Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:8833

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5285
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inspecteur heeft terecht informatiebeschikkingen opgelegd aan belanghebbende om zich in redelijkheid op het standpunt te kunnen stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen over de aanwending van het eerder door belanghebbende bij een buitenlandse bank aangehouden aanzienlijke vermogen die van belang kunnen zijn voor de bepaling van de hoogte van de aan belanghebbende op te leggen aanslagen ib/pvv voor de jaren 2011 en 2012.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a, geldigheid: 2011-07-01
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47, geldigheid: 2005-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2686
V-N Vandaag 2016/2366
V-N 2017/7.24.7

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 14/5285 en HAA 14/5286

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 oktober 2016 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

(gemachtigde: mr. S. Bharatsingh)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 8 augustus 2014 op naam van eiser (in één geschrift vervatte) informatiebeschikkingen in de zin van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) genomen met betrekking tot op te leggen aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) over de jaren 2011 en 2012.

Verweerder heeft bij (in één geschrift vervatte) uitspraken op bezwaar van 11 november 2014 de beschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. De beroepen zijn door de rechtbank geregistreerd onder de nummers HAA 14/5285 (2011) en HAA 14/5286 (2012).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft voor beide zaken gezamenlijk plaatsgevonden op 5 oktober 2016. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen B. Swart, T.V. van der Veen, D.P. Laansma en K.H. Kippersluis.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser, geboren [geboortedatum] , is ongehuwd. De moeder van eiser is genaamd [A] en is geboren in 1921.

2. De Belastingdienst heeft twee renseignementen ontvangen inzake een bij Kredietbank Luxembourg (hierna: KBL) aangehouden rekening per 31 januari 1994. Beide renseignementen betreffen afdrukken van een microfiche, afkomstig van KBL en vermelden het rekeningnummer [# 3] . Op het eerste renseignement is vermeld:

“ [# 3] (...) TER [X] OU MME [A] [# 1] ”

Op het tweede renseignement is vermeld:

“ [# 3] (...) VUE [X] OU MME [A] - [# 2] ”

3. In een ambtsedige verklaring van 8 februari 2006 van een medewerker van de Belastingdienst/FIOD-ECD is uit de match van de rekeninghouder(s) zoals vermeld op de microfiches met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden, geconcludeerd dat slechts eiser en zijn moeder als houders van de rekening bij KBL met nummer [# 3] in aanmerking komen.

4. Naar aanleiding van voormelde renseignementen heeft verweerder aan eiser (onder meer) navorderingsaanslagen ib/pvv voor de jaren 1991 tot en met 2000 en navorderingsaanslagen vermogensbelasting voor de jaren 1992 tot en met 2000 opgelegd. Daarbij zijn verhogingen en boetes opgelegd. In de door eiser betreffende de navorderingsaanslagen ib/pvv ingestelde beroepen heeft het gerechtshof Amsterdam bij uitspraak van 23 september 2010 (nr. 04/02854) aannemelijk geoordeeld dat sprake is van een juiste identificatie van eiser als rekeninghouder en dat eiser in genoemde jaren een bankrekening heeft aangehouden bij KBL. De Hoge Raad heeft bij arrest van 2 december 2011 (nr. 10/04796, ECLI:NL:HR:2011:BU6494) deze uitspraak gehandhaafd voor zover het de opgelegde navorderingsaanslagen betreft. Genoemde hofuitspraak is uitsluitend vernietigd voor zover daarbij is geoordeeld over de verhogingen en de boetes.

5. Eiser heeft voor de jaren 2011 en 2012 aangifte ib/pvv gedaan. In de aangiftebiljetten is in box 3 (inkomen uit sparen en beleggen) geen in het buitenland aangehouden vermogen aangegeven.

6. Bij brief van 29 april 2014 heeft verweerder ter zake van de onder 2 genoemde rekening de volgende vragen gesteld aan eiser.

“1. Is deze bankrekening in 2011 en 2012 nog steeds door u aangehouden?

2. Zo ja, wat was het saldo, inclusief onderliggende sub- en beleggingsrekeningen, op 1 januari en 31 december in 2011 en 2012?

3. Zo nee, waar wordt het eerder op de KBL-rekening gestalde vermogen in 2011 en 2012 aangehouden?

4. Wat was het saldo van die andere rekeningen op 1 januari en 31 december in 2011 en 2012?

5. Indien niet langer vermogen in het buitenland wordt aangehouden, wanneer en op welke binnenlandse rekening is dit vermogen gestort of wanneer en waarvoor is het aangewend?

6. Ik verzoek u de bescheiden met betrekking tot de buitenlandse rekening(en) (in kopie) voor deze jaren te overleggen.”

Eiser is in de brief gewezen op de verplichtingen als vermeld in de artikelen 47 en 49 van de Awr.

7. In reactie hierop heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 2 mei 2014 geantwoord:

“Cliënt heeft mij aangegeven over de onderhavige jaren waarover u informatie wenst, geen rekening te hebben aangehouden in het buitenland. Dientengevolge kan cliënt op de door u gestelde vragen geen antwoord geven en de door u gevraagde inlichtingen niet verstrekken.”

8. Verweerder heeft daarop de informatiebeschikkingen genomen.

9. Eiser heeft verweerder vervolgens bij brief van 21 mei 2015 te kennen gegeven openheid van zaken te willen geven en heeft verweerder diverse bankbescheiden ter zake van de onder 2 genoemde rekening toegezonden over de periode 13 oktober 1988 tot en met 30 december 1999. Het saldo van de rekening bedroeg op 30 december 1999 ƒ 189.172,14 (ƒ 94,84 op de current accounts en ƒ 189.077,30 op de savings accounts).

Voorts heeft eiser een kopie van een brief van KBL van 18 augustus 2015 aan verweerder gezonden waarin is vermeld dat de rekening als genoemd onder 2 op 31 augustus 2000 is afgesloten en dat alle gegevens betreffende de rekening zijn vernietigd.

Geschil
10. In geschil is of eiser (inmiddels) heeft voldaan aan de informatieverplichtingen van artikel 47 van de Awr.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en van de informatiebeschikkingen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

11. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de Awr is ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a van de Awr kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 van de Awr is voldaan. Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, derde lid, van de Awr gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij zou zijn gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is.

12. Naar tussen partijen niet langer in geschil is, is eiser tot 31 augustus 2000 rekeninghouder geweest van de onder 2 genoemde rekening bij KBL. Op 31 augustus 2000 is de rekening opgeheven. Op grond van de rekeningafschriften is komen vast te staan dat het saldo van de rekening op 31 december 1998 ƒ 239.172,14 bedroeg, dat op 29 september 1999 van de rekening een bedrag van ƒ 50.000 in contanten is opgenomen en dat het saldo op 30 december 1999 ƒ 189.172,14 bedroeg.

13. De gemachtigde van eiser heeft in aanvulling daarop ter zitting verklaard dat eiser het resterende bedrag eveneens in contanten heeft opgenomen, mee naar huis heeft genomen en in de loop der jaren heeft geconsumeerd. Eiser heeft in 2001 zijn appartement verbouwd. Verder heeft hij in [jaartal] een zoon gekregen en is hij kort daarna gescheiden, waarna hij zijn zoon alleen heeft opgevoed. Hij genoot slechts een bijstandsuitkering, zo stelt de gemachtigde voorts. Verweerder heeft gesteld dat eiser met de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is verklaard nog steeds niet heeft voldaan aan de informatieverplichtingen, omdat de vragen 5 en 6 van de brief van 29 april 2014 (zie overweging 6) niet dan wel onvoldoende zijn beantwoord en geen enkele vorm van schriftelijk bewijs is aangedragen.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen als bedoeld in vraag 5 en 6 van de brief van 29 april 2014 van belang kunnen zijn voor de bepaling van de hoogte van de aan eiser op te leggen aanslagen ib/pvv voor de jaren 2011 en 2012. Onder voormelde omstandigheden rust op eiser de verplichting gegevens en inlichtingen te verstrekken over de aanwending van het eerder door hem bij KBL aangehouden aanzienlijke vermogen. De rechtbank is van oordeel dat eiser met de blote stellingen van gemachtigde ter zitting niet (voldoende) aan die verplichting heeft voldaan. Hij zal daartoe nogmaals in de gelegenheid worden gesteld.

15. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond, en

- stelt eiser in de gelegenheid om binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak te voldoen aan de in de beschikkingen van 8 augustus 2014 opgenomen verplichtingen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. de Jong, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. J. Gooijer, rechters, in aanwezigheid van mr. J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.