Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:8675

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2800
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“KB-Lux-zaak. De wetenschap van de Nederlandse belastingautoriteiten ten tijde van of omstreeks de verkrijging van de microfiches omtrent de onregelmatigheden die zich in het Belgische strafrechtelijke opsporingsonderzoek hebben voorgedaan, kan niet kan leiden tot bewijsuitsluiting. Eiser heeft niet aangetoond dat het inkomen uit sparen en beleggen ten onrechte is gecorrigeerd.”

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47, geldigheid: 2005-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2288
V-N 2017/7.2.1

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 15/2800 en 15/2801

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 oktober 2016 in de zaken tussen

[X] wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. J.M.H. Römkens),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2011 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.297 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.575. Voorts is bij beschikking een bedrag van € 165 aan heffingsrente in rekening gebracht. (HAA 15/2800)

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.544 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.771. Voorts is bij beschikking een bedrag van € 122 aan belastingrente in rekening gebracht. (HAA 15/2801)

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft op 19 juli 2016 nadere stukken ontvangen van verweerder en deze doorgezonden naar eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2016 te Haarlem. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. T.V. van der Veen en M.S.H. Lange.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser was in 2011 en 2012 gehuwd met mevrouw [A] (hierna: [A] ). Eiser en [A] zijn inmiddels gescheiden.

2. In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: de KBL) documenten en microfiches van de KBL ontvreemd. Deze gegevens zijn in handen gekomen van de Belgische autoriteiten. Op 27 oktober 2000 zijn deze gegevens door de Belgische autoriteiten op basis van de Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen verstrekt aan het Ministerie van Financiën te Den Haag.

3. Verweerder heeft op 27 oktober 2000 een renseignement ontvangen, bestaande uit fotokopieën van afgedrukte microfiches, inzake (onder meer) een bij de KBL aangehouden rekening met rekeningnummer [# 1] . Op dit rekeningnummer worden op 31 januari 1994 saldi aangehouden van ƒ 261.821,14 en -/- ƒ 27,61 , in totaal ƒ 261.793,53. De microfiches bevatten (onder meer) de volgende gegevens:

“ [# 2] [A] [# 3] ”

En:

“ [# 4] [A] - [# 5] ”

4. Op 16 januari 2014 heeft eiser de aangifte ib/pvv voor het jaar 2011 ingediend, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.420 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. Eveneens op 16 januari 2014 heeft eiser de aangifte ib/pvv voor het jaar 2012 ingediend, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.544 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil.

5. Bij brief van 25 april 2014 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat hij en/of zijn echtgenote houder zijn (geweest) van ten minste één in het buitenland aangehouden bankrekening en is eiser verzocht om antwoord te geven op de door verweerder gestelde vragen. Eiser is in de brief gewezen op zijn verplichtingen om ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) informatie te verstrekken.

6. Op 19 mei 2014 heeft de gemachtigde van eiser verweerder bij brief geïnformeerd dat eiser en [A] volledig en naar waarheid aangifte gedaan hebben van hun belastbare inkomen en vermogen over 2011 en 2012.

7. Op 8 augustus 2014 heeft verweerder voor 2011 en 2012 tezamen een informatiebeschikking in de zin van artikel 52a van de Awr afgegeven. Bij brief van 24 oktober 2014 is aan eiser medegedeeld dat de informatiebeschikking onherroepelijk vaststaat en dat daardoor de bewijslast is omgekeerd en verzwaard.

8. Voor het jaar 2011 heeft verweerder het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning verhoogd met € 6.877 (loon [B] B.V.) en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen met (€ 13.151 * 50% =) € 6.575 (afgerond), waarbij is uitgegaan van een saldo van € 328.776 per 1 januari 2011. Voor het jaar 2012 heeft verweerder het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verhoogd met (€ 13.543 * 50% =) € 6.771 (afgerond), waarbij is uitgegaan van een saldo van € 338.573 per 1 januari 2012. Genoemd saldo van de bankrekening is op grond van artikel 2.17, derde lid, van de Wet IB 2001 voor de helft aan eiser toegerekend. Het saldo is volgens de brief van 24 oktober 2014 als volgt bepaald:

“Redelijke schatting verschuldigde belasting

Ik beschik over gegevens van belanghebbenden die wel juist en volledig antwoord hebben gegeven op vragen omtrent hun buitenlandse rekening. Deze gegevens zijn verwerkt in een database en vergeleken met de gegevens van personen die niet volledig of onjuist op de vragen hebben geantwoord. Ik heb het gemiddelde saldo van het bij mij bekende bankoverzicht van personen die wel en juist hebben geantwoord bepaald. Dit heb ik ook gedaan met het gemiddelde saldo van het bij mij bekende bankoverzicht van personen die de vragen niet of onjuist hebben beantwoord. Er is een vergelijking gemaakt tussen de groep personen die niet of onjuist hebben geantwoord en die wel en juist hebben geantwoord. Hieruit blijkt dat de saldi van de groep die niet of onjuist heeft geantwoord gemiddeld factor 1,5 hoger liggen dan de saldi van de groep die wel volledig en juist heeft geantwoord.

Ik ben door uw weigering om volledig en juist aangifte te doen genoodzaakt de aanslagen als volgt vast te stellen.

De hoogte van de correctiebedragen wordt gesteld op een zodanig bedrag dat 95% van de bedragen die zijn gecorrigeerd bij personen die wel volledig en juist hebben geantwoord daar binnen valt. Gezien de huidige stand van zaken in de jurisprudentie heb ik besloten, in tegenstelling tot de eerder aan u opgelegde aanslagen, de verhoging met een factor 1,5 buiten beschouwing te laten.”

9. In de uitspraak van 10 juni 2010 heeft het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2010:BM8882) in het door [A] ingestelde hoger beroep tegen de aanslagen ib/pvv voor de jaren 1990 tot en met 1999 en de aanslagen vermogensbelasting voor de jaren 1991 tot en met 2000 als volgt geoordeeld:

“5.1. Van het door de Belastingdienst verrichte onderzoek naar de identiteit van de houder van de onder 3.1 vermelde rekening(en) is het onder 3.2 aangehaalde proces-verbaal opgemaakt. Blijkens dit proces-verbaal komt slechts belanghebbende als rekeninghouder in aanmerking.

Nu het Hof de in het proces-verbaal beschreven methode van onderzoek betrouwbaar acht, heeft de inspecteur met het overleggen van het proces-verbaal voldoende aannemelijk gemaakt dat ook in dit geval sprake is van een juiste identificatie. Het zojuist overwogene brengt mee dat belanghebbendes grieven tegen deze identificatie worden verworpen.”

10. Op 25 november 2011 heeft de Hoge Raad arrest gewezen op het cassatieberoep tegen voormelde uitspraak (ECLI:NL:HR:2011:BU5633). Daarbij heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Hof vernietigd, doch uitsluitend voor een nadere beoordeling van de verhogingen en boetes.

11. Verweerder heeft in zijn verweerschrift omtrent de identificatie het volgende naar voren gebracht:

“In verband met de stelling van belanghebbende heb ik nogmaals de identiteit onderzocht. Op het van KBL afkomstige stuk stond als rekeninghouder vermeld “ [A] ”. De naam en voornaam werden door KBL letterlijk overgenomen uit het paspoort.

Het ingeven van de naam “ [A] ” in het systeem Beheer van Relaties (hierna BvR) leverde 89 treffers op. Van deze 89 personen waren en 10 personen bij wie de letter “ [C] ” in de voornaam voorkwam, 6 vrouwen en 4 mannen. Omdat blijkens de voornamenbank van het Meertens-instituut bij mannen de naam [a] als eerste voornaam niet voorkomt (wel als volgnaam) vielen 3 mannen af. Van de vrouwen bleek 1 al in 1984 te zijn overleden, waardoor er in totaal nog 7 personen overbleven. De overgebleven man had als volgnaam [D] . De 4 overgebleven vrouwen - belanghebbende is hierbij buiten beschouwing gelaten - hadden als eerste voornaam, dan wel volgnaam [E] , [F] , [G] en [H] . Alleen de echtgenote had als voornaam [a] .

De conclusie uit het bovenstaande is dat de naam “ [A] ” in Nederland uniek is.”

Geschil
12. In geschil is of de aanslagen tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of verweerder terecht het inkomen uit werk en woning in 2011 heeft gecorrigeerd met inkomen van [B] B.V. en of het inkomen uit sparen en beleggen voor de jaren 2011 en 2012 terecht is gecorrigeerd.

13. Eiser stelt zich op het standpunt dat de Nederlandse Belastingdienst ten tijde van de verkrijging van de gegevens wist dat deze gegevens onrechtmatig waren verkregen, althans dat de Belastingdienst op dat moment wist dat er vragen bestonden over de rechtmatigheid van de verkrijging van deze gegevens. Eiseres stelt voorts dat de Belgische autoriteiten deze onrechtmatigheid ten tijde van de verstrekking van de gegevens hadden moeten vermelden en dat de gegevens in strijd met het verdrag, de goede verdragstrouw en de Richtlijn zijn verstrekt.

Verweerder heeft aldus zodanig in strijd gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dat het gebruik van de gegevens ontoelaatbaar is en de aanslagen moeten worden vernietigd.

Eiser ontkent voorts rekeninghouder te zijn. Daartoe betoogt hij dat de identificatie niet betrouwbaar is en dat er fouten zijn gemaakt bij de identificatie van [A] als rekeninghouder. Eiser stelt in dit verband voorts dat verweerder onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Daartoe stelt hij dat niet is gebleken van onverklaarbare uitgaven door eiser en dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar zijn uitgavenpatroon. Daarnaast stelt eiser dat sinds kort de Belastingdienst bij de autoriteiten in Luxemburg kan vragen om bevestiging van de juistheid van de gegevens bij de bank en dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten navraag te doen bij de autoriteiten in Luxemburg naar de door [A] aangehouden rekening. Verder stelt eiser dat verweerder – zo hij wel navraag heeft gedaan – gegevens dienaangaande heeft achtergehouden. Eiser stelt ten slotte dat mogelijk sprake is van identiteitsfraude.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de belastingaanslagen. Eiser verzoekt voorts om een vergoeding van de volledige proceskosten.

14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de microfiches in het kader van de onderhavige procedure en overige fiscale procedures is toegestaan. Er is voor de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen aangesloten bij het model dat daarvoor is ontwikkeld. De schatting is niet willekeurig of onredelijk.

Verweerder stelt voorts dat [A] op de juiste wijze als rekeninghouder is geïdentificeerd en dat de naam “ [A] ” in Nederland uniek is. Verweerder heeft voorts naar voren gebracht dat hij geen navraag heeft gedaan bij de Luxemburgse autoriteiten naar de op naam van [A] aangehouden rekening en stelt zich op het standpunt dat hij daartoe niet was gehouden.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

Inkomen uit dienstbetrekking

15. Verweerder heeft het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2011 verhoogd met € 6.877. Dat bedrag heeft betrekking op loon uit tegenwoordige dienstbetrekking dat eiser in 2011 heeft ontvangen van [B] B.V. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij het inkomen in de aangifte heeft opgenomen en dat verweerder ten onrechte stelt dat dat niet zo is.

16. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking van [B] B.V. is aangegeven. Uit de tot de stukken van het geding behorende aangifte ib/pvv voor het jaar 2011 blijkt dat er enkel inkomen van het UWV is vermeld. Eiser heeft ter zitting erkend dat hij in 2011 wel in dienstbetrekking stond tot [B] B.V. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht het inkomen uit werk en woning voor het jaar 2011 verhoogd met € 6.877.

Inkomen uit sparen en beleggen

17. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de Awr is ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken welke door de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a van de Awr kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan. Op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Awr verklaart de rechtbank het beroep ongegrond indien er sprake is van een onherroepelijke informatiebeschikking, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

18. Gesteld noch gebleken is dat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen de informatiebeschikking. De informatiebeschikking is onherroepelijk geworden. Op eiser rust om die reden de last te doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn, dat wil zeggen dat het aan hem is om overtuigend aan te tonen dat de correcties ten onrechte hebben plaatsgevonden.

19. De enkele stelling van eiser dat [A] geen rekening bij de KBL heeft (gehad), acht de rechtbank in dit verband onvoldoende omdat die stelling niet is onderbouwd. De rechtbank wijst op de in onderdeel 11 opgenomen weergave van het onderzoek dat is gedaan naar de identificatie van [A] als rekeninghouder. Voorts is van belang dat het Gerechtshof Amsterdam in de uitspraak van 10 juni 2010 (r.o.12), bevestigd door de Hoge Raad in het arrest van 25 november 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BU5633), heeft geoordeeld dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een unieke naamcombinatie en dat [A] rekeninghouder van de genoemde KBL-rekening is (geweest). De rechtbank ziet geen aanleiding in de onderhavige zaak anders te beslissen. Anders dan eiser betoogt, was verweerder niet gehouden onderzoek te doen naar het uitgavenpatroon van eiser. Evenmin kan verweerder in dit verband worden tegengeworpen dat hij zelf geen navraag heeft gedaan bij de Luxemburgse autoriteiten naar de op naam van [A] staande rekening. Voor zover eiser betoogt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, kan de rechtbank hem niet volgen. Het betoog van eiser dat mogelijk sprake is van identiteitsfraude is niet onderbouwd. Eiser heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken, dat [A] geen rekening bij de KBL heeft (gehad).

20. Eiser heeft verder - kort samengevat - aangevoerd dat het bewijs niet rechtmatig is verkregen, dat verweerder daarvan op de hoogte was ten tijde van de verkrijging van de gegevens, althans behoorde te zijn en dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door desalniettemin gebruik te maken van het onrechtmatig verkregen bewijs. Zulks dient in de ogen van eiser te leiden tot bewijsuitsluiting.

21. De rechtbank stelt voorop dat er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van de microfiches. Ook anderszins bestonden voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld. Indien al kan worden aangenomen dat de microfiches op strafrechtelijk onrechtmatige wijze zijn verkregen, dan nog is de rechtbank van oordeel dat de gegevens door de Nederlandse fiscus niet zijn verkregen op een wijze die zozeer indruiste tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht (HR 21 maart 2008, nr. 43.050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, r.o. 3.4.1). De omstandigheid dat het bewijsmateriaal door diefstal of verduistering, gepleegd door particulieren, is verkregen, staat niet in de weg aan het gebruik van dat bewijsmateriaal in een belastingzaak of een bestuurlijke boetezaak (vergelijk HR (strafkamer) 14 november 2006, nr. 02324/05, ECLI:NL:HR:2006:AX7471).

22. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 juli 1992, nr. 26331, ECLI:HR:1991:ZC5028, BNB 1992/306 (hierna: het arrest BNB 1992/306) een beoordelingskader gegeven voor het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak. De desbetreffende regels gelden nog steeds, gezien het arrest van 20 maart 2015, nr. 13/03959, ECLI:NL:HR:2015:643, BNB 2015/173 (hierna: het arrest BNB 2015/173). Dat beoordelingskader is in het arrest BNB 2015/173 als volgt weergegeven:

“2.3.1. In BNB 1992/306 is in de eerste plaats geoordeeld dat het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak in ieder geval toelaatbaar is, indien de verkrijging van die bewijsmiddelen niet onrechtmatig was jegens de belanghebbende in die zaak.

2.3.2. Voor het geval wel sprake is van jegens de belanghebbende op strafrechtelijk onrechtmatige wijze verkregen bewijsmiddelen, heeft de Hoge Raad in BNB 1992/306 als regel vooropgesteld dat die omstandigheid voor de inspecteur geen beletsel behoeft te zijn om van die bewijsmiddelen gebruik te maken. In een dergelijk geval zal met inachtneming van alle ter zake dienende omstandigheden nader moeten worden beoordeeld of de inspecteur handelt in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder met het zorgvuldigheidsbeginsel, door ter vaststelling of ter ondersteuning van een belastingaanslag van dit strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal gebruik te maken.

2.3.3. Van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan in het algemeen niet worden gesproken indien de inspecteur gebruik maakt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen waarvan hij zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen, ook indien de onrechtmatige handelingen van de betrokken strafrechtelijke instantie(s) niet hadden plaatsgevonden. Het gebruik van zodanige bewijsmiddelen door de inspecteur is slechts dan niet toegestaan, indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht, aldus BNB 1992/306.”.

23. Gelet op het in onderdeel 22 weergegeven beoordelingskader acht de rechtbank beslissend of de Nederlandse overheid, meer in het bijzonder de Nederlandse belastingautoriteiten, (afschriften van) de microfiches hebben verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. In dat kader ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of relevant is dat de Nederlandse belastingautoriteiten ten tijde van of omstreeks de overdracht van de gegevens op de microfiches door Belgische aan Nederlandse belastingautoriteiten kennis droegen van de onrechtmatige verkrijging in België. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

24. De rechtbank is van oordeel dat, zelfs indien de Nederlandse belastingautoriteiten ten tijde van de gegevensoverdracht door de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse belastingautoriteiten wisten van de onregelmatigheden in het Belgische strafrechtelijke opsporingsonderzoek, de verkrijging van bewijsmateriaal in de vorm van de microfiches door de Nederlandse belastingautoriteiten nog niet zozeer in strijd is met beginselen van behoorlijk bestuur dat die afschriften niet voor de oplegging van belastingaanslagen en (boete)beschikkingen mogen worden gebruikt. De schending van beginselen van een behoorlijk strafproces die in de Belgische rechtsorde is uitgesproken, heeft zich voorgedaan in het kader van strafrechtelijk onderzoek dat eiser niet heeft betroffen. Die schending behoefde verweerder ook niet te weerhouden van het gebruik van de (afschriften van de) microfiches. Dat zou anders kunnen zijn indien zich op enig moment op of na de verkrijging van de afschriften aanwijzingen zouden hebben voorgedaan waaruit redelijke twijfel zou zijn voortgevloeid ten aanzien van de betrouwbaarheid en authenticiteit van het verkregen materiaal. Dat zou bijvoorbeeld aan de orde zijn indien verweerder door voldoende concrete aanwijzingen rekening moet houden met de reële mogelijkheid dat de inhoud van de microfiches zou zijn gemanipuleerd. Alsdan zou verweerder, gezien de zorgvuldigheidsnormen die hij bij zijn taakuitoefening in acht moet nemen, gehouden zijn tot een nader onderzoek naar de mate waarin de voornoemde ongeregeldheden in het kader van het Belgische opsporingsonderzoek van invloed konden zijn geweest op de betrouwbaarheid van (de inhoud van) de microfiches. De (kennis van de) onregelmatigheden die in het kader van het Belgische strafrechtelijke onderzoek zijn vastgesteld, zijn op zichzelf beschouwd echter nog geen aanwijzingen in de onderhavige zin.

25. De rechtbank acht overigens niet aannemelijk dat ten tijde van de verkrijging van de afschriften, dan wel op enig moment nadien, zodanige aanwijzingen hebben bestaan onderscheidenlijk zijn ontstaan. Integendeel, gezien de vele gevallen waarin de in de afschriften vervatte gegevens van rekeninghouders na bekentenissen van laatstgenoemden juist bleken te zijn, mocht verweerder ervan uitgaan dat de vorenbedoelde schendingen de betrouwbaarheid en authenticiteit van de in de microfiches vervatte gegevens onverlet hebben gelaten.

26. Uit het vorenoverwogene volgt dat de wetenschap van de Nederlandse belastingautoriteiten ten tijde van of omstreeks de verkrijging van de microfiches omtrent de onregelmatigheden die zich in het Belgische strafrechtelijke opsporingsonderzoek hebben voorgedaan, niet kan leiden tot bewijsuitsluiting.

27. Zonder nadere toelichting van eiser vermag de rechtbank voorts niet in te zien dat de verstrekking van de gegevens in strijd is met enig verdrag, de goede verdragstrouw of bovengenoemde richtlijn (vgl. rechtbank Noord-Holland, 5 november 2013, zaaknummers HAA 13/428 e.v., ECLI:NL:RBNHO:2013:13509, rov. 4.4.2 tot en met 4.4.4).

28. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gelet op het voorgaande eiser niet overtuigend aangetoond dat het inkomen uit sparen en beleggen ten onrechte is gecorrigeerd. Eiser heeft niet doen blijken dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. De beroepen zijn tot dusverre ongegrond.

29. Op verweerder rust ondanks de omkering van de bewijslast de verplichting om een redelijke schatting te maken van de (verzwegen) inkomensbestanddelen. De saldi van de KBL-rekening zijn berekend op modelmatige wijze. Als algemene maatstaf voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de berekening van de gecorrigeerde bedragen op basis van het model heeft in een geval als het onderhavige te gelden dat de modelmatige berekeningen jegens eiser redelijk en dus niet willekeurig moeten zijn. In zijn arrest van 15 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BN6350) oordeelde de Hoge Raad dat voor de schatting van de hoogte van de correcties in het rekeningenproject en voor de jaren waarover de correcties zijn aangebracht gebruik gemaakt mag worden van de gegevens van meewerkers en de wijze waarop een en ander in het model is uitgewerkt – behoudens toepassing van de factor 1,5 – op zichzelf niet leidt tot onredelijke of willekeurige berekeningen. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij bij het vaststellen van de onderhavige aanslagen is uitgegaan van het model. Het bedrag dat uit de berekening volgt is jaarlijks verhoogd met een rendement van 4%.

30. Vaststaat dat bij de berekening van de aanslagen genoemde factor van 1,5 buiten toepassing is gelaten. De rechtbank acht de schatting van verweerder gelet op de door verweerder gehanteerde uitgangspunten en de daarop gebaseerde berekening niet onredelijk of willekeurig, temeer niet nu eiser tegen de berekeningen geen argumenten heeft ingebracht.

31. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

Nu de beroepen ongegrond zijn, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, mr. M.W. Koenis en mr. R. van Scharrenburg, leden, in aanwezigheid van mr. M.R. Marinus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.