Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:881

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
16-02-2016
Zaaknummer
AWB - 13 _ 1981
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek. In beroep stelt eiser dat hem een aantal stukken ten onrechte niet is overgelegd. Deze door eiser in beroep genoemde stukken vallen evenwel buiten de omvang van het geding.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 13/1981

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 februari 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de door eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gevraagde stukken deels openbaar gemaakt.

Bij besluit van 12 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2015. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. P.J.M. Hink.

Overwegingen

1. Bij brief van 24 mei 2013 heeft eiser verweerder een verzoek gestuurd in het kader van de Wob. Eiser heeft het verzoek als volgt geformuleerd. “Inzake de 8 planschadeaanvragen [adressen 1] heeft tussen u en [naam adviesburo] Advies een uitwisseling van stukken, documenten, facturen, e-mails en andere kennisdragers plaatsgevonden. Ik verzoek u om toezending van alle stukken inclusief alle communicatie tussen de gemeente Bergen en [naam adviesburo] Advies van de periode tussen 24 januari 2013 en 24 mei 2013. Uitzondering hierop is het concept advies van [adres] welke op 1 februari aan uw gemeente door [naam adviesburo] is gestuurd. Van al het overige ontvang ik graag een kopie.”

2. Bij besluit van 12 juni 2013 heeft verweerder op eisers verzoek beslist en hem afschrift gezonden van diverse mails en bijlagen. De adviezen van [naam adviesburo] Advies van
18 april 2013 betreffende de planschadeaanvragen [adressen 2] zijn niet aan eiser gezonden omdat eiser deze stukken reeds bij de beslissingen op de planschadeverzoeken heeft ontvangen. Verweerder is ervan uitgegaan dat aan het verzoek volledig is voldaan.

In de beslissing op bezwaar heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en herhaald dat de door eiser gevraagde documenten, behoudens de aan hem bij het primaire besluit toegezonden documenten, reeds waren verstrekt. Dit geldt ook voor de in de toegezonden bijlagen genoemde documenten. Dit betreft de bijlage bij de e-mail van 24 januari 2013 (zienswijze), de bijlage bij de e-mail van 1 februari 2013 (conceptadvies [adres] ) en de drie bijlagen bij de e-mail van 18 april 2013, te weten de blauw-wit-gekleurde informatie betreffende perceelsgegevens, de (zwart-wit gekleurde) plankaart behorende bij het bestemmingsplan Bebouwde Kom alsmede de voorschriften behorende bij dat plan.

3. In beroep stelt eiser dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn verzoek om alle communicatie en informatieoverdracht tussen het college en [naam adviesburo] Advies in de periode 24 januari 2013 en 24 mei 2013 te overleggen. Hij noemt in dat verband een aantal stukken dat ten onrechte niet aan hem is overgelegd.

4. De rechtbank begrijpt dat het eiser nog slechts te doen is om de stukken in voorgaande overweging genoemd en waarom eerst in beroep is gevraagd. Aldus heeft eiser een nieuw verzoek gedaan waarop het bestreden besluit niet ziet. De door eiser in beroep genoemde stukken vallen derhalve buiten de omvang van dit geding

5. Voor zover eiser vermoedt dat onder verweerder meer stukken berusten welke wel betrekking hebben op de in het verzoek genoemde adressen, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft, na onderzoek, gesteld dat hij niet over meer documenten beschikt. Die mededeling komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor, zodat het vervolgens aan eiser is om aannemelijk te maken dat een bepaald document toch onder verweerder berust. Daarin is eiser niet geslaagd.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, mr. M. Kraefft en mr. B. Veenman, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.