Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:8888

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-05-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
4907262 AO VERZ 16-99
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

WWZ. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst met een brief opgezegd en heeft de werknemer deze brief ook als een opzegging kunnen en mogen opvatten. Billijke vergoeding van € 250,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3333
Prg. 2017/8
AR-Updates.nl 2016-1315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 4907262 AO VERZ 16-99

Uitspraakdatum: 13 mei 2016

Beschikking in de zaak van:

[werkneemster] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: de werkneemster

gemachtigde: mr. D.H.J. Roeters van Lennep (FNV)

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid P + S Plantlab BV,

gevestigd te Assendelft, gemeente Zaanstad

verwerende partij

verder te noemen: de werkgever

gemachtigde: mr. S.G.E. van Ruitenbeek

1 Het procesverloop

1.1.

De werkneemster heeft een verzoek gedaan om ten laste van de werkgever een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe te kennen. De werkgever heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 26 april 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Beide gemachtigden hebben gebruik gemaakt van pleitnotities.

2 De feiten

2.1.

De werkneemster, geboren [geboortedatum] 1964, is op 6 juni 2006 in dienst getreden bij de werkgever. De laatste functie die de werkneemster vervulde, is die van lab medewerkster voor 24 uur per week, met een salaris van € 842,50 per maand exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

2.2.

De werkneemster is op 7 januari 2014 arbeidsongeschikt geraakt. Per 5 januari 2016 is aan haar een WIA-uitkering toegekend.

2.3.

Op 12 januari 2016 is een bijeenkomst met collega’s voor de werkneemster georganiseerd door de werkgever om “gedag te kunnen zeggen”, bij welke bijeenkomst haar leidinggevende en [PZ-medewerkster] , PZ-medewerkster (hierna: [PZ-medewerkster] ) tevens aanwezig waren.

2.4.

Op voornoemde bijeenkomst heeft de werkneemster van [PZ-medewerkster] een brief gedateerd 12 januari 2016 ontvangen. In deze brief staat het volgende:
“Betreft: einde dienstverband


Beste [werkneemster] ,

Dit jaar zou je 10 jaar in dienst geweest zijn, helaas is dat niet gelukt. Helaas, ja, want als het aan ons had gelegen hadden we nog jaren samengewerkt. Jij had het hier ook altijd prima naar je zin en het is jammer dat de omstandigheden ons dwingen om vandaag elkaar gedag te moeten zeggen.

We willen jou bedanken voor je jarenlange inzet voor ons bedrijf, met name je positiviteit wil ik benadrukken. Gedurende je verzuimperiode bleef je positief, hoe moeilijk dit soms ook was. Ook over ons had je niets dan lovende woorden.

Sterkte met de situatie en hopelijk zal je herstel vanaf nu voorspoedig zijn.

De afhandeling van je salaris zal deze maand plaatsvinden. Eventuele nog openstaande vakantiedagen zullen samen met je restant vakantiegeld naar je worden overgemaakt.

Mocht je nog vragen hebben, dan hoor ik het graag van je.

Met vriendelijke groet,

[PZ-medewerkster]

PZ-functionaris P&S Plantlab BV “

2.5.

Kort daarna heeft de werkneemster een salarisspecificatie ontvangen van de werkgever, houdende onder meer de afrekening van 108,29 vakantie uren en vakantietoeslag, op welke specificatie ook is vermeld:
“Datum uit dienst: 04-01-2016”

2.6.

Bij brief van 25 januari 2016 heeft de gemachtigde van de werkneemster aan de werkgever (samengevat) bericht dat de opzegging per brief van 12 januari 2016 onregelmatig is en dat de werkgever schadeplichtig is. Tevens wordt aanspraak gemaakt op de transitievergoeding.

2.7.

Bij brief van 8 maart 2016 bericht [PZ-medewerkster] namens de werkgever aan de gemachtigde van de werkneemster (samengevat) dat er geen ontslag heeft plaatsgevonden, omdat een dienstverband slechts kan worden beëindigd na een vaststellingsovereenkomst of na toestemming van het UWV op een ontslagverzoek. Daarvan is geen sprake geweest.

3 Het verzoek

3.1.

De werkneemster heeft op 10 maart 2016 een verzoek ex artikel 7:681 BW gedaan om ten laste van de werkgever een billijke vergoeding, in goede justitie te bepalen, toe te kennen, en voorts, een transitievergoeding ad € 2.881,42 bruto en een vergoeding wegens onregelmatig ontslag ad € 2.383,13 bruto toe te kennen, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.

3.2.

De werkneemster stelt dat haar arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd bij brief van 12 januari 2016. Volgens de werkneemster moet een billijke vergoeding worden toegekend, omdat de opzegging in strijd met artikel 7:671 BW heeft plaatsgevonden. Het enkele opzeggen van een arbeidsovereenkomst in strijd met de daarvoor geldende regels is volgens de regering de werkgever ernstig aan te rekenen. Verder is de werkgever bij een opzegging na twee jaar arbeidsongeschiktheid de transitievergoeding verschuldigd. Ook heeft de werkgever bij de opzegging geen rekening gehouden met de van toepassing zijnde opzegtermijn, zodat zij conform het bepaalde in artikel 7:672 lid 9 BW schadeplichtig is. De werkneemster maakt aanspraak op de schadevergoeding, in het onderhavige geval het in geld vastgestelde loon voor de tijd dat de arbeidsovereenkomst bij een regelmatige opzegging had behoren voort te duren. De opzegtermijn bedraagt twee maanden.

4 Het verweer

4.1.

De werkgever verweert zich en stelt dat het verzoek om haar te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging dient te worden afgewezen, althans de billijke vergoeding dient te worden gematigd tot nihil.

4.2.

Het is gebruikelijk om voor werkneemsters die langdurig ziek zijn na afloop van de wachttijd een bijeenkomst te organiseren, waarin zij een moment kunnen hebben met hun collega’s. De werkgever voert daartoe aan dat van een opzegging bij brief van 12 januari 2016 geen sprake is geweest. Deze brief was slechts bedoeld om de werkneemster te bedanken. Dat tevens melding is gemaakt van de eindafrekening die plaats zou vinden vanwege het einde van de wachttijd/loonbetalingsperiode en de vakantiedagen en het vakantiegeld zijn uitbetaald is gebeurd, omdat de werkgever haar zieke werkneemsters deze betalingen niet langer wil onthouden totdat formeel een einde aan het dienstverband is gekomen. Dit is gebruikelijk. De einddatum op de salarisspecificatie is enkel vanwege administratieve redenen vermeld.
De bewoordingen van de brief zijn wellicht ongelukkig gekozen, maar het is niet de bedoeling geweest om de arbeidsovereenkomst op deze wijze te beëindigen. De wil om per 12 januari 2016 op te zeggen ontbreekt bij de werkgever. In de brief wordt ook niet gesproken over ‘opzeggen’ of ‘beëindigen’ en er was geen sprake van een vaststellingsovereenkomst of een UWV-procedure. Inmiddels heeft de werkgever op 31 maart 2016 een ontslagaanvraag bij het UWV ingediend.
De werkgever wijst er nog op dat, nu er geen loonbetalingsverplichting meer is na 5 januari 2016, het in “geld vastgestelde loon” over de opzegtermijn € 0 bedraagt.

5 De beoordeling

5.1.

De werkneemster heeft het verzoek tijdig ingediend.

5.2.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat de werkgever de arbeidsrelatie met de werkneemster wenste te beëindigen noch dat zij in verband daarmee de transitievergoeding verschuldigd is. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst bij brief van 12 januari 2016 is opgezegd en of, in verband daarmee, aan de werkneemster een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatig ontslag moet worden toegekend.

5.3.

De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever met de brief van 12 januari 2016 de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en de werkneemster heeft deze brief ook als een opzegging kunnen en mogen opvatten. Daartoe is het volgende redengevend.

5.4.

Voor de werkneemster is op 12 januari 2016 een afscheidsbijeenkomst met collega’s georganiseerd, waarbij behalve de collega’s ook haar leidinggevende en [PZ-medewerkster] van PZ aanwezig waren. Tijdens deze bijeenkomst heeft de werkneemster van haar collega’s kaartjes en een kadobon ontvangen. Ook van haar werkgever heeft zij een kadobon ontvangen.
Tijdens deze bijeenkomst kreeg zij verder de bewuste brief overhandigd van [PZ-medewerkster] .
Gesteld noch gebleken is dat daarbij tegen de werkneemster is gezegd dat dit uitsluitend en alleen een ‘bedankbrief’ betrof. Evenmin is gesteld noch gebleken dat aan haar op enigerlei wijze is verteld dat er nog een nader contact zou plaatsvinden om de formele beëindiging van het dienstverband te regelen. De werkneemster heeft ter zitting verklaard dat zij nog gevraagd heeft of dit haar ontslagbrief was, maar dat zij geen reactie kreeg. [PZ-medewerkster] heeft ontkend dat deze vraag is gesteld. Wat daarvan ook zij, het is wel duidelijk geworden dat aan de werkneemster op geen enkel moment te kennen is gegeven dat een en ander nog niet haar ‘einde dienstverband’ betekende.

5.5.

De inhoud van die brief betreft een opzegging. De brief begint immers met de woorden: “Betreft: einde dienstverband”. Voorts wordt in de brief aangegeven dat de werkneemster haar 10-jarig dienstverband niet gaat halen, er gedag wordt gezegd en dat er een eindafrekening wordt opgemaakt. Ook wordt meegedeeld dat de openstaande vakantiedagen en het vakantiegeld worden uitbetaald. In deze brief wordt evenmin met één woord gerept over een nog aanstaande formele beëindiging door middel van een vaststellingovereenkomst dan wel een ontslagaanvraag bij het UWV. Integendeel, er wordt zelfs niet aangegeven dat er nog enig nader contact met de werkneemster na de bijeenkomst zal plaatsvinden.

5.6.

Het moge zo zijn dat de werkgever 12 januari 2016 niet een geschikt moment vond om over de beëindiging van het dienstverband te praten, zij vond het kennelijk wel een geschikt moment om op die bijeenkomst de bewuste brief zonder enige toelichting te overhandigen, waarin het “einde dienstverband” wel aan de orde werd gebracht. Het is ook niet duidelijk geworden, anders dan de opmerking dat de werknemers dat “zo fijn vinden”, waarom de bewuste brief zo nodig op die bijeenkomst (bedoeld om gedag te zeggen tegen de collega’s) overhandigd moest worden en niet op een later tijdstip, indien daar toch sprake van zou zijn.
Nog daargelaten dat uit niets is gebleken dat dit de gebruikelijke gang van zaken is bij de werkgever, acht de kantonrechter deze uitleg onaannemelijk.

5.7.

De conclusie moet zijn dat uit niets is gebleken dat de brief uitsluitend bedoeld was als ‘bedankbrief’. Daarbij neemt de kantonrechter nog in overweging dat nu juist die bijeenkomst alle gelegenheid bood om de werkneemster te bedanken.
De kantonrechter acht het geloofwaardig dat de werkneemster de vraag heeft gesteld of de brief soms haar ontslagbrief betrof. De werkgever ontkent weliswaar dat die vraag is gesteld, maar heeft evenmin enige duidelijkheid gegeven wat er dan wel bij het overhandigen van die brief tegen haar is gezegd. Indien de brief zonder enige toelichting is overhandigd, dan moet dit voor rekening en risico van de werkgever blijven.

5.8.

Het staat voorts vast dat nà 12 januari 2016 geen enkel contact meer is gezocht met de werkneemster, ook geen uitnodiging om de stappen naar een formele beëindiging te bespreken. De werkgever heeft desgevraagd aangegeven dat het nog niet het moment was. Welk moment de werkgever dan wel in gedachten had als zijnde een geschikt moment, is onduidelijk gebleven. Op zijn minst opmerkelijk is het feit dat de werkgever alsnog op

31 maart 2016 een aanvraag bij het UWV heeft gedaan, zonder overigens de werkneemster daarover te informeren, althans dit laatste is niet gebleken.

5.9.

De werkgever heeft met de brief de arbeidsovereenkomst met de werkneemster opgezegd per 12 januari 2016. Er is geen sprake van een verleende ontslagvergunning noch van een wederzijds goedvinden (zie artikel 7:671a lid 1 en 7:671 BW). De geldende opzegtermijn is niet in acht genomen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de werkneemster, naast de toewijsbare transitievergoeding (waarover tussen partijen geen discussie bestaat), aanspraak kan maken op de vergoeding wegens onregelmatig ontslag als bedoeld in artikel 7:672 lid 9 BW. Weliswaar heeft de werkgever nog aangevoerd dat bij een juiste opzegging geen loon over die opzeggingstermijn verschuldigd zou zijn geweest, doch de werkneemster heeft er terecht op gewezen dat uit artikel 7:672 lid 9 BW volgt dat dit geen vereiste is voor de aanspraak op de vergoeding (vgl. ook Hoge Raad, JAR 1995/152).
De werkgever heeft de opzegtermijn van twee maanden en de juistheid van het gevorderde bedrag erkend, zodat deze vergoeding voor toewijzing gereed ligt.

5.10.

De werkneemster heeft geen vernietiging van het gegeven ontslag verzocht, maar heeft om een billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 BW verzocht, omdat de opzegging in strijd met artikel 7:671 BW heeft plaatsgevonden. De werkgever heeft verzocht de billijke vergoeding te matigen tot nihil. De kantonrechter overweegt als volgt.
Het staat vast dat, gelet op het voor overwogene, de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd. De werkneemster heeft daarom in beginsel op goede gronden verzocht om toekenning van de billijke vergoeding zoals bedoeld in artikel 7:681 BW. Het feit dat haar ook een vergoeding toekomt in verband met de onregelmatige opzegging, staat de toekenning van de billijke vergoeding niet in de weg. De kantonrechter neemt bij de hoogte van de toe te kennen vergoeding nog het volgende in overweging. Er is geen discussie over het feit dat de werkneemster meer dan twee jaar arbeidsongeschikt is en dat het ontslag grondslag vindt in artikel 7:669 lid 3 onder b BW. Het is ook aannemelijk te achten dat het UWV een ontslagvergunning zou hebben verleend. Het handelen van de werkgever is dan ook vooral heel onzorgvuldig geweest. De kantonrechter acht een vergoeding van € 250,00 netto billijk, gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval, zoals hiervoor vermeld, en naast de hiervoor bedoelde vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

5.11.

De werkgever wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van deze procedure.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt de werkgever om aan de werkneemster een billijke vergoeding te betalen van € 250,00 netto;

6.2.

veroordeelt de werkgever om aan de werkneemster een transitievergoeding te betalen van € 2.881,42 bruto;

6.3.

veroordeelt de werkgever om aan de werkneemster een vergoeding wegens onregelmatig ontslag te betalen van € 2.383,13 bruto;

6.4.

veroordeelt de werkgever om over de bedragen als vermeld onder 6.1 tot en met 6.3 wettelijke rente ex artikel 6:119 BW te betalen vanaf 10 maart 2016

6.5.

veroordeelt de werkgever tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de werkneemster tot en met vandaag vaststelt op:

griffierecht € 223,00

salaris gemachtigde € 500,00 ;

6.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M. de Vries, kantonrechter en heden in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter