Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:8492

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
13-10-2016
Zaaknummer
4107794 CV EXPL 15-3920
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Handmatige wijzigingen in Navisionsysteem. Ontslag op staande voet.

Werknemer heeft zich schuldig gemaakt aan frauduleuze praktijken waardoor hij op slinkse wijze voorraad uit de administratie heeft laten verdwijnen. Daardoor kon lang onopgemerkt blijven dat die voorraad, zonder dat daar inkomsten tegenover stonden, uit de macht van de werkgever verdween. Ontslag op staande voet is geldig en blijft in stand.

Werkgever heeft schade geleden door het onrechtmatig handelen van werknemer. Toewijzing van de gevorderde schadevergoeding in reconventie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2961
AR-Updates.nl 2016-1133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 4107794 \ CV 15-3920

Uitspraakdatum: 17 februari 2016

Vonnis in de zaak van:

[eiser]

te [woonplaats]

eiser in de zaak van de vordering, verweerder in de zaak van de tegenvordering

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. T.H.S.P. de Jonge

tegen

de besloten vennootschap [gedaagde]

te [vestigingsplaats]

gedaagde in de zaak van de vordering, eiseres in de zaak van de tegenvordering

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. R. Gijsen

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 29 april 2015 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

Op 11 november 2015 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van [eiser] bij brief van 26 oktober 2015 een productie in het geding gebracht en heeft de gemachtigde van [gedaagde] bij brief van
5 november 2015 en faxbericht van 9 november 2015 nog stukken toegezonden.

1.3.

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is een groothandel in dak(bedekkings)materialen. Zij heeft momenteel
19 vestigingen in Nederland, waaronder een vestiging in [vestigingsplaats] .

2.2.

[eiser] is op 17 april 2000 in dienst getreden bij [gedaagde] als buitendienstmedewerker voor 40 uur in de week. De arbeidsovereenkomst is aanvankelijk aangegaan voor bepaalde tijd, te weten tot 16 april 2001. Daarna is de arbeidsovereenkomst stilzwijgend verlengd.

2.3.

In de arbeidsovereenkomst zijn onder meer de volgende bedingen opgenomen:

Artikel 13 concurrentiebeding

(…) d Het is de werknemer zonder schriftelijke toestemming van de werkgever verboden om, in de gehele Benelux, Duitsland binnen een tijdvak van 3 jaar na beëindiging der dienstbetrekking zelf in enigerlei vorm een zaak zoals omschreven in de hiernavolgende alinea, gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van de werkgever te vestigen, te drijven, hetzij direct, hetzij indirect, alsook financieel in welke vorm ook bij een dergelijke zaak belang te hebben, direct of indirect, of daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn (…)

e Onder zaken die gelijk, gelijksoortig of aanverwant zijn aan die van de werkgever worden met name begrepen zaken die zich hetzij uitsluitend hetzij zijdelings, bezighouden met het leveren, produceren of verwerken van een of meer goederen of diensten welke op het moment van beëindiging van de arbeidsovereenkomst eveneens door de werkgever worden geleverd, geproduceerd of verwerkt. (…)

f Het is de werknemer verboden om binnen een tijdvak van 3 jaar na beëindiging der dienstbetrekking contacten in welke vorm en in welke voege dat ook, aan te gaan c.q. te onderhouden, met derden die gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst afnemer of leverancier waren (…) van de werkgever (…)

i Het is de werknemer verboden dienst- of samenwerkingsverbanden (…) aan te gaan met de navolgende met name genoemde of omschreven bedrijven (…)

Bij overtreding van elk der in bovengenoemde artikelen omschreven verboden verbeurd de werknemer ten behoeve van de werkgever een dadelijk (…) opeisbare (…) boete van f 50.000,- per overtreding, te vermeerderen met (…) f 5.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd zijn gehoudenheid tot betaling aan werkgever van een volledige schadevergoeding (..) indien deze schade meer dan gemeld boetebedrag mocht belopen (…)”

2.4.

[eiser] verrichte zijn werkzaamheden vanuit [vestigingsplaats] . [eiser] hield zich onder meer bezig met het maken van offertes voor en de verkoop van de producten van [gedaagde] , onderhield het klantenbestand en had toegang tot de administratie van [gedaagde] .

2.5.

Voor de verwerking van de in- en verkoop van haar producten hanteert [gedaagde] het zogenaamde Navisionsysteem (Navision). Degenen met toegang tot dat systeem kunnen daarop inloggen met hun persoonlijke inlogcode. In het systeem worden ook offertes en facturen aangemaakt. De systeembeheerder bij [gedaagde] is [systeembeheerder van gedaagde] ( [systeembeheerder van gedaagde] ).

2.6.

Het laatstverdiende loon van [eiser] bedraagt € 4.357,24 per maand exclusief vakantietoeslag en emolumenten.

2.7.

Een collega van [eiser] in het filiaal [vestigingsplaats] , [collega eiser] ( [collega eiser] , is op staande voet ontslagen, nadat uit intern onderzoek is gebleken dat hij handmatig facturen in Navision had gewijzigd naar zogenaamde 0-facturen. [gedaagde] heeft ook intern onderzoek gedaan naar de wijze waarop [eiser] zijn taken heeft uitgevoerd.

2.8.

[eiser] heeft in een e-mail van 18 januari 2015 aan [directeur van gedaagde] ( [directeur van gedaagde] , directeur van [gedaagde] , de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 30 april 2015. [eiser] heeft [gedaagde] in die e-mail onder meer verzocht het concurrentiebeding te laten vervallen en in te stemmen met een relatiebeding voor de duur van één jaar.

2.9.

[directeur van gedaagde] heeft in zijn reactie van dezelfde dag aan [eiser] de opzegging geaccepteerd en - onder meer - geschreven:
“(…) Voordat wij op uw overige verzoeken ingaan willen wij graag eerst constateren of u zich inderdaad tot en met de laatste werkdag ten volle heeft ingezet voor [gedaagde] (…) Ik stel voor dat wij elkaar vlak voor uw laatste werkdag c.q. als wij zicht hebben op de manier van afwikkeling, ergens in het land treffen om o.a. over uw overige verzoeken een gesprek te voeren. (…)”

2.10.

[directeur van gedaagde] heeft [eiser] in een e-mail van 23 februari 2015 uitgenodigd voor een gesprek op 27 februari 2015 in het filiaal van [gedaagde] in [plaats] . In de e-mail staat dat het gesprek gaat over de afwikkeling van het concurrentiebeding.

2.11.

Op 27 februari 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [directeur van gedaagde] en [manager gedaagde] (manager, hierna: [manager gedaagde] van [gedaagde] , mr. Gijsen, de advocaat van [eiser] en [eiser] . [directeur van gedaagde] heeft [eiser] aan het eind van het gesprek op staande voet ontslagen. [eiser] heeft die dag op verzoek van [gedaagde] de hem ter beschikking gestelde bedrijfseigendommen overhandigd.

2.12.

[directeur van gedaagde] heeft op 27 februari 2015 in een interne e-mail aan alle medewerkers van [gedaagde] het volgende geschreven:
“ [voornaam 1] [eiser] werkt niet meer bij [gedaagde] . Er waren gegronde redenen o.a. ernstige economische benadeling van [gedaagde] om zijn dienstverband met onmiddellijk ontslag op staande voet te beëindigen hetgeen rond 12:30 uur heden middag een feit was.

Wij hebben [voornaam 1] [eiser] verboden om nog bij [gedaagde] binnen te komen of contact met ons of onze klanten te onderhouden.

Dus ook als “toekomstige klantrelatie” zijn we absoluut niet geïnteresseerd in hem.

We gaan filiaal [vestigingsplaats] met een nieuw team opbouwen (...)”

2.13.

[eiser] heeft nog op 27 februari 2015 per e-mail het ontslag op staande voet vernietigd.

2.14.

Mr. Gijsen heeft in zijn begeleidende brief van 2 maart 2015 aan [gedaagde] onder meer het volgende geschreven:
“(…) U bent aan het einde van dat gesprek (toevoeging kantonrechter: op 27 februari 2015) op staande voet ontslagen. De redenen daarvoor zijn aan u mondeling medegedeeld en toegelicht en worden hierbij nogmaals - kort - bevestigd.

Cliënte heeft aangegeven dat in het kader van het eind vorig jaar gestarte onderzoek naar een aantal verdachte zaken en transacties rondom een andere – inmiddels ex-medewerker van [gedaagde] te [vestigingsplaats] , zich recent ook concreet op u heeft gericht. De aanleiding daarvoor was onder andere een telefoontje van een klant van [gedaagde] de dag voorafgaande aan ons gesprek, die in het bijzonder vroeg naar u in verband met de afmeting (…) van de eerder door hem “zwart gekochte” pallet dakrollen, die zonder etiketten waren geleverd. Dit is terstond aan de directie van [gedaagde] gemeld.

Naar aanleiding daarvan is met spoed een nader onderzoek ingesteld en zijn -voorzover mogelijk- de kasboektransacties op uw naam en de op uw naam en met uw toegangscode van het computersysteem van [gedaagde] aangemaakte facturen over de afgelopen periode onderzocht. Daarbij is gebleken dat er door u een groot aantal 0-facturen en/of facturen met 0-regels is aangemaakt, waarop de door het computersysteem automatisch overgenomen in- en verkoopprijzen van de producten handmatig zijn veranderd in 0 euro. Zodoende werden die producten zonder deze feitelijk aan de klant door te berekenen van de voorraad afgeboekt en zijn deze niet meer traceerbaar. Deze handelwijze blijft ook onopgemerkt voor de administratie en debiteurenbeheer.

(…)

Desgevraagd zei u (…) dat u niemand anders binnen of buiten [gedaagde] uw toegangscode voor het computersysteem hebt gegeven en dat u niet bekend is dat iemand anders met uw code heeft ingelogd of gewerkt. Er moet dan ook vanuit worden gegaan, dat u de facturen hebt gemaakt. U hebt ook geen enkele alternatieve verklaring gegeven.

Op de vervolgens aan u getoonde facturen, meer in het bijzonder (…) de 0-factuur van 5 juni 2014, gaf u aan dat deze factuur u niets zegt. U hebt geen verklaring gegeven voor het feit dat daarop 100 dakrollen tegen 0 euro zijn “gefactureerd”, terwijl de op de factuur staande klant deze dakrollen niet heeft en de factuur niet kent. U heeft geen verklaring gegeven waar deze 100 dakrollen zijn gebleven. Hetzelfde geldt voor alle andere goederen op de betreffende facturen. Het had volgens u ook geen zin alle andere facturen door te lopen.

Voornoemde feiten en omstandigheden kunnen overigens niet los worden gezien van de overige kwesties, die met u zijn besproken en waarvoor ik verwijs naar het nog toe te zenden gespreksverslag. Deze feiten en omstandigheden leveren een dringende reden op voor ontslag op staande voet in de zin van onder andere artikel 7: 678 lid 2 aanhef onder d, g, j en k BW.

In dit verband worden nog genoemd:

  • -

    het zonder overleg en toestemming met de directie van cliënte uitbetalen van provisies aan personen, al dan niet voor het aanleveren van opdrachten;

  • -

    het op onverklaarbare wijze buiten de administratie houden van leveringen van goederen waarvan – bij gebreke van enige toelichting door u – niet meer traceerbaar is waar de goederen, zijn gebleven door geen officiële op naam gestelde- lever(…)bon of factuur te maken;

  • -

    het in weerwil van de door cliënte jegens bepaalde klanten afgekondigde leverblokkade in het computersysteem waardoor zelfs geen orders ingevoerd konden worden, toch doorleveren terwijl de facturatie werd opgeschort/uitgesteld/afgesteld. (…)”

2.15.

Het gespreksverslag van 27 februari 2015 is op 6 maart 2015 aan de advocaat van [eiser] gezonden.

2.16.

Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van
9 november 2015 is per 11 maart 2015 de eenmanszaak [bedrijfsnaam] op naam van [eiser] ingeschreven. Als activiteiten staan in dit register vermeld “het sluiten van onderhoudscontrac-ten ten behoeve van dakbeheer; verrichten van levensduurverlengend onderhoud aan vlakke daken; geven van advies over en montage en applicatie van dakveiligheidsprodukten en kunststof dakbedekkingen.” [eiser] is in zijn onderneming als dakdekker werkzaam.

3 De vorderingen

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van: € 4.575,10 bruto aan achterstallig loon over de maanden februari en maart 2015 en de nog te betalen emolumenten over april 2015, dit alles te vermeerderen met de wettelijke verhoging, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert [eiser] een verklaring voor recht dat [gedaagde] geen beroep meer kan doen op het concurrentiebeding en/of relatiebeding in de arbeidsovereenkomst van [eiser] en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vorderingen het volgende - kort weergegeven - ten grondslag. [gedaagde] heeft zonder vermelding van een (geldige) dringende reden [eiser] op
27 februari 2015 op staande voet ontslagen. [eiser] heeft tijdig de nietigheid van het gegeven ontslag op staande voet ingeroepen.
[gedaagde] heeft voorts in strijd met goed werkgeverschap gehandeld door in de e-mail van
27 februari 2015 aan haar personeel onrechtmatige informatie over [eiser] te geven. Het is zeer waarschijnlijk dat de inhoud van deze e-mail buiten [gedaagde] terecht is gekomen bij onder meer bedrijven en personen met wie [eiser] - privé en zakelijk - te maken heeft gehad of zal hebben. Daarom kan [gedaagde] geen rechten ontlenen aan het concurrentiebeding en/of het relatiebeding in de arbeidsovereenkomst met [eiser] .

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen en voert daartoe - samengevat - het volgende aan.

4.2.

Aan het op 27 februari 2015 gegeven ontslag op staande voet liggen dringende redenen ten grondslag. Het ontslag is ook onverwijld gegeven en de aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen zijn [eiser] gemeld in voornoemd gesprek en zijn bevestigd in de brief van mr. Gijsen van 2 maart 2015. [eiser] heeft tijdens het gesprek dat aan het ontslag op staande voet voorafging erkend dat hij fouten heeft gemaakt in de verwerking van een groot aantal transacties. Voor andere, niet correcte transacties die met hem zijn besproken heeft [eiser] geen afdoende verklaring willen of kunnen geven. Bij die transacties ging het om: het handmatig veranderen van verkoopprijzen van (gedeeltes) van facturen naar 0 (het zonder aanleiding aanmaken van zogenaamde 0-factuur), het aanbieden of geven van geld/provisies/steekpenningen voor het verkrijgen van opdrachten en het leveren aan klanten waaraan niet mocht worden geleverd. Naar eigen zeggen van [eiser] zou dit bij twee of drie klanten zijn voorgekomen, waarbij het telkens om tien keer per klant is gegaan.

4.3.

Met zijn handelwijze heeft [eiser] [gedaagde] doelbewust en met opzet benadeeld.
De goederen waarvoor een 0-factuur is aangemaakt, zijn immers uit de handelsvoorraad van [eiser] verdwenen en deze heeft [eiser] zich toegeëigend hetzij aan klanten geleverd zonder dat daar een betaling tegenover stond. Het is daarnaast ten strengste verboden bij [gedaagde] bedragen/steekpenningen of cadeaus te geven om opdrachten te krijgen. Ook de overige met [eiser] op 27 februari 2015 besproken incidenten leveren ieder op zich een dringende reden op voor het gegeven ontslag op staande voet. [eiser] heeft tegen het hem gezonden gespreksverslag geen (inhoudelijke bezwaren) geuit.

4.4.

[gedaagde] vordert bij wijze van tegenvordering (samengevat) dat de kantonrechter bij uitvoerbaar te verklaren vonnis:

I. voor recht verklaart dat [eiser] heeft gehandeld in strijd met artikel 13 van zijn arbeidsovereenkomst, en;

II. [eiser] veroordeelt aan [gedaagde] te betalen € 45.378,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening en;
III. [eiser] veroordeelt aan [gedaagde] te betalen € 19.671,94, te vermeerderen met de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, en:

IV. [eiser] te veroordelen in de proceskosten.

4.5.

[gedaagde] baseert de tegenvorderingen op het volgende. [eiser] heeft zijn concurrentie-beding tweemaal overtreden door half april 2015 contacten te hebben met een relatie van [gedaagde] , het bedrijf [bedrijfsnaam XX] , in [vestigingsplaats] en met een gewezen [gedaagde] -medewerker,
[ex medewerker gedaagde] dakdekkerwerkzaamheden uit te voeren aan een winkelcentrum in [plaats XX] , waarbij ook een relatie van [gedaagde] is betrokken, te weten [relatie van gedaagde] . [eiser] heeft daardoor een opeisbare boete van € 22.689,-- per overtreding, totaal € 45.378,-- verbeurd.

[gedaagde] heeft als gevolg van de fraude door [eiser] € 19.671,94 aan schade geleden. Het gaat hierbij om de inkoopprijs en de gemiste marge op de goederen die aan de voorraad zijn onttrokken. Dit bedrag wenst [gedaagde] op [eiser] te verhalen.

5 Het verweer tegen de tegenvordering

5.1.

[eiser] concludeert tot afwijzing van de tegenvordering. Het door hem gevoerde verweer wordt bij de beoordeling besproken.

6 De beoordeling

De vorderingen

6.1.

Uit de door partijen gestelde feiten en omstandigheden maakt de kantonrechter op dat in geschil is of het ontslag op staande voet van 27 februari 2015 vernietigbaar is. In dat verband heeft [eiser] ingesteld: een loonvordering en een vordering tot verklaring voor recht dat [gedaagde] schadeplichtig is en geen beroep meer kan doen op het concurrentiebeding en/of relatiebeding in de arbeidsovereenkomst.

6.2.

Niet in geschil is dat [eiser] het gegeven ontslag op staande voet tijdig heeft vernietigd, zodat [eiser] kan worden ontvangen in zijn vorderingen.

6.3.

Op grond van artikel 7:677 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is ieder van de partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Artikel 7:678 lid 1 BW bepaalt dat voor de werkgever als dringende redenen worden beschouwd ‘zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.’

6.4.

Bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet dient de kantonrechter alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking te nemen. Hierbij moeten de aard en ernst van de aangevoerde dringende reden worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij zijn aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Ook indien de gevolgen van een ontslag op staande voet ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereen-komst gerechtvaardigd was. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden, de onverwijldheid van de opzegging en de gelijktijdige mededeling liggen in dit geval bij de werkgever.

6.5.

Uit de dossierstukken - meer in het bijzonder de brief van mr. Gijsen van 2 maart 2015 en het gespreksverslag van het gesprek van 27 februari 2015 waarin [eiser] op staande voet is ontslagen - en hetgeen op de comparitie van partijen door partijen naar voren is gebracht, maakt de kantonrechter op dat partijen het erover eens zijn dat het voor [eiser] onmiddellijk duidelijk is geweest welke, door [gedaagde] als dringend aangemerkte, redenen door [gedaagde] aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ten grondslag werden gelegd. Daardoor voldoet het ontslag aan de vereisten dat het onverwijld en onder gelijktijdige mededeling daarvan is gegeven.

6.6.

Het gaat er in deze zaak om of sprake is geweest van de dringende redenen.

6.7.

Uit meergenoemde brief van mr. Gijsen en het door [gedaagde] in het geding gebrachte gespreksverslag van 27 februari 2015 valt op te maken dat [gedaagde] [eiser] heeft ontslagen wegens fraude en het niet opvolgen van redelijke instructies, en dat [gedaagde] [eiser] in dat verband specifiek verwijt dat hij:

  1. handmatig verkoopprijzen op door hem vervaardigde facturen in de (geautomatiseerde) administratie van [gedaagde] heeft gewijzigd, waardoor de goederen in de administratie waren afgeboekt en zijn onttrokken aan de voorraad;

  2. zonder overleg met en toestemming van de directie van [gedaagde] provisies aan personen heeft uitbetaald al dan niet voor het aanleveren van opdrachten;

  3. goederen aan klanten heeft geleverd, terwijl voor deze klanten een leverstop gold.

Uit de formulering van de ontslagbrief maakt de kantonrechter op dat [gedaagde] de redenen in onderling verband en separaat als dringend beschouwt.

6.8.

[eiser] heeft erkend dat hij goederen aan klanten heeft geleverd voor wie een leverstop gold, zodat dit feit (zie hiervoor 6.7. onder C) vaststaat. Niet is echter komen vast te staan dat [eiser] hiermee buiten zijn boekje is getreden. Als [gedaagde] hier een (strikt) beleid op voerde, had het op haar weg gelegen dit op ondubbelzinnige wijze duidelijk te maken aan [eiser] . Niet is gesteld of gebleken dat leveren tijdens een leverstop pertinent was verboden, hierop een duidelijk beleid werd gevoerd bij [gedaagde] , [eiser] desondanks de instructies van [gedaagde] in dit kader niet heeft opgevolgd en dat [eiser] hierop is aangesproken.

6.9.

Ook het onder 6.7 onder B genoemde verwijt is naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan. [eiser] heeft betwist dat hij teneinde klanten binnen te halen zonder toestemming van [gedaagde] provisies heeft uitgekeerd of cadeaus heeft gegeven. Op de zitting is komen vast te staan dat de op naam van [eiser] gestelde brief van 7 juni 2011 aan [naam XX] , waarin wordt bevestigd dat hij voor geleverde materialen € 1.250,-- aan provisie contant heeft ontvangen niet van de hand van [eiser] kan zijn, omdat daarop niet de handtekening van [eiser] staat, maar wel de code en de handtekening van [collega eiser] . [eiser] heeft weliswaar gesteld dat hij wel eens goederen cadeau deed aan klanten, maar dat het hierbij ging om acties van de toeleverancier(s) en dat dit ook gebruikelijk was bij [gedaagde] . [gedaagde] heeft tegenover deze stellingen geen nadere concrete feiten naar voren gebracht, waaruit kan worden afgeleid dat [eiser] geen provisie in welke vorm dan ook mocht geven aan klanten. Dat had echter wel op haar weg gelegen. Dat [eiser] ongeoorloofd giften aan klanten heeft gedaan, kan dan ook niet worden vastgesteld.

6.10.

Over het onder 6.7. onder A genoemde verwijt heeft [systeembeheerder van gedaagde] op 4 november 2015 een verklaring opgesteld over de wijze waarop hij onderzoek heeft gedaan naar de facturen die [eiser] heeft gemaakt. In die verklaring staat over het gebruik van Navision en over de op naam van [eiser] gemaakt facturen, voor zover relevant:

“(…) 2. Het systeem Navision genereert bij het aanslaan van goederen bij alle circa 8000 artikelnummers die niet met 999 .. beginnen in elke artikelregel/tabel automatisch de vooraf bepaalde inkoop en verkoopprijs. Als de inkoop- of verkoopprijs van normale artikelnummers (die dus NIET met 999.. beginnen) op nul euro zijn gesteld, kan dat alleen maar met enige extra moeite handmatig door de op het systeem ingelogde persoon gedaan zijn. Het is zelfs bij 999.. artikelnummers verplicht voor de ingelogde gebruiker om zowel de juiste inkoopprijs alsook een winstgevende verkoopprijs in te vullen. Als dat niet is gedaan en de nul is blijven staan, dan concludeert [gedaagde] terecht dat de ingelogde gebruiker zich niet aan de regels houdt. De 999.. artikelnummers mogen zo min mogelijk gebruikt worden. Tegenover de ongeveer 10 stuks tegenover 999.. artikelnummers staan circa 8000 normale artikelnummers die niet met 999.. beginnen en die allen de vooraf bepaalde inkoop en verkoopprijs bevatten (…)

5. Via dit factuurnummer kan je de link leggen naar het digitale factuurbestand. Eenmaal voor akkoord opgemaakte/doorgeslagen factuur wordt opgeslagen in het systeem en kan dan in het systeem niet meer inhoudelijk worden benaderd of worden gewijzigd.

6. Aan dit digitale factuurbestand hangt in het systeem van Navision de algemene informatie, maar ook de informatie welke [gedaagde] -medewerker/gebruiker(windowsinlog) met zijn persoonlijke password was ingelogd op het systeem op het moment dat de betreffende facturen daadwerkelijk werd “doorgeslagen”. Die persoon is dan ook binnen ons bedrijf verantwoordelijk te houden voor de inhoud/opmaak van die factuur.

7. Van de gevonden factuurnummers die zijn gefactureerd door een ingelogde [voornaam 1] [eiser] heb ik (…) een lijst gemaakt met unieke factuurnummers. Binnen dezelfde factuur kwamen een of meerdere nul-regels voor (…) heb ik vervolgens alle facturen geselecteerd, die door (…) [eiser] waren gemaakt en “doorgeslagen” en waarop nul-regels voorkwamen.

9. Deze lijst met factuurnummers van door (…) [eiser] gemaakte facturen, heb ik als filter gebruikt om (…) volgens bijgaande lijst digitaal (in pdf) af te drukken en aan de directie aan te leveren (…)”

6.11.

Bij de hiervoor aangehaalde verklaring van [systeembeheerder van gedaagde] is een lijst met 160 factuurnummers gevoegd. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] door in de facturen 0-regels te maken of 0-facturen te maken ervoor gezorgd dat de op de facturen vermelde goederen waarop de 0-regels/factuur betrekking hadden uit de boekhouding werden gehouden en deze goederen zodoende ook uit de voorraad van [gedaagde] konden verdwijnen. De goederen waarop de onderzochte facturen zagen zijn ook niet in de voorraad van [gedaagde] aangetroffen. Dit was dé manier om [gedaagde] te bestelen, waarover [collega eiser] tegenover [gedaagde] verklaart dat hij zo te werk is gegaan, aldus nog steeds [gedaagde] .

6.12.

[eiser] heeft op de zitting verklaard dat hij zijn inlogcode voor Navision van [systeembeheerder van gedaagde] heeft gekregen, dat buiten [systeembeheerder van gedaagde] en hijzelf niemand anders over de inlogcode kon beschikken of heeft beschikt. Volgens [eiser] kan echter geen bewijswaarde worden toegekend aan de lijst met facturen, omdat deze slechts een samenvatting van de onderliggende facturen is, typefouten bevat, niet helemaal chronologisch lijkt, en op de tweede bladzijde vier facturen bevat waarbij als datum 24 februari 2015 en één factuur
waarbij 9 december 2015 staat vermeld. [gedaagde] heeft daartegenover betoogd dat het bij de facturen met datum 24 februari 2015 gaat om vier facturen uit februari 2012 en dat de factuur waarbij 9 december 2015 is vermeld een factuur uit december 2011 betreft.

6.13.

Bij bestudering van de zes pagina’s tellende lijst met facturen die met de inlogcode van [eiser] handmatig zijn gewijzigd, is de kantonrechter gebleken dat de factuurnummers van oud naar jong oplopen en dat de factuurnummers in geding zijn vermeld tussen (eveneens oplopende) factuurnummers uit de jaren 2011 en 2012. De kantonrechter volgt de uitleg van [gedaagde] dat bij het handmatig overnemen van de data van de onderliggende facturen fouten in de jaartallen zijn geslopen. De onderhavige lijst wordt daarom in samenhang met de verklaring van [systeembeheerder van gedaagde] over hoe deze tot stand is gekomen en de wijze waarop de facturen zijn geselecteerd en gefilterd, meegenomen bij de beoordeling. Daarbij is ook van belang dat [eiser] ter zitting heeft verklaard dat de integriteit van [systeembeheerder van gedaagde] niet ter discussie staat.

6.14.

[gedaagde] heeft ter ondersteuning van haar stelling dat [eiser] net als [collega eiser] met haar producten er een zwarte handel met haar goederen op nahield gewezen op voornoemde lijst en een bij de feiten aangehaalde e-mailwisseling tussen [manager gedaagde] van [gedaagde] en
[naam YY] van [bedrijfsnaam YY] ( [naam YY] ) van onder meer
21 augustus 2015. Naar aanleiding van een e-mail van [manager gedaagde] dat nog een factuur van
4 maart 2014 openstaat, heeft [naam YY] geschreven: “Dit is zwart betaald voor de zoveelste keer! [voornaam 2] [collega eiser] en [voornaam 1] .” en als [manager gedaagde] meldt dat volgens [collega eiser] de factuur niet is betaald: “Ik vind dit voorval erg vervelend (…) maar ik heb 100% de rekening zwart/contant betaald, wij hebben meerdere materialen zo betaald.” De kantonrechter houdt het ervoor dat [naam YY] als hij het heeft over “ [voornaam 1] ” [eiser] bedoelt, aangezien [systeembeheerder van gedaagde] [eiser] in zijn verklaring ook [voornaam 1] noemt. De inhoud van deze e-mails heeft [eiser] overigens niet bestreden.

6.15.

Dat [eiser] , zoals hij heeft verklaard, weleens wegens een achteraf teruggedraaide bestelling handmatig wijzigingen in de administratie heeft moeten uitvoeren, kan wel zo zijn, maar hiermee heeft hij geen afdoende verklaring gegeven voor het feit dat dit sinds 2009 minimaal in 160 facturen is voorgekomen. Daar komt bij dat [eiser] op de zitting net als op 27 februari 2015 geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat op 5 juni 2014 een factuur met nummer [factuurnummer] voor 100 dakrollen op 0 is gezet en dat deze dakrollen zich niet meer in de voorraad van [gedaagde] bevinden.

6.16.

Alles in aanmerking nemende, concludeert de kantonrechter dat [gedaagde] voldoende heeft onderbouwd dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan frauduleuze praktijken, waardoor hij op slinkse wijze voorraad uit de administratie heeft laten verdwijnen, en waardoor lang onopgemerkt kon blijven dat die voorraad zonder dat daar inkomsten tegenover stonden uit de macht van [gedaagde] verdween.

6.17.

Hoewel uit het voorgaande volgt dat slechts een gedeelte van het door [gedaagde] als dringende reden meegedeelde feitencomplex is komt vast te staan, is het ontslag op staande voet naar het oordeel van de kantonrechter toch geldig. Het gedeelte van de feiten dat vaststaat kan op zichzelf worden beschouwd als een dringende reden. Daarbij is van belang dat het voor [eiser] in het licht van de aanzegging en de overige omstandigheden van het geval onmiddellijk duidelijk was dat [gedaagde] hem ook zou hebben ontslagen indien zij, anders dan [gedaagde] blijkens de ontslagaanzegging meende, daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan, of dat daarover bij [eiser] , gelet op de omstandigheden van het geval, in redelijkheid geen twijfel kan hebben bestaan. In het gesprek van 27 februari 2015 heeft [gedaagde] immers de nadruk gelegd op de handmatige wijzigingen in Navision en het feit dat goederen waarvan de verkoopprijs op 0 was gesteld, zodoende uit de administratie verdwenen en ook daadwerkelijk uit de voorraad van [gedaagde] zijn verdwenen. De omstandigheid dat het Werkbedrijf UWV (UWV) [eiser] in een beslissing van 27 augustus 2015 een WW-uitkering heeft toegekend, omdat in haar visie de dringende reden niet is komen vast te staan, maakt dit oordeel niet anders. Uit de door [eiser] overgelegde beslissing van UWV blijkt namelijk dat UWV alleen over de ontslagbrief en het gespreksverslag van 27 februari 2015 beschikte en niet over de verklaring van [systeembeheerder van gedaagde] , de lijst met dubieuze facturen en de e-mailwisseling tussen [manager gedaagde] en [naam YY] .

6.18.

Nu niets is gesteld of gebleken over persoonlijke omstandigheden van [eiser] , die zouden kunnen maken dat het ontslag onder de gegeven omstandigheden een te vergaand middel is, concludeert de kantonrechter dat het ontslag op staande voet in stand blijft en dat de vordering tot betaling van achterstallig loon, vakantiegeld en overige emolumenten als ongegrond moet worden afgewezen.

6.19.

Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde] [eiser] kan houden aan het in artikel 13 van het in de arbeidsovereenkomst overeengekomen concurrentiebeding (het concurrentieding) gaat de kantonrechter uit van het bepaalde in artikel 7: 653 lid 4 BW, zoals dat is komen te luiden na 1 januari 2015. Deze bepaling regelt dat de werkgever geen rechten kan ontlenen aan een beding als het onderhavige, indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeids-overeenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

6.20.

Hiervoor heeft de kantonrechter al overwogen dat het ontslag op staande voet op goede gronden is gegeven, zodat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [gedaagde] niet is komen vast te staan. De omstandigheid dat [gedaagde] ná het ontslag op staande voet binnen het bedrijf heeft gemeld dat [eiser] was ontslagen, kan er in elk geval niet toe leiden dat [gedaagde] uit hoofde van voornoemde wetsbepaling geen rechten zou kunnen ontlenen aan het concurrentiebeding, zoals [eiser] heeft gesteld. Zo [eiser] heeft bedoeld te stellen dat [gedaagde] met het verzenden van de e-mail onrechtmatig heeft gehandeld of zich niet als goed werkgeefster heeft gedragen jegens [eiser] , is dit standpunt onvoldoende onderbouwd en valt daarnaast niet in te zien dat hierdoor het concurrentiebeding haar geldigheid heeft verloren.

6.21.

Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [gedaagde] in de zin van artikel 7:653 lid 4 BW. Het concurrentiebeding heeft haar gelding gehouden en de vordering op dit onderdeel wordt dan ook afgewezen.

6.22.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt.

De tegenvorderingen

6.23.

[gedaagde] baseert haar vorderingen met betrekking tot het concurrentiebeding er uitsluitend op dat [eiser] zakelijke contacten heeft gehad met relaties van [gedaagde] . Het gaat om [bedrijfsnaam XX] uit [vestigingsplaats] en [relatie van gedaagde] uit [plaats ZZ] . Dit heeft [eiser] bestreden. Hij heeft in verband hiermee nog aangevoerd dat hij [relatie van gedaagde] op een klus - de bouw van het winkelcentrum [plaats QQ] - is tegengekomen maar dat zij niet met elkaar samenwerken. De kantonrechter heeft geconstateerd dat geen van beide bedrijven in de lijst met relaties onder i in het concurrentiebeding zijn vermeld. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan dus niet worden vastgesteld dat de hiervoor genoemde ondernemingen klant waren van [gedaagde] gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst van [eiser] en dat [eiser] het concurrentiebeding heeft overtreden door zich aan te bieden als leverancier of een samenwerking met deze bedrijven aan te gaan. Omdat [gedaagde] haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, passeert de kantonrechter het bewijsaanbod van [gedaagde] . Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen op de onderdelen I en II worden afgewezen.

6.24.

De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [gedaagde] dat zij haar onder III gedane vordering tot betaling van schadevergoeding stoelt op onrechtmatige daad door [eiser] jegens haar begaan.

6.25.

De kantonrechter stelt voorop dat [eiser] zich niet heeft verweerd tegen deze vordering. Uit rechtsoverweging 6.16 volgt dat [eiser] onrechtmatig tegenover [gedaagde] heeft gehandeld door in de administratie foute informatie te vermelden. Als onweersproken staat voorts vast dat [gedaagde] door het handelen van [eiser] schade heeft geleden. Over de gevorderde schade in verband met de door [eiser] opgestelde 0-facturen heeft [gedaagde] onder verwijzing naar meergenoemde lijst van facturen gesteld dat zij schade van tenminste € 19.671,94 heeft geleden. Omdat [eiser] geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de (berekende) hoogte van de schade, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van het door [gedaagde] opgevoerde schadebedrag. Deze schade moet [eiser] aan [gedaagde] vergoeden. Daarnaast is [eiser] de daarover gevorderde wettelijke rente verschuldigd; deze wordt toegewezen vanaf 8 juli 2015, de datum waarop de tegenvorderingen zijn ingesteld.

6.26.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

7 De beslissing

De kantonrechter:

de vorderingen

7.1.

wijst de vorderingen af;

7.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 800,-- aan salaris van de gemachtigde van [gedaagde] en verklaart het vonnis voor wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

de tegenvorderingen

7.3.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van € 19.671,94, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2015 tot aan de dag van de gehele betaling;

7.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

7.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

7.6.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. van Dijk, kantonrechter, en op 17 februari 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter