaren dat het ontslag is gelegen in omstandigheden binnen de werksfeer, zoals bedoeld in artikel 10d:15 lid 2 van het ambtenarenreglement en het museum te veroordelen deze uitkeringen ook toe te kennen, alsmede om te bepalen dat aan [werkneemster] de transitievergoeding van € 51.023,00 wordt toegekend, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW indien betaling niet binnen een maand na einde arbeidsovereenkomst heeft plaatsgevonden.

Subsidiair:

Voor recht te verklaren dat [werkneemster] aanspraak kan maken op de aanvullende uitkering van artikel 10d:10 e.v. van het ambtenarenreglement en op de na-wettelijke uitkering van artikel 10d:15 e.v. van het ambtenarenreglement, waarbij zij tevens verzoekt voor recht te verklaren dat het ontslag is gelegen in omstandigheden binnen de werksfeer, zoals bedoeld in artikel 10d:15 lid 2 van het ambtenarenreglement, alsmede het museum te veroordelen deze uitkeringen ook toe te kennen.

Bij toepassing van artikel 3 van het Besluit overgangsrecht transitievergoeding:

Meer subsidiair:

Voor recht te verklaren dat [werkneemster] aanspraak kan maken op de aanvullende uitkering van artikel 10d:10 e.v. van het ambtenarenreglement en op de na-wettelijke uitkering van artikel 10d:15 e.v. van het ambtenarenreglement, waarbij zij tevens verzoekt voor recht te verklaren dat het ontslag is gelegen in omstandigheden binnen de werksfeer, zoals bedoeld in artikel 10d:15 lid 2 van het ambtenarenreglement, alsmede het museum te veroordelen deze uitkeringen ook toe te kennen.

Uiterst subsidiair:

SFHM te veroordelen tot betaling aan [werkneemster] van de verschuldigde transitievergoeding ad € 51.023,00 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW indien betaling niet binnen een maand na einde arbeidsovereenkomst heeft plaatsgevonden.

3 De verdere beoordeling

3.1.

De kantonrechter stelt voorop dat een verzoeker, zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, op grond van artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), bevoegd is zijn verzoek schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. De kantonrechter zal dan ook op het gewijzigde verzoek van [werkneemster] een beslissing nemen.

3.2.

[werkneemster] heeft bij akte aangevoerd dat niet artikel 3 maar artikel 2 van het Besluit overgangsrecht transitievergoeding (hierna: het Besluit) van toepassing is. [werkneemster] heeft daartoe aangevoerd dat zij op grond van afspraken tussen werkgever en de AbvaKabo FNV en de CNV Publieke Zaak recht heeft op de voorzieningen bij werkloosheid uit het ambtenarenreglement van de gemeente Haarlem. In het sociaal plan dat tussen werkgever en de genoemde verenigingen van werknemers bij de verzelfstandiging van het museum is overeengekomen, is het ambtenarenreglement onverkort van toepassing verklaard op de nieuwe arbeidsovereenkomsten, aldus [werkneemster] . SFHM betwist dat artikel 2 van het Besluit van toepassing is.

3.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter is in het onderhavige geval niet artikel 2 maar artikel 3 van het besluit van toepassing. Artikel 2 van het besluit is van toepassing op lopende collectieve afspraken met verenigingen van werknemers. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. In het sociaal plan is weliswaar in de preambule opgenomen dat de rechtspositie van de betrokkenen alsook de arbeidsvoorwaarden gelijk zullen blijven, maar de arbeidsvoorwaarden van de gemeente Haarlem zijn bij de arbeidsovereenkomst die SFHM en [werkneemster] op 1 januari 2009 hebben gesloten hierop van toepassing verklaard. De grondslag voor de vordering van [werkneemster] is daarmee niet gelegen in een collectieve afspraak met verenigingen van werknemers maar op de arbeidsovereenkomst. Artikel 3 van het besluit is van toepassing indien de werknemer, anders dan op grond van tussen de werkgever of verenigingen van werkgevers en verenigingen van werknemers gemaakte afspraken, recht heeft op vergoedingen of voorzieningen als bedoeld in artikel XXII, zevende lid WWZ.

3.4.

Artikel 3 lid van het besluit bepaalt dat, indien een werknemer, anders dan op grond van tussen de werkgever of verenigingen van werkgevers en verenigingen van werknemers gemaakte afspraken, recht heeft op vergoedingen of voorzieningen als bedoeld in artikel XXII, zevende lid WWZ, de transitievergoeding uitsluitend verschuldigd is, indien de werknemer schriftelijk afstand heeft gedaan van zijn recht op die vergoedingen en voorzieningen. Hieruit volgt dat in het onderhavige geval [werkneemster] een aanspraak heeft op de vergoedingen zoals bepaald in het ambtenarenreglement of de transitievergoeding. [werkneemster] heeft (nog) geen afstand gedaan van haar recht op de vergoedingen en voorzieningen op basis van het ambtenarenreglement. Partijen zijn het niet eens over het beloop van de vergoedingen en voorzieningen van [werkneemster] op basis van het ambtenarenreglement.

3.5.

In de eerste plaats verschillen partijen van mening over de vraag of [werkneemster] aanspraak kan maken op de aanvullende uitkering zoals bepaald in artikel 10d10 van het ambtenarenreglement. SFHM heeft aangevoerd dat hiervan geen sprake is omdat [werkneemster] niet is ontslagen op grond van artikel 8:3 of 8:6 van het ambtenarenreglement maar op grond van artikel 7:691b juncto 7:669 lid 3 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voorts heeft [werkneemster] , anders dan hetgeen is bepaald in artikel 10d:10 de re-integratiefase niet doorlopen. Voor zover SFHM betoogt dat artikel 10d:10 van het ambtenarenreglement niet van toepassing is omdat [werkneemster] is ontslagen op grond van het BW gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Een dergelijke stringente uitleg van de bepalingen van het ambtenarenreglement zou de door partijen overeengekomen van toepassing verklaring van dit reglement op de arbeidspositie van [werkneemster] illusoir maken, hetgeen in strijd is met de bedoeling van partijen zoals deze (ook) blijkt uit de het sociaal plan. Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag van [werkneemster] verleend op grond van het equivalent van het bepaalde in artikel 8:6 van het ambtenarenreglement. Ook het tweede argument faalt. Zoals onder 5.7 in de tussenbeschikking is overwogen, is SFHM degene die heeft afgezien van re-integratie omdat zij daartoe geen mogelijkheden had. [werkneemster] heeft wel om re-integratie verzocht. Onder deze omstandigheden kan het niet doorlopen hebben van de re-integratie fase [werkneemster] niet worden tegengeworpen.

3.6.

Voorts twisten partijen over de vraag of [werkneemster] aanspraak kan maken op de na-wettelijke uitkering zoals bepaald in artikel 10d:15 van het ambtenarenreglement. SFHM stelt zich op het standpunt dat dat niet het geval is en heeft daartoe aangevoerd dat het ontslag van [werkneemster] niet, zoals vereist voor toekenning van de na-wettelijke vergoeding bij een ontslag op grond van artikel 8:6 van het ambtenarenreglement, is gelegen in omstandigheden binnen de werksfeer. SFHM stelt daartoe dat [werkneemster] schuld heeft aan de onbekwaamheid danwel ongeschiktheid de functie te vervullen. De kantonrechter volgt SFHM hierin niet. Zoals in de tussenbeschikking opgenomen ziet de ongeschiktheid van [werkneemster] met name op haar functioneren als MT-lid. Blijkens de ter zitting afgelegde verklaring van de nieuwe directeur, [directeur] , heeft het museum haar visie gewijzigd waarbij onder andere sprake is van professionalisering van het museum en voorbereiding op de toekomst. In de nieuwe organisatie, die daartoe is opgezet, is het vergrootglas gelegd op het functioneren van het management. [werkneemster] was te licht hiervoor. De inzet en loyaliteit van [werkneemster] wordt door SFHM niet in twijfel getrokken. Ook staat vast dat [werkneemster] zich heeft ingezet om verbetering te bewerkstelligen en dat zij op onderdelen vooruitgang heeft geboekt. Naar het oordeel van de kantonrechter is de ongeschiktheid van [werkneemster] in overwegende mate gelegen in het feit dat zij in de nieuwe organisatie niet mee kon komen. Het ontslag ligt daarmee in de werksfeer en is niet grotendeels aan de werknemer te wijten.

3.7.

SFHM heeft een beroep gedaan op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. De toekenning van een (ontslag)vergoeding die (substantieel) hoger is dan de transitievergoeding is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, aldus SFHM. Zij voert hiertoe aan dat SFHM een kleine private onderneming is en dat de vergoedingen zoals bepaald in het ambtenarenreglement hiermee niet in verhouding staan. SFHM heeft dit niet voorzien en hierop niet geanticipeerd. De financiële gevolgen zijn voor haar te groot. Naar het oordeel van de kantonrechter kan hetgeen SFHM heeft aangevoerd niet tot matiging op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid leiden. SFHM heeft bij haar verzelfstandiging er voor gekozen de gemeentelijke arbeidsvoorwaarden van toepassing te verklaren op de civiele arbeidsovereenkomsten die zij dien ten gevolge met haar medewerkers sloot. Zoals uit de aanbiedingsbrief bij de arbeidsovereenkomst en de preambule van het Social Plan verzelfstandiging Frans Hals Museum│De Hallen Haarlem blijkt, was de bedoeling van SFHM ook om gelijke arbeidsvoorwaarden te garanderen voor haar medewerkers. Hierbij had SFHM kunnen en moeten voorzien wat de gevolgen daarvan konden zijn. Ook had zij daar toen op kunnen anticiperen. Dat zij dat niet of onvoldoende heeft gedaan komt voor haar risico. Overigens staat op dit moment de hoogte van de in totaal uit te keren bedragen ook nog niet vast nu dat onder andere afhankelijk is van de duur van de eventuele werkloosheid van [werkneemster] .

3.8.

Voor zover SFHM zich beroept op afkoop op grond van het bepaalde in artikel 10d:20 van het ambtenarenreglement, is van belang dat ingevolge deze bepaling van afkoop eerst sprake kan zijn op verzoek van de werknemer aan het begin van de uitkeringsperiode. Dit is (nog) niet aan de orde.

3.9.

[werkneemster] heeft bij akte aangegeven de aanvullende en na-wettelijke uitkering op grond van het ambtenarenreglement te verkiezen boven toekenning van de transitievergoeding.

3.10.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal de kantonrechter de meer subsidiaire vordering van [werkneemster] toewijzen, met dien verstande dat aan de veroordeling tot het toekennen van de uitkeringen door SFHM zal worden bepaald dat dat alleen geldt in het geval aan de overige vereisten van artikel 10d:10 en 10d:15 van het ambtenarenreglement is voldaan.

3.11.

De proceskosten in de zaak van het tegenverzoek zullen worden gecompenseerd.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

verklaart voor recht dat [werkneemster] aanspraak kan maken op de aanvullende uitkering van artikel 10d:10 van het ambtenarenreglement voor zover tevens aan de vereisten van artikel 10d:10 lid 1 onder c en lid 2 van het ambtenarenreglement is voldaan en op de na-wettelijke uitkering van artikel 10d:15 van het ambtenarenreglement voor zover tevens aan de vereisten van artikel 10d:15 lid 1 onder a en b van het ambtenarenreglement is voldaan;

4.2.

verklaart voor recht dat het ontslag van [werkneemster] is gelegen in omstandigheden binnen de werksfeer, zoals bedoeld in artikel 10d:15 lid 2 van het ambtenarenreglement;

4.3.

veroordeelt SFHM tot betaling van de onder 4.1. genoemde uitkeringen, voor zover aan de onder 4.1. genoemde vereisten is voldaan;

4.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beschikking is gewezen door mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg, kantonrechter en op 19 augustus 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter