Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:8960

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-11-2016
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
C/15/234685 / HA ZA 15-749
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres procedeert tegen haar broer en heeft de verdeling gevorderd van de nalatenschap van haar moeder.

Gebleken is dat de nalatenschap vereffend moet worden, zodat aan verdeling nog niet toegekomen kan worden.

Eiseres is na de comparitie van partijen in de gelegenheid gesteld haar betoog dat er sprake is geweest van verzwijging zodat de nalatenschap geheel aan haar toe zou komen (3:194 lid 2 BW) alsnog in een vordering te verwerken en haar eis daartoe te beperken.

Zij heeft haar eis niet daartoe beperkt, maar vermeerderd met meer vorderingen dan alleen een vordering gebaseerd op 3:194 lid 2 BW.

Dit is strijd geoordeeld met de goede procesorde. De vorderingen van eiseres zijn integraal afgewezen, met een proceskostenveroordeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0030
JERF 2017/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/234685 / HA ZA 15-749

Vonnis van 2 november 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat aanvankelijk mr. M. Snoek te 's-Gravenhage,

thans mr. G.M.P. Roos te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.J.P. Schipper te Heerhugowaard.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 januari 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 juni 2016

  • -

    de akte na comparitie houdende wijziging van eis van [eiseres]

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn broer en zus. Zij zijn de kinderen van de heer [vader] (hierna: de vader) en mevrouw [moeder] (hierna: de moeder).

2.2.

De vader is op 26 januari 1996 overleden. Laatstelijk op 4 februari 1993 had hij een testament laten opstellen. Dit testament bevatte, naast enige legaten, een ouderlijke boedelverdeling. De moeder was op basis van de ouderlijke boedelverdeling als enige gerechtigd tot de goederen die behoorden tot de gemeenschap van goederen waarin zij met de vader van partijen was gehuwd. Zij was tevens executeur-testamentair van de nalatenschap van de vader.

2.3.

Uit hoofde van de nalatenschap van de vader kregen partijen ieder een vordering in contanten op hun moeder in verband met de overbedeling van moeder die hierdoor was ontstaan. Deze vordering in contanten is gelijk aan hun zuiver erfdeel in de nalatenschap van hun vader. In het testament is verder opgenomen dat over deze schuld een enkelvoudige wettelijke rente verschuldigd is en dat zowel de hoofdsom als de rente daarover pas opeisbaar werden na het overlijden van de moeder.

2.4.

De moeder is overleden op 14 maart 2012. Zij had bij testament van 22 december 2005 voorzien in haar nalatenschap. In dit testament had zij haar zoon en dochter (partijen) benoemd tot executeurs.

Op 15 december 2006 heeft zij op haar testament een aanvulling laten maken en daarin de eerder genoemde benoeming van partijen tot executeur van haar nalatenschap herroepen en de heer [A.] (hierna: [A.]) tot executeur benoemd.

2.5.

[A.] is verbonden aan kantoor RSM Tempelman Registeraccountants te Rotterdam. In die hoedanigheid behartigde hij de financiële belangen van de moeder toen zij nog leefde.

2.6.

Op 6 december 2006 heeft de moeder, daarin bijgestaan door haar adviseur [A.], een vaststellingsovereenkomst gesloten met de inspecteur van de Belastingdienst/Holland Midden/Haarlem met betrekking tot een tegoed bij een kantoor van de ABN/AMRO in Zwitserland. Dit tegoed was niet opgegeven aan de Belastingdienst. Bij de afspraken die gemaakt zijn is uitgegaan van een buitenlands vermogen per 1 januari 2001 van € 400.000,--.

3 De bevoegdheid van de rechtbank en het toepasselijke recht

3.1.

[eiseres] woont in Nederland, [gedaagde] in de Verenigde Staten van Amerika. Dit betekent dat de procedure een internationaal karakter heeft en allereerst de vragen betreffende de bevoegdheid van de rechtbank en het toepasselijke recht beantwoord dienen te worden. De onderhavige zaak heeft betrekking op de afwikkeling van (een) nalatenschap(pen). Zowel de vader als de moeder hadden hun laatste woonplaats in Nederland. Om die reden komt op grond van het bepaalde in artikel 6 aanhef en sub g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.

3.2.

Ten aanzien van het toepasselijke recht wordt overwogen dat op grond van het bepaalde in artikel 10:149 eerste lid BW het Nederlandse recht van toepassing is, eveneens omdat beide erflaters (de vader en de moeder) hun laatste gewone verblijfplaats in Nederland hadden.

4 Het geschil

4.1.

[eiseres] vordert de bij inleidende dagvaarding samengevat – primair verdeling van de nalatenschap van de moeder, inhoudende dat het volledige voor uitkering vatbare vermogen in de nalatenschap van de moeder aan haar wordt toegedeeld. Subsidiair heeft zij gevorderd de verdeling van de nalatenschap van de moeder in die zin dat het voor uitkering vatbare vermogen in de nalatenschap van de moeder tot een beloop van 780.346,-- wordt toegedeeld aan [eiseres] en tot een beloop van € 148.922,49 aan [gedaagde].

Meer subsidiair heeft zij gevorderd dat de rechtbank zelf de verdeling van de nalatenschap van de moeder zal vaststellen en meest subsidiair vordert zij dat de rechtbank de wijze van verdeling van de nalatenschap van de moeder zal gelasten.

Daarnaast heeft [eiseres] voorwaardelijk, voor het geval de nalatenschap van de moeder negatief zal blijken te zijn, gevorderd dat zijzelf zal worden benoemd tot vereffenaar dan wel dat de rechtbank een andere persoon zal benoemen tot vereffenaar van de nalatenschap van de moeder, onder toepassing van de wisselbepaling. Een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

4.2.

Bij akte na comparitie houdende vermeerdering van eis heeft [eiseres] haar eis als volgt vermeerderd:

5. nog meer subsidiair voor het geval de vorderingen onder 1., 2., 3. en 4. niet toewijsbaar mochten worden geoordeeld, te verklaren voor recht:

a. dat het beroep van [eiseres] op artikel 3:194 lid 2 BW slaagt;

b. dat als gevolg van het geslaagde beroep van [eiseres] op artikel 3:194 lid 2 BW [gedaagde] zijn aandeel in het heimelijk in Zwitserland aangehouden vermogen ten bedrage van

€ 400.000,- heeft verbeurd aan [eiseres];

c. dat aldus het gehele heimelijk in Zwitserland aangehouden vermogen ten bedrage van

€ 400.000, toekomt aan [eiseres];

d. dat [eiseres] ten belope van het hierboven onder c. bedoelde bedrag, te vermeerderen met rente, een vordering heeft op de nalatenschap van de moeder;

e. dat de hierboven onder d. bedoelde vordering moet worden vermeerderd met een rente van zes procent (6%) samengesteld over de periode van 26 januari 1996 tot 14 maart 2012;

f. dat de (onderbedelings)vorderingen welke voor [eiseres] en [gedaagde] voort zijn gevloeid uit de nalatenschap van de vader, voor zover op die vorderingen niet tussentijds is afgelost, moeten worden vermeerderd met een rente van zes procent (6%) samengesteld over de periode van 26 januari 1996 tot 14 maart 2012;

g. dat de betalingen die de moeder in 2001 en in 2005 heeft gedaan aan [gedaagde], in totaal belopend € 351.758, te kwalificeren zijn als aflossingen op de (onderbedelings)vordering die voor [gedaagde] voort is gevloeid uit de nalatenschap van de vader.

Haar oorspronkelijke vorderingen 5 en 6 heeft zij hernummerd naar 6 en 7.

4.3.

[gedaagde] voert verweer tegen de vordering zoals vermeerderd.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

Vermeerdering van eis

5.1.

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen op 23 juni 2016 is onder meer besproken dat bij de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder (onder meer) van belang is de vraag of het beroep van [eiseres] op artikel 3:194 lid 2 BW opgaat of niet. Om die reden is ter zitting door [eiseres] aan de rechtbank verzocht over die vraag een oordeel te geven.

Waar door [eiseres] bij dagvaarding geen daartoe strekkende vordering was ingesteld, is haar door de rechtbank in overweging gegeven haar eis te wijzigen in die zin dat het geschil wordt afgebakend tot een vordering ter verkrijging van een verklaring voor recht naar aanleiding van het beroep dat zij heeft gedaan op artikel 3:194 lid 2 BW.

[eiseres] heeft verklaard van die gelegenheid gebruik te willen maken. [gedaagde] heeft daarop verklaard dat hij zich het recht wilde voorbehouden om bezwaar te maken tegen die eiswijziging.

5.2.

In een omvangrijke akte na comparitie houdende wijziging van eis heeft [eiseres] haar eis niet beperkt overeenkomstig hetgeen ter zitting is besproken. Zij heeft haar eerder ingestelde eis gehandhaafd en haar petitum aangevuld met een punt 5 dat bestaat uit acht verschillende onderdelen.

5.3.

[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen de omvang van de akte. Hij heeft betoogd dat de akte moet worden aangemerkt als een verkapte conclusie van repliek en dat de onderdelen 1 t/m 50 van deze akte buiten beschouwing gelaten dienen te worden omdat [eiseres] niet was toegelaten tot het nemen van een conclusie van repliek.

5.4.

Ook heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de omstandigheid dat [eiseres] haar eis niet heeft beperkt en toegespitst op artikel 3:194 lid 2 BW zoals ter zitting besproken maar dat zij daarentegen een extra, meer omvattende vordering aan haar bestaande vorderingen heeft toegevoegd.

5.5.

De rechtbank overweegt als volgt. De bezwaren van [gedaagde] zijn terecht voorgedragen. Gelet op de inhoud en de omvang van de akte van [eiseres] moet deze grotendeels worden aangemerkt als een verkapte conclusie van repliek. Daartoe is zij, gelet op de inhoud van het proces-verbaal, niet in de gelegenheid gesteld. Om die reden zullen de punten 1 t/m 50 van deze akte als strijdig met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten worden.

5.6.

De rechtbank heeft [eiseres] na de gehouden comparitie van partijen uit proceseconomische overwegingen een extra mogelijkheid willen bieden haar eis aan te passen, om zo het geschil tussen partijen vlot te trekken. Nadat zij had aangegeven van dat aanbod gebruik te willen maken, is haar toegestaan haar eis toe te spitsen op het vragen van een oordeel over het door haar gedane beroep op artikel 3:194 lid 2 BW. [eiseres] heeft haar eis echter niet hiertoe beperkt, maar met handhaving van haar oorspronkelijke eis daaraan nog extra onderdelen toegevoegd. De rechtbank acht dit eveneens in strijd met de goede procesorde en zal om die reden de vermeerderde eis, voor zover deze ziet op meer of andere onderdelen dan het vragen van een oordeel over het beroep op artikel 3:194 lid 2 BW, buiten beschouwing laten.

Beroep op 3:194 lid 2 BW

5.7.

Artikel 3:194 lid 2 BW luidt: Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt (…) verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.

5.8.

Het beroep van [eiseres] op genoemd artikellid heeft betrekking op het Zwitsers vermogen dat volgens partijen onderdeel uitmaakte van de nalatenschap van de vader. Zij heeft gesteld dat zij, in tegenstelling tot haar moeder en [gedaagde] niet op de hoogte was van het bestaan van dit vermogen. Nu noch de moeder, noch [gedaagde] melding heeft gemaakt van dit vermogen bij de afwikkeling van de nalatenschap van de vader hebben zij hun aandeel in dat vermogen verbeurd aan haar, aldus [eiseres].

5.9.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Hij heeft onder meer betoogd dat zijn vader belang hechtte aan een geheime bankrekening in Zwitserland, maar dat hij beide kinderen, dus zowel [gedaagde] als [eiseres], tegelijkertijd van het bestaan van die rekening in kennis had gesteld voor het geval er iets met de vader en de moeder zou gebeuren. [gedaagde] heeft erop gewezen dat de moeder executeur-testamentair is geweest van de nalatenschap van de vader en dat hij bij die afwikkeling niet betrokken is geweest. [gedaagde] heeft verder verklaard dat hij zich ook overigens niet genoodzaakt voelde om melding te maken van dit Zwitsers vermogen omdat [eiseres] eveneens van het bestaan van die rekening op de hoogte was.

5.10.

De rechtbank overweegt als volgt. De vader had bij testament bepaald dat sprake zou zijn van een ouderlijke boedelverdeling. In het kader van die ouderlijke boedelverdeling heeft van rechtswege een verdeling van de nalatenschap plaatsgevonden en zijn alle vermogensbestanddelen van de vader onder algemene titel toegedeeld aan de moeder onder haar gehoudenheid om de schulden voor eigen rekening te nemen. De kinderen (partijen) kregen ieder uitsluitend een vordering in contanten op de moeder ter grootte van het erfdeel in de nalatenschap van de vader, welke vordering opeisbaar zou worden bij het overlijden van de moeder. Nu zij uitsluitend een niet opeisbare vordering in contanten kregen op de moeder, waren partijen geen deelgenoot in de nalatenschap van de vader. Om die reden faalt het beroep van [eiseres] op toepassing van artikel 3:194 lid 2 BW waar het de nalatenschap van de vader betreft. Wellicht dat [eiseres] indertijd jegens de moeder zich er op had kunnen beroepen dat deze bepaling bij de wettelijke verdeling naar analogie had moet worden toegepast, in die zin dat de moeder als langstlevende echtgenote de waarde van het verzwegen vermogen direct aan de kinderen had moeten uitkeren (en zich er aldus niet op kon beroepen dat de vordering pas na haar overlijden opeisbaar was), maar niet is gesteld of gebleken dat zij dit heeft gedaan. Aangezien de moeder inmiddels eveneens is overleden bestaat die mogelijkheid ook niet meer.

5.11.

Partijen zijn wel beiden deelgenoot in de nalatenschap van de moeder. Dit deelgenootschap ontstond op het moment van het overlijden van de moeder op 14 maart 2012. Uit de stukken blijkt dat [eiseres] naar eigen zeggen vanaf oktober 2002 wetenschap heeft gehad van het bestaan van het Zwitsers vermogen. Dat zij, zoals zij stelt, niet bekend was met alle details daaromtrent maakt dat niet anders. . Omdat [eiseres] in ieder geval vanaf oktober 2002 bekend was met het bestaan van het Zwitsers vermogen, komt haar ten aanzien van de nalatenschap van moeder jegens [gedaagde] evenmin een beroep op artikel 3:194 lid 2 BW toe.

5.12.

Op grond van het vorenstaande worden de gewijzigde vorderingen van [eiseres] onder 5 a t/m 5 c die betrekking hebben op het door haar gedane beroep op artikel 3:194 lid 2 BW afgewezen. De overige vorderingen sub 5 in de akte houdende wijziging eis worden, zoals hiervoor onder 5.6. is overwogen en beslist, buiten beschouwing gelaten.

De overige bij dagvaarding ingestelde vorderingen

5.13.

De overige bij dagvaarding ingestelde vorderingen van [eiseres] strekken tot (vaststelling van de) verdeling van de nalatenschap van de moeder. Deze vorderingen heeft [eiseres] gehandhaafd.

5.14.

Door [gedaagde] is betoogd dat deze vorderingen prematuur zijn ingesteld nu de nalatenschap zich nog in de fase van de executele bevindt, zodat er van verdeling nog geen sprake kan zijn.

5.15.

In reactie op dit betoog heeft [eiseres] een beroep gedaan op de uitzondering als bedoeld in artikel 4:202 BW. Zij heeft verklaard dat de beheersexecuteur [A.] een ruimschootsverklaring heeft afgegeven met betrekking tot de nalatenschap van de moeder, zodat thans tot verdeling overgegaan kan worden. Het gaat hier weliswaar om een mondelinge mededeling van [A.], maar een ruimschootsverklaring is vormvrij. Het Zwitsers vermogen is meegenomen in de voetnoten onder de boedelbeschrijving , zodat hierop acht geslagen is. Een en ander aldus [eiseres].

5.16.

[eiseres] wordt niet in haar betoog gevolgd. Artikel 4:202 lid 1 BW luidt voor zover van belang:

1 Een nalatenschap wordt (…), overeenkomstig de in deze afdeling gegeven voorschriften vereffend:

a. wanneer zij door een of meer erfgenamen onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, tenzij er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen der nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden der nalatenschap te voldoen; geschillen dienaangaande worden door de kantonrechter beslist;

(…)”

[eiseres] heeft de nalatenschap van de moeder beneficiair aanvaard, zodat in beginsel een situatie is ontstaan waarin vereffend moet worden. Daar kan een uitzondering op bestaan, indien er een ruimschootsverklaring is afgegeven. Hoewel een ruimschootsverklaring inderdaad vormvrij is, is in het onderhavige geval niet voldoende vast komen te staan dat [A.] in zijn mededeling aan [eiseres] dat hij verwachtte dat de schulden die moesten worden voldaan uit de nalatenschap van de moeder niet zodanig hoog zouden zijn dat er een negatieve boedel over zou blijven, daarbij ook (in voldoende mate) rekening heeft gehouden of kunnen houden met het vermogen uit Zwitserland. Uit de door de notaris bij de boedelbeschrijving opgenomen voetnoten valt immers af te leiden dat er nog veel onzekerheid bestaat omtrent het Zwitsers vermogen, dat in aanzienlijke mate bepalend kan zijn voor de schulden van de moeder vanwege de inmiddels daarop gevallen rente sedert 1996. Bij die stand van zaken is onvoldoende komen vast te staan dat de uitzondering als bedoeld in artikel 4:202 lid 1 BW zich in dit geval voordoet. Het gevolg hiervan is dat er nog niet kan worden overgegaan tot enige vaststelling van de verdeling, maar dat eerst de vereffening zal moeten plaatsvinden. De vorderingen die strekken tot (vaststelling van) de verdeling van de nalatenschap van de moeder worden op die grond afgewezen.

5.17.

De door [eiseres] voorwaardelijk ingestelde vordering wordt eveneens afgewezen, nu niet valt vast te stellen of de gestelde voorwaarde (dat sprake is van een negatieve nalatenschap) zich hier voordoet. In deze procedure valt, mede op grond van hetgeen hiervoor in 5.16 is overwogen, niet vast te stellen of er sprake is van een negatief vermogen in de nalatenschap van de moeder.

Proceskosten

5.18.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Gelet op de omvang van de akte na comparitie houdende wijziging van eis van [eiseres], tegen welke akte [gedaagde] op goede gronden bezwaar heeft gemaakt en verweer heeft gevoerd, ziet de rechtbank aanleiding de antwoordakte te waarderen op een vol punt gelijk aan een conclusie.

6 beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af;

6.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 285,-- aan vastrecht en op € 1.356,-- (3 punten à € 452,--) aan salaris advocaat;

6.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede, mr. D.P. Ruitinga en mr. K. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2016.1

1 type: 1155 coll: