Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:8638

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
10-01-2017
Zaaknummer
C/15/235985 / FA RK 15-7414
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding, afwikkeling huwelijkse voorwaarden en verdeling huwelijksgemeenschap.

Uitleg huwelijkse voorwaarden en staat van aanbrengsten.

Ook de spaarverzekeringen die gekoppeld zijn aan de op de echtelijke woning rustende hypotheek zijn uitgezonderd van de bij de huwelijksvoorwaarden gecreëerde gemeenschap, ondanks het feit dat deze niet op de staat van aanbrengsten staan vermeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

zaak- / rekestnummers: C/15/235985 / FA RK 15-7414, C/15/240799 / FA RK 16-1722

Beschikking van 26 oktober 2016 van de meervoudige familiekamer betreffende de echtscheiding en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. S.S.H. Orsel, gevestigd te Zaandam,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. P.R. Starink, gevestigd te Beverwijk.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, met producties, ingekomen op 20 november 2015;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man van 16 februari 2016, met producties;

- het verweer op zelfstandig verzoek van de vrouw, van 16 maart 2016;

- het F-formulier van de advocaat van de vrouw van 6 april 2016, met producties;

- de brief van de advocaat van de vrouw van 1 september 2016, met productie;

- de brief van de advocaat van de man van 5 september 2016, met producties;

- de brief van de advocaat van de man van 7 september 2016, met producties;

- de brief van de advocaat van de vrouw van 9 september 2016, met producties.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 september 2016.

Partijen zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De man heeft zijn zelfstandig verzoek ter zitting schriftelijk gewijzigd. De advocaat van de man heeft het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [plaats] onder het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

2.2.

Uit het huwelijk van partijen zijn de volgende kinderen geboren:

- [kind] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en

- [kind] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

Scheiding en ouderschapsplan

2.3.

De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en heeft verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken.

De man heeft aangegeven dat hij instemt met de verzochte echtscheiding en heeft zich ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.4.

Het verzoek tot echtscheiding is op de wet gegrond en zal worden toegewezen.

2.5.

Na indiening van het verzoekschrift heeft de vrouw een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan aan de rechtbank doen toekomen.

De man heeft verzocht het door partijen ondertekende ouderschapsplan deel te laten uitmaken van de beschikking.

De vrouw heeft aangegeven hiermee in te stemmen en zich ten aanzien van dit verzoek gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal daarom bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking, nu niet is gebleken dat de daarin tussen partijen vastgelegde afspraken in strijd zijn met de belangen van [kind] en [kind] .

Hoofdverblijfplaats

2.6.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar zal zijn.

De man heeft aangegeven in te kunnen stemmen met het feit dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben en heeft zich ten aanzien van dit verzoek gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.7.

In artikel 2 van het ouderschapsplan is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw zullen hebben en op haar adres ingeschreven zullen staan. Aangezien het ouderschapsplan door beide partijen is ondertekend en executoriale kracht verkrijgt door de beslissing dat het deel uitmaakt van deze beschikking, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw geen belang meer heeft bij haar verzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Onderhoudsbijdragen

2.8.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] en [kind] (hierna ook: kinderbijdrage) aan de vrouw een bedrag van € 400 per kind per maand, alsmede een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 1.500 per maand bij vooruitbetaling dient te voldoen.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft verzocht het verzoek met betrekking tot de kinder- en partnerbijdrage af te wijzen.

Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat de man een kinderbijdrage van € 300 per kind per maand zal voldoen, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Niet in geschil is dat de man bij betaling van een kinderbijdrage ter hoogte van voormeld bedrag geen ruimte heeft voor het betalen van een partnerbijdrage. Partijen hebben verzocht de gemaakte afspraken in de beschikking opnemen. De rechtbank zal in die zin beslissen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.9.

De vrouw heeft verzocht de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande beperkte gemeenschap van goederen en de wijze van afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden vast te stellen zoals omschreven onder de punten 14 tot en met 26 van het verzoekschrift.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft bij zelfstandig verzoek verzocht de [auto] aan de vrouw toe te delen onder de verplichting de helft van de waarde aan de man uit te keren.

De man heeft ter zitting zijn zelfstandig verzoek gewijzigd en tevens verzocht te bepalen dat partijen zullen overgaan tot afwikkeling van de tussen hen bestaande huwelijksvoorwaarden conform de punten 11 tot en met 22 van het verweerschrift.

2.10.

Partijen hebben bij notariële akte van 13 april 2005 huwelijkse voorwaarden opgesteld, waarin onder meer het volgende is bepaald:

‘Wettelijke gemeenschap; privé-vermogen

Artikel 1

  1. Tussen de echtgenoten bestaat de wettelijke gemeenschap van goederen.

  2. Van deze gemeenschap zijn echter uitgezonderd:

  • -

    de goederen en schulden die als aanbreng van een echtgenoot zijn vermeld op na te melden staat van aanbrengsten en al hetgeen voor bovengenoemde goederen in de plaats is getreden;

  • -

    de goederen die een echtgenoot tijden het huwelijk krachtens erfrecht of schenking verkrijgt alsmede de op die verkrijging drukkende schulden en de wegens die verkrijging geheven belastingen als successierecht, schenkings- en overgangsrecht;

  • -

    goederen die door een echtgenoot zijn verkregen en die door hem voor meer dan de helft zijn voldaan met aan hem toebehorende middelen die van de gemeenschap zijn uitgesloten;

  • -

    de rechten en verplichtingen die verband houden met een levensverzekering als bedoeld in artikel 4 van deze huwelijkse voorwaarden.

Inkomsten, rente en kosten

Artikel 2

  1. (…)

  2. De rente van schulden die behoren tot het privé-vermogen en alle kosten van de daartoe behorende goederen komen, voor zover artikel 3 niet anders bepaalt, ten laste van het privé-vermogen.

Kosten van de huishouding

Artikel 3

  1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding komen ten laste van het gemeenschappelijk inkomen van de echtgenoten en, indien dit onvoldoende is, ten laste van ieders inkomen naar evenredigheid. Zijn de inkomens ontoereikend dan komen deze kosten ten laste van het gemeenschappelijk vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de privé-vermogens naar evenredigheid. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

  2. Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen, de premies voor de gebruikelijke verzekeringen, de kosten van vakanties, de huurprijs van de echtelijke woning en rente van geldleningen die verband houden met de aanschaf van de echtelijke woning en de vakantiewoning.

  3. (…)

  4. De echtgenoot die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan hij op grond van het bepaalde in dit artikel zou moeten dragen, kan dit meerdere van de andere echtgenoot terugvorderen, mits hij die vordering instelt binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar.

(…)

Vergoedingsrechten

Artikel 5

Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking en is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.

.

(…)

Pensioen

Artikel 7

Bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed worden de door de echtgenoten opgebouwde pensioenaanspraken verevend conform het bepaalde in de artikelen 2 en 3 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

(…)

Verrekening overige oudedagsvoorzieningen

Artikel 8

Bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed wordt de waarde van aanspraken op een oudedagsvoorziening, die geen pensioenrechten zijn in de zin van de Wet vervening pensioenrechten bij scheiding, bij helfte verrekend.

(…)

Aanbreng

Artikel 11

De goederen en schulden die de echtgenoten ten huwelijk aanbrengen zijn vermeld op een door de verschenen personen en mij, notaris, ondertekende staat die aan deze akte wordt gehecht.’

2.11.

Op de staat van aanbrengsten, die deel uitmaakt van voormelde akte, staat onder meer het volgende vermeld:

‘Door [de man] wordt ten huwelijk aangebracht:

  • -

    het woonhuis (helft van een stolpboerderij), met inpandige berging, schuur, ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden, staande en gelegen te [plaats]

  • -

    de hypothecaire geldlening ten behoeve van de [bank] ., gevestigd te [plaats] ), welke is aangegaan ter financiering van de aankoop van gemeld woonhuis, alsmede elke andere (hypothecaire) geldlening welke daarvoor in de plaats komt, danwel is aangegaan om redenen welke verband houden met een verbouwing/verbetering van gemeld woonhuis danwel iets dergelijks;

  • -

    de onderneming, zijnde eenmanszaak, uitgeoefend onder de naam “ [onderneming] ”, gevestigd te [plaats] , alsmede alle bezittingen en schulden welke daartoe behoren.’

2.12.

Partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat tussen hen een wettelijke gemeenschap van goederen bestaat, met uitzondering van een aantal goederen.

Zij verschillen van mening over de uitleg en afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

Meedelen in waardestijging woning en spaarhypotheekverzekeringen

De vrouw erkent dat de echtelijke woning, de daarop rustende hypotheek en de aan de hypotheek gekoppelde spaarverzekeringen op grond van de huwelijkse voorwaarden zijn uitgesloten van de huwelijksgoederengemeenschap, maar is van mening dat deze niettemin voor verdeling in aanmerking komen. Zij stelt hiertoe dat gedurende het huwelijk sprake was van een traditionele rolverdeling, waarbij de man werkte en de vrouw voor het huishouden en de kinderen zorgde. Daar komt bij, dat partijen in 2007 een nieuwe hypotheek hebben afgesloten (ten behoeve van een verbouwing) die op naam van beide partijen staat en waaraan een tweetal spaarverzekeringen is gekoppeld. De vrouw stelt dat zij heeft bijdragen aan de kosten en de waardestijging van de woning en is van mening dat de overwaarde van de woning gelet op de door haar gestelde omstandigheden in redelijkheid tussen partijen bij helfte moet worden gedeeld.

2.13.

De rechtbank overweegt als volgt.

De vraag hoe partijen de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk hebben geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen de zuiver taalkundige betekenis van de bewoordingen van de bepalingen van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en aan hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, van belang.

2.14.

Uit artikel 1 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden en de staat van aanbrengsten blijkt dat partijen de echtelijke woning, de hypothecaire geldlening bij de [bank] die is aangegaan ter financiering van de aankoop van de woning, en iedere andere hypothecaire geldlening die daarvoor in de plaats komt, of is aangegaan om redenen die verband houden met een verbouwing van de woning, hebben uitgezonderd van de tussen hen gecreëerde gemeenschap van goederen.

2.15.

Vaststaat dat partijen na het opmaken van de huwelijkse voorwaarden een nieuwe hypotheek hebben afgesloten bij [bank] ten behoeve van een verbouwing. De nieuwe hypotheek bij [bank] is kennelijk in de plaats gekomen van de hypotheek bij de [bank] , die partijen in hun huwelijkse voorwaarden expliciet hebben uitgezonderd van de huwelijksgemeenschap. Dit betekent dat ook de hypotheek bij [bank] op grond van de huwelijkse voorwaarden van de tussen partijen gecreëerde gemeenschap is uitgezonderd, zoals ook niet in geschil is tussen partijen.

2.16.

Uit de hypotheekakte blijkt dat ter aflossing van een deel van de geldlening een tweetal levensverzekeringen is afgesloten bij [verzekering] en dat de rechten uit deze verzekeringen zijn verpand aan [bank] . Vaststaat dat de spaarverzekeringen op naam van de man staan en dat alleen de man begunstigde is. Op grond van artikel 2 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden is de man gehouden om de premie van de spaarverzekeringen te voldoen. Gezien zijn veel hogere inkomen is het ook aannemelijk dat hij dit daadwerkelijk heeft gedaan. Uit de hypotheekakte blijkt dat het saldo van de spaarverzekeringen uitsluitend kan worden aangewend voor aflossing van (een deel van) de hypothecaire geldlening, het betreft in feite een uitgestelde aflossing.

2.17.

Onder deze omstandigheden brengt een redelijke uitleg van de huwelijkse voorwaarden naar het oordeel van de rechtbank mee, dat ook de aan de hypotheek gekoppelde spaarverzekeringen van de gemeenschap zijn uitgezonderd. Ook als de spaarverzekeringen niet waren afgesloten, zou de man de aflossing van de hypotheek immers uit zijn privé vermogen hebben moeten financieren. Het feit dat de vrouw hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypothecaire geldlening maakt dit niet anders.

2.18.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat tijdens het huwelijk sprake was van een traditionele rolverdeling niet zodanig bijzonder is, dat partijen in redelijkheid niet aan de huwelijkse voorwaarden gehouden zouden kunnen worden. Dit betekent dat de woning, alsmede de daarbij behorende hypothecaire geldlening en de aan de hypotheek gekoppelde spaarverzekeringen tot het privé vermogen van de man behoren en dat er geen grond is voor verdeling van de overwaarde. De rechtbank gaat ervan uit dat de man zich zal inspannen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid, zoals hij heeft toegezegd.

zakelijke rekening

2.19.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de bankrekening met nummer [nummer] op naam van de man ook moet worden verdeeld, in die zin dat deze aan de man wordt toegedeeld en dat het saldo op de peildatum bij helfte tussen partijen wordt gedeeld. Ter zitting heeft de vrouw hieraan toegevoegd dat ook zij er intussen van uit gaat dat de garageboxen deel uitmaken van de onderneming van de man, zodat de rechtbank daarop niet meer apart hoeft te beslissen. De vrouw verzoekt nog wel mee te delen in de waarde van de garageboxen door middel van verdeling van de zakelijke bankrekening.

De man betwist dat de bankrekening voor verdeling in aanmerking komt, aangezien deze deel uitmaakt van de onderneming van de man, die is uitgezonderd van de tussen partijen gecreëerde huwelijksgoederengemeenschap.

2.20.

Tussen partijen staat vast dat de bankrekening een zakelijke rekening betreft en dat het saldo van deze rekening deel uitmaakt van de onderneming van de man. Dit betekent dat deze rekening op grond van de huwelijkse voorwaarden is uitgezonderd van de huwelijksgemeenschap. De vrouw heeft haar stelling dat het saldo van deze bankrekening desondanks verdeeld moet worden tegenover de gemotiveerde betwisting van de man onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat sprake is van vermogensvermenging is daartoe onvoldoende. De vrouw heeft niet gesteld laat staan aannemelijk gemaakt welk deel van het saldo op de bankrekening tot de huwelijksgemeenschap behoort, terwijl de man onweersproken heeft gesteld dat geen sprake is van overgespaard inkomen en het saldo op de zakelijke rekening een financiële reserve vormt die hij nodig heeft voor zijn onderneming.

2.21.

Voor zover de vrouw zich op het standpunt heeft gesteld dat zij een vergoedingsrecht heeft naar aanleiding van betalingen die van de zakelijke rekening zijn gedaan, overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de vrouw meer heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan waartoe zij op grond van de huwelijkse voorwaarden gehouden was en dat evenmin is gebreken dat sprake is van onttrekkingen aan het privé vermogen van de vrouw.

2.22.

De rechtbank merkt nog op dat de beslissing met betrekking tot de zakelijke rekening met zich brengt dat eventuele vorderingen van de Belastingdienst voor rekening en risico van de man komen.

Eventuele teruggave inkomstenbelasting 2014 en 2015 dienen bij helfte gedeeld te worden.

Verdeling wettelijke gemeenschap

2.23.

Partijen hebben ter zitting desgevraagd aangegeven dat hun verzoeken strekken tot het vaststellen van de verdeling dan wel het gelasten van de wijze van verdeling van de goederen die deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap. Voor zover partijen op onderdelen overeenstemming over de (wijze van) verdeling hebben bereikt, is de rechtbank ingevolge artikel 3:185 van het Burgerlijk Wetboek niet bevoegd om daarover te beslissen.

2.24.

Partijen zijn het erover eens dat als peildatum voor het bepalen van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap de wettelijke peildatum geldt, te weten de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, dat is 20 november 2015. Als peildatum voor de waardering van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen anders overeen zijn gekomen.

2.25.

Partijen zijn het erover eens dat de huwelijksgemeenschap in ieder geval uit de volgende bestanddelen bestaat:

  1. de inboedel;

  2. de personenauto van het merk [auto] .

a. inboedel

2.26.

Partijen zijn het er over eens dat de inboedel in onderling overleg wordt verdeeld, zonder verrekening.

Zij hebben ter zitting afgesproken dat de vrouw vrijdag [datum] de spullen ophaalt die de man al heeft klaar staan en dat de man zal zorgen dat de spullen op een voor de vrouw toegankelijke (overdekte) plaats staan.

Voor het geval partijen niet tot overeenstemming komen over de wijze van verdeling van de overige inboedelgoederen, zal de rechtbank de verdeling van de inboedel gelasten en wel op de volgende wijze. Partijen stellen een gezamenlijke lijst op waarop de te verdelen inboedelgoederen staan vermeld. Door middel van het opgooien van een munt wordt bepaald wie begint met kiezen en vervolgens kiezen partijen om-en-om een inboedelgoed, een en ander zonder nadere verrekening. Uiteraard staat het partijen vrij om in gezamenlijk overleg de inboedel volgens een andere methode te verdelen.

b. auto’s

2.27.

De man heeft voorgesteld om de [auto] toe te delen aan de vrouw. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij geen prijs stelt op toedeling van de [auto] aan haar. De rechtbank zal de [auto] daarom toedelen aan de man, zoals de man in zijn pleitnota heeft verzocht. Partijen zijn het erover eens dat dat de waarde van de [auto] tussen partijen moet worden verrekend en zijn het er ter zitting over eens geworden dat de waarde van de [auto] op de peildatum € 7.500 bedroeg. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man € 3.750 aan de vrouw dient te vergoeden.

2.28.

Uit de stukken blijkt dat de man na het uiteengaan van partijen een [auto] heeft aangeschaft, maar dat hij deze inmiddels weer heeft verkocht. Omdat niet kan worden vastgesteld of deze auto op de peildatum deel uitmaakte van de gemeenschap, laat de rechtbank dit punt buiten de verdeling.

Tot slot

spaarrekeningen kinderen

2.29.

Voor zover er sprake is van spaarrekeningen die op naam van de kinderen staan, gaat de rechtbank ervan uit dat de saldi op deze rekeningen aan de kinderen toebehoren en geen deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

pensioen

2.30.

Partijen zijn het erover eens dat de pensioenaanspraken die zij tijdens het huwelijk hebben opgebouwd worden verevend conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. De man moet de vrouw informatie verstrekken over zijn pensioenaanspraken, zoals ter zitting is besproken.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;

3.2.

bepaalt dat het door de vrouw op 5 april 2016 en het door de man ondertekende ouderschapsplan, waarvan een kopie aan deze beschikking is gehecht, als in deze beschikking opgenomen moet worden beschouwd;

3.3.

bepaalt dat de man € 300 per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van

- [kind] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en

- [kind] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.4.

gelast de wijze van verdeling ten aanzien van de inboedel op de wijze zoals in hiervoor in rechtsoverweging 2.26 is overwogen;

3.5.

stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast:

aan de man wordt toegedeeld: de [auto] ;

3.6.

bepaalt dat de man wegens overbedeling aan de vrouw een bedrag van € 3.750 zal voldoen;

3.7.

verklaart de beslissingen onder 3.3 tot en met 3.6 uitvoerbaar bij voorraad;

3.8.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, voorzitter, mr. D.H. Steenmetser-Bakker, en mr. P.R. de Geus, allen tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P.M. van Dullemen op 26 oktober 2016.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..