Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:8196

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
4970259 / AO VERZ 16-134
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Na UWV procedure verzoek herstel arbeidsovereenkomst door werknemer. Gelet op het verweer van werknemer heeft werkgever de bedrijfseconomische omstandigheden onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3121
AR-Updates.nl 2016-1202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 4970259 / AO VERZ 16-134

Uitspraakdatum: 14 juni 2016

Beschikking in de zaak van:

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. R.G.N. le Roy

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[werkgever]

gevestigd te [vestigingsplaats]

verwerende partij

verder te noemen: [werkgever]

verschenen bij haar directeur [directeur] en [controller] (controller)

1 Het procesverloop

1.1.

De werknemer heeft een verzoek gedaan, primair om de werkgever te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen, en subsidiair om ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toe te kennen. De werkgever heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 17 mei 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] , geboren op [geboortedatum] 1983, is op 7 april 2008 in dienst getreden bij [werkgever] . De laatste functie die de werknemer vervulde, is die van medewerker schadeafhandeling, schadebehandelaar, met een salaris van € 1.942,50 bruto per maand.

2.2.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft bij besluit van

14 december 2015 aan de werkgever toestemming gegeven voor opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 17 december 2015 opgezegd met ingang van 1 februari 2016.

3 Het verzoek

3.1.

[werknemer] verzoekt [werkgever] primair te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen, op grond van artikel 7:682 lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Subsidiair verzoek [werknemer] veroordeling van [werkgever] tot betaling van een billijke vergoeding, op grond van artikel 7:682 lid 1, onderdeel b BW.

3.2.

Aan het primaire verzoek legt [werknemer] ten grondslag – kort gezegd – dat de opzegging door de werkgever in strijd is met artikel 7:669 lid 3, onderdeel a, BW en dat geen sprake is van een situatie waarin ontslag wegens een bedrijfseconomische reden gerechtvaardigd is. In dat kader heeft de werknemer het volgende aangevoerd. Door [werkgever] is geen redelijke grond voor ontslag gesteld. [werkgever] baseert het verzoek op organisatorische en technologische veranderingen, op basis waarvan de werkzaamheden van [werknemer] zouden zijn gereduceerd. De onderbouwing die [werkgever] daarvoor geeft ziet niet op de afdeling schade, waar [werknemer] werkzaam is. Daarnaast betwist [werknemer] dat haar werkzaamheden structureel zijn afgenomen. [werkgever] onderbouwt haar stelling ook niet, er worden geen jaarrekeningen overgelegd. De technologische veranderingen waarop [werkgever] zich beroept, worden pas in december 2016 doorgevoerd, zodat deze niet in oktober 2015 ten grondslag kunnen liggen aan het vervallen van de functie van [werknemer] . [werkgever] legt ook aan het verzoek ten grondslag dat de communicatie heden ten dage veel meer via e-mailverkeer gaat. Dat hierdoor de werkzaamheden van [werknemer] zijn afgenomen blijkt nergens uit, nog daargelaten dat [werknemer] al jaren veelvuldig communiceert via e-mailberichten. [werkgever] legt ten slotte aan haar verzoek ten grondslag dat de complexe schades door de verzekeraars zelf ter hand wordt genomen. Hoewel dit op zichzelf juist is, is dit nooit anders geweest. Dit kan aldus niet aan het verzoek ten grondslag worden gelegd. Daarnaast is het afspiegelingsbeginsel niet of niet juist toegepast, terwijl [werkgever] ook niet getracht heeft [werknemer] te herplaatsen, al dan niet met scholing.

3.3.

Subsidiair verzoekt [werknemer] om aan haar een billijke vergoeding toe te kennen, omdat herstel van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet mogelijk is vanwege een omstandigheid waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. In dat kader heeft de werknemer het volgende aangevoerd. [werkgever] heeft [werknemer] op 27 oktober 2015 geconfronteerd met het ophanden zijnde ontslag. Aan [werknemer] werd de mogelijkheid geboden om voor 1 november 2015 de overeenkomst met wederzijds goedvinden te ondertekenen. [werknemer] is hierdoor overvallen en voelde zich onder druk gezet. Op 29 oktober 2015 is door [werkgever] het verzoek bij het Uwv ingediend. Communicatie met de feitelijk werkgever was niet mogelijk. De aangevoerde bedrijfseconomische redenen lijken geconstrueerd en vormen geen redelijke grond. [werkgever] heeft vervolgens disproportionele druk op [werknemer] gelegd. Naast vorenstaande is nog van belang dat het afspiegelingsbeginsel niet of in ieder geval niet gemotiveerd is toegepast, en aan [werknemer] is geen herplaatsing aangeboden. Door toedoen werkgever is de verhouding verstoort. [werknemer] verricht haar werk al acht jaar naar tevredenheid van [werkgever] . [werknemer] heeft slechte perspectieven op de arbeidsmarkt en verliest inkomsten aangezien haar WW-uitkering lager is dan haar salaris.

4 Het verweer

4.1.

[werkgever] verweert zich en stelt dat het verzoek om haar te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen, moet worden afgewezen. [werkgever] voert verder aan dat ook het subsidiaire verzoek om ten laste van haar een billijke vergoeding toe te kennen, dient te worden afgewezen.

4.2.

[werkgever] voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [werknemer] heeft geen gebruik willen maken van de mogelijkheid om bij het Uwv verweer te voeren. Het Uwv heeft het verzoek reeds beoordeeld, zodat niet geoordeeld kan worden dat de opzegging in strijd met artikel 7:669 lid 3, onderdeel a, BW is opgezegd. [werkgever] houdt vast aan de uitspraak van het Uwv. In die procedure is door [werkgever] gesteld dat het aantal schades is afgenomen en dat door automatisering de werkzaamheden op de afdeling schadeafhandeling is afgenomen. Marketscan heeft een prognose gemaakt. In die weergave is te zien dat de schades zijn afgenomen en nog verder zullen afnemen. Het aantal polissen neemt af, zodat ook aangenomen kan worden dat de schades afnemen. Aldus is sprake van een redelijke grond. Daarnaast betreft de functie van [werknemer] een unieke functie. Herplaatsing van [werknemer] is niet mogelijk.

4.3.

Ten aanzien van de billijke vergoeding, voert [werkgever] nog het volgende aan. [werknemer] is niet onder druk gezet, in tegendeel. Er is juist altijd getracht om met wederzijds goedvinden uit elkaar te gaan. [werkgever] is altijd bereikbaar geweest voor overleg. Het klopt dat de relatie tussen partijen is verstoord, maar dit is door toedoen van de gemachtigde van [werknemer] . [werkgever] heeft al afscheid moeten nemen van drie andere werknemers, van het construeren van bedrijfseconomische omstandigheden is dan ook geen sprake. Het kan [werkgever] niet verweten worden dat de gemachtigde zelf termijnen niet haalt en ervoor kiest geen verweer te voeren. Van ernstig verwijtbaar handelen is aldus geen sprake.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de werkgever moet worden veroordeeld om de arbeidsovereenkomst te herstellen. Voor zover het verzoek om herstel van de arbeidsovereenkomst niet kan worden toegewezen, komt gelet op het subsidiaire verzoek aan de orde de vraag of aan de werknemer een billijke vergoeding moet worden toegekend.

5.2.

De werknemer heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.3.

Uit artikel 7:682 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met de toestemming van het Uwv, de werkgever kan veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen indien de opzegging in strijd is met artikel 7:669, lid 3, onderdeel a of b, BW. De werknemer heeft gesteld dat de opzegging in strijd is met artikel 7:669, lid 3, onderdeel a, BW, omdat ontslag wegens een bedrijfseconomische reden niet gerechtvaardigd is. Daarover overweegt de kantonrechter het volgende.

5.4.

De kantonrechter stelt voorop dat bij een ontslagaanvraag op grond van bedrijfseconomische redenen de werkgever aannemelijk dient te maken dat (i) er structureel arbeidsplaatsen vervallen door bedrijfsbeëindiging of door maatregelen die om bedrijfseconomische redenen nodig zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering, (ii) de juiste volgorde voor ontslag is vastgesteld en (iii) er geen mogelijkheden zijn om de werknemer binnen een redelijke termijn (al dan niet met scholing) te herplaatsen in een andere passende functie binnen de onderneming of groep.

5.5.

In beginsel staat het een werkgever vrij om zijn onderneming zo in te richten dat het voortbestaan ook op langere termijn verzekerd is. Dat is niet alleen in zijn eigen belang, maar ook in het belang van het behoud van werkgelegenheid in het algemeen. Bij toetsing van die beslissing past een zekere mate van terughoudendheid. [werkgever] heeft zich tegenover het Uwv daarover moeten verantwoorden. [werknemer] heeft in die procedure echter geen verweer gevoerd. Waardoor dat is veroorzaakt, door toedoen van de gemachtigde van [werknemer] of miscommunicatie met het Uwv, is op dit moment niet meer van belang. Feit is dat het Uwv alleen het verhaal van [werkgever] als werkgever heeft kunnen beoordelen. Hoewel [werkgever] zich daartegen verzet en van oordeel is dat de kantonrechter de beslissing van het Uwv heeft te accepteren, is het wettelijk systeem aldus ingericht dat de kantonrechter de beoordeling opnieuw uitvoert. Waarbij nu, anders dan in de procedure bij het Uwv, de verweren van [werknemer] worden meegewogen.

5.6.

[werkgever] stelt dat de arbeidsplaats van [werknemer] vervalt als gevolg van bedrijfseconomische redenen. Die redenen zijn er aldus [werkgever] in gelegen dat hij simpelweg geen werk meer heeft voor [werknemer] , hetgeen veroorzaakt wordt door tal van omstandigheden. Een van die omstandigheden is, naar stelling van [werkgever] tijdens de mondelinge behandeling voor een klein deel, automatisering. In de stukken is onjuist weergegeven dat het nieuwe software pakket in december 2016 wordt doorgevoerd, dit zou 2015 moeten zijn. Echter ook indien dat zo zou zijn, hetgeen overigens niet is onderbouwd, volgt uit het enkele feit dat er een nieuw softwaresysteem is niet dat de werkzaamheden van [werknemer] daardoor verminderen. Het had op de weg van [werkgever] gelegen om inzichtelijk te maken welke wijzigingen met dat nieuwe systeem zijn of worden doorgevoerd en wat dat voor de functie van [werknemer] tot gevolg heeft. Nog daargelaten dat dit ook naar de stelling van [werkgever] slechts een marginaal onderdeel betreft. Verder stelt [werkgever] dat complexe schades door de volmachtgevers zelf worden behandeld. Door [werknemer] is evenwel onbetwist gesteld dat dit altijd zo geweest is. Ook deze stelling kan het standpunt van [werkgever] dan ook niet onderbouwen. Resteren de bedrijfseconomische redenen, bestaande uit een terugloop aan schades en verkoop van polissen. [werknemer] voert terecht aan dat ook dit onderdeel niet voldoende is onderbouwd. [werkgever] heeft slechts een prognose van Marketscan in het geding gebracht. [werkgever] heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit bedrijfsresultaten blijken. [werkgever] stelt weliswaar dat zij onder streng toezicht staat en dat daarom aangenomen kan worden dat zij de waarheid spreekt, maar in een procedure als de onderhavige zal [werkgever] haar stelling bij betwisting aannemelijk hebben te maken. Het enkel overleggen van een prognose is daartoe onvoldoende. [werkgever] heeft geen gecontroleerde of te controleren bedrijfsgegevens laten zien, dit terwijl zij zich wel op een terugloop in verkoop van polissen en schades beroept. Zij zal dit aldus aannemelijk hebben te maken, hetgeen zij vooralsnog niet geeft gedaan.

5.7.

Gelet op het vorenstaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat geen sprake is van een redelijke grond voor opzegging. De opzegging is aldus in strijd is met artikel 7:669, lid 3, onderdeel a BW. De kantonrechter zal het verzoek van de werknemer om de werkgever te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen, daarom toewijzen. De werkgever zal worden veroordeeld de arbeidsovereenkomst te herstellen met ingang van 1 februari 2016, de datum waartegen de arbeidsovereenkomst eerder is opgezegd.

5.8.

Nu de werkgever de arbeidsovereenkomst moet herstellen met ingang van de datum waartegen eerder is opgezegd, is er geen aanleiding om voorzieningen te treffen omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst.

Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat er gelet op de wetsgeschiedenis van moet worden uitgegaan dat na herstel met terugwerkende kracht tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigde, sprake is van een ononderbroken, doorlopende arbeidsovereenkomst (zie: Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. E, pag. 17).

Door [werknemer] zijn overigens ook geen omstandigheden gesteld die maken dat er aanvullende voorzieningen getroffen dienen te worden.

5.9.

Nu het primaire verzoek is toegewezen, wordt aan het subsidiaire verzoek niet meer toegekomen.

5.10.

Gelet op de aard van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt de werkgever om de arbeidsovereenkomst te herstellen met ingang van

1 februari 2016;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.I. Oyunlu, kantonrechter en op 14 juni 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter