Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:8663

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
10-01-2017
Zaaknummer
C/15/237914 / FA RK 16-264
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek van de man tot verlaging van de kinderalimentatie is afgewezen. Gelet op de wijze waarop de man de procedure heeft gevoerd, is de man voorts veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0019

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/15/237914 / FA RK 16-264

beschikking van 19 oktober 2016 betreffende bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.P.J.L. Appelman, kantoorhoudende te Alkmaar,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.H.F. Overkleeft, kantoorhoudende te Hoorn Nh.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 5 januari 2016;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 11 maart 2016;

- de brieven, met bijlagen, van de advocaat van de man, ingekomen op 13 september 2016, op 19 september 2016 en op 22 september 2016;

- de brieven, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw, ingekomen op 16 september 2016, op 21 september 2016 en op 23 september 2016.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 september 2016 in aanwezigheid van de man bijgestaan door mr. P.P.J.L. Appelman en de vrouw bijgestaan door mr. J.H.F. Overkleeft.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen zijn op [huwelijksdatum] in [plaats] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Alkmaar van [datum] .

2.2

Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen [minderjarigen] :

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .

2.3

In voormelde beschikking is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 415,-- per maand per kind moet voldoen met ingang van de dag van inschrijving van die beschikking.

2.4

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2016 € 482,81 per maand per kind.

3 Verzoek

3.1

De man heeft verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking van 24 mei 2007 te wijzigen in die zin, dat de kinderbijdrage wordt verminderd tot € 50,-- per maand per kind, althans een substantieel lager bedrag dan de huidige bijdrage, met ingang van 1 januari 2016.

4 Verweer en zelfstandig verzoek

4.1

De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek af te wijzen.

4.2

De vrouw heeft van haar kant verzocht de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

5 Beoordeling

5.1

De rechtbank overweegt als volgt.

5.2

De man heeft ter onderbouwing van het verzoek in het verzoekschrift het volgende aangevoerd.

Voormelde beschikking van 24 mei 2007 heeft door wijziging van omstandigheden opgehouden te voldoen aan wettelijke maatstaven. Hij heeft een eigen onderneming, waarin hij werkt als programmeur. Sinds 2012 wordt het steeds moeilijker om opdrachten te krijgen. Aanvankelijk kon hij de kinderbijdrage blijven betalen door in te teren op zijn reserves. Dat is thans niet meer mogelijk. Tot de datum van indiening van het verzoek heeft de man de bijdrage voldaan. De man is hertrouwd. Uit zijn huidige huwelijk zijn geen kinderen geboren. Zijn huidige echtgenote heeft een kleine acupunctuurpraktijk. Zij heeft uit een eerder huwelijk twee kinderen, die bij haar verblijven. Ook de vrouw is hertrouwd. Haar man is timmerman en ook uit dat huwelijk zijn geen kinderen geboren. Wellicht dat een deel van de inkomensterugval van de man door de huidige echtgenoot van de vrouw kan worden opgevangen, aldus de man.

De man heeft bij het verzoekschrift geen enkel financieel bewijsstuk overgelegd.

5.3

In het verweerschrift heeft de vrouw ter bestrijding van het verzoek van de man het volgende aangevoerd. De man heeft zijn stellingen niet met bewijsstukken onderbouwd. Bovendien valt niet uit te sluiten dat een inkomensachteruitgang aan de man te verwijten valt, als gevolg waarvan een inkomensachteruitgang in redelijkheid niet kan leiden tot verlaging van de kinderbijdrage. Omdat de man geen financiële gegevens heeft overgelegd, wordt de vrouw de mogelijkheid onthouden zich binnen een redelijke termijn te verweren.

De vrouw is voorafgaand aan de indiening van het verzoek niet door de man benaderd om te trachten in onderling overleg tot een andere kinderbijdrage te komen. Door dat na te laten wordt de vrouw onnodig op kosten gejaagd. Daarom verzoekt de vrouw om een proceskostenveroordeling.

5.4

Bij voormelde op 13 september 2016 ingekomen brief heeft de man voor het eerst een aanzienlijke hoeveelheid stukken (30 producties) overgelegd, alsmede een draagkrachtberekening, waaruit kan worden opgemaakt dat de man op basis van zijn eigen berekening € 578,42 kan betalen aan kinderbijdrage. De man heeft vervolgens vijf dagen voor de zitting bij brief van 22 september 2016 een aangepaste draagkrachtberekening overgelegd waaruit blijkt dat hij nog maar € 202,63 per maand aan kinderbijdrage kan voldoen, alsmede stukken betreffende zijn pensioenopbouw.

De man heeft bij al deze stukken geen (nadere) toelichting verstrekt.

5.5

De vrouw heeft voor het eerst ter zitting aan de hand van uitgebreide schriftelijke aantekeningen inhoudelijk verweer kunnen voeren tegen het verzoek/standpunt van de man. Daarbij heeft de vrouw zich primair op het standpunt gesteld dat er weliswaar sprake is van gewijzigde omstandigheden, maar dat die wijzigingen niet zodanig relevant zijn dat dit een inhoudelijke herbeoordeling van de onderhoudsverplichting van de man rechtvaardigt.

5.6

Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat de man ten tijde van de procedure welke heeft geleid tot voormelde beschikking van 24 mei 2007 een inkomen had van € 110.000,-- per jaar.

De advocaat van de vrouw heeft in zijn schriftelijke aantekeningen op basis van de door de man overgelegde stukken ter zitting voorgerekend dat de man, alleen al op basis van de opdrachten die hij vanaf 1 januari 2016 tot 30 september 2016 heeft gehad, een omzet heeft gerealiseerd van € 116.441,--. Geëxtrapoleerd naar een heel jaar is die omzet te stellen op

€ 155.254,--. De man heeft erkend deze opdrachten te hebben gehad tegen het door de vrouw gestelde uurtarief, maar volgens de man is daarbij geen rekening gehouden met vakanties en ziekte.

5.7

De rechtbank is van oordeel dat, zelfs indien rekening zou worden gehouden met vakanties en ziekte (ongeveer 20%) zoals de man stelt, de geëxtrapoleerde omzet nog steeds hoger is dan het jaarinkomen van partijen tijdens het laatste jaar van het huwelijk, op basis waarvan de thans geldende kinderbijdrage is berekend.

5.8

Gelijk de vrouw heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat hieruit reeds volgt dat niet is gebleken van een inkomensachteruitgang aan de zijde van de man ten opzichte van de situatie ten tijde van de procedure welke heeft geleid tot de beschikking van 24 mei 2007. Dit staat nog los van de stelling van de vrouw dat de man in 2013 bij de holding een hypothecaire geldlening voor zichzelf heeft kunnen regelen van € 47.660,--, alsmede dat de man zichzelf in 2014 een dividenduitkering heeft toegekend van € 40.000,--, evenals dat de man in 2015 een eigen vermogen had van € 116.888,--. De vrouw heeft dit allemaal afgeleid uit de door man overgelegde stukken (zie 5.4 hierboven), welke stukken zijdens de man zelf verder niet ter zitting nader zijn toegelicht.

5.9

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van voormelde beschikking van 24 mei 2007. Het verzoek van de man wordt afgewezen.

proceskosten

5.10

In familiezaken wordt in het algemeen besloten tot compensatie van de proceskosten, hetgeen inhoudt dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. Er kunnen zich echter gevallen voordoen waarbij het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om de proceskosten te compenseren. Wil sprake zijn van een dergelijke situatie, dan dient sprake te zijn van het nodeloos in rechte betrekken van de wederpartij. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in de onderhavige zaak sprake is.

De man heeft de onderhavige procedure geëntameerd zonder voorafgaand overleg. In het verzoekschrift is gesteld dat de man de kinderbijdrage niet meer kan betalen en letterlijk aangegeven dat de nieuwe echtgenoot van de vrouw wellicht een deel van de inkomensterugval van de man kan opvangen. De man heeft bij het verzoekschrift geen enkel financieel bewijsstuk overgelegd. Het lijkt hier een “fishing expedition” te betreffen.

Zijdens de vrouw is bij verweerschrift verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren bij gebreke van financiële gegevens zijdens de man, waardoor niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden.

Eerst 8 maanden na indiening van het verzoekschrift, 14 dagen voor de zitting, heeft de man een 30-tal producties overgelegd. Uit de bijgevoegde draagkrachtberekening blijkt dat hij in ieder geval nog over draagkracht voor een kinderbijdrage beschikt van € 578,42 per maand. Vijf dagen voor de zitting heeft hij dit bedrag teruggebracht tot € 202,63 per maand.

Op basis van de door de man overgelegde stukken, is zijdens de vrouw vervolgens op zitting aannemelijk gemaakt dat het inkomen van de man niet is gewijzigd ten opzichte van de vorige beschikking, op grond waarvan de verzochte wijziging zal worden afgewezen.

De wijze waarop de man de procedure is gestart en vervolgens heeft voortgezet, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat een kostenveroordeling op zijn plaats is.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

wijst het verzoek van de man af;

6.2

veroordeelt de man in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de vrouw begroot op € 288,-- aan verschotten en op € 904,-- aan salaris advocaat.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, rechter, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2016.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.