Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:8188

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
04-10-2016
Zaaknummer
15/800122-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van vier jaren opgelegd voor verkrachting.

Smartengeld ad 12.000 euro toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800122-16 (P)

Uitspraakdatum: 4 oktober 2016

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 september 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Visser en van hetgeen de raadsman van verdachte, mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, naar voren heeft gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 maart 2016 in de gemeente Den Helder en/of te Breezand, gemeente Hollands Kroon, in elk geval in Nederland [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , immers heeft hij, verdachte, (telkens)

- zijn, verdachtes vinger(s) in de vagina van die [aangeefster] geduwd en/of gebracht, en/of

- zijn, verdachtes penis in de vagina van die [aangeefster] geduwd en/of gebracht, en/of

- zijn, verdachtes penis tegen de vagina van die [aangeefster] aan geslagen, en/of

- zijn, verdachtes penis in de mond van die [aangeefster] geduwd en/of gebracht, en/of

- de borsten van die [aangeefster] betast

en bestaande dat geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid uit het volgende:

dat hij, verdachte (terwijl hij op de fiets was), tegen die [aangeefster] (op dwingende toon) heeft gezegd dat zij met hem mee moest komen en/of meewerken en/of dat hij haar dan geen pijn zou doen, dit terwijl die [aangeefster] midden in de nacht, alleen, buiten de bebouwde kom liep (met de fiets aan haar hand omdat de fietsketting eraf was) en/of die [aangeefster] derhalve het gevoel had dat zij niet kon vluchten, en/of

vervolgens heeft hij, verdachte tegen die [aangeefster] (op dwingende toon) gezegd dat zij haar broek moest uitdoen en/of toen die [aangeefster] huilend zei dat zij dat niet wilde, heeft hij, verdachte gezegd dat het moest, anders zou hij haar pijn doen, en/of

vervolgens heeft hij, verdachte zijn arm om de nek van die [aangeefster] geklemd waardoor zij bijna geen adem meer kon halen, en/of

vervolgens heeft hij, verdachte (op dwingende toon) gezegd tegen die [aangeefster] dat zij haar ogen dicht moest houden, en/of

vervolgens heeft hij, verdachte, (op dwingende toon) gezegd tegen die [aangeefster] dat ze moest luisteren en/of meewerken anders zou hij haar in haar kont nemen en/of aldus voor die [aangeefster] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2

primair

hij op of omstreeks 20 maart 2016 in de gemeente Den Helder en/of te Breezand, gemeente Hollands Kroon, in elk geval in Nederland op of aan de de openbare weg, de Balgweg

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, Samsung Galaxy S4, kleur zwart, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangeefster] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte het volgende heeft gedaan;

dat hij, verdachte (terwijl hij op de fiets was), tegen die [aangeefster] (op dwingende toon) heeft gezegd dat zij met hem mee moest komen en/of meewerken en/of dat hij haar dan geen pijn zou doen, dit terwijl die [aangeefster] midden in de nacht, alleen, buiten de bebouwde kom liep (met de fiets aan haar hand omdat de fietsketting eraf was) en/of die [aangeefster] derhalve het gevoel had dat zij niet kon vluchten, en/of

vervolgens heeft hij, verdachte tegen die [aangeefster] (op dwingende toon) gezegd dat zij haar broek moest uitdoen en/of toen die [aangeefster] huilend zei dat zij dat niet wilde, heeft hij, verdachte gezegd dat het moest, anders zou hij haar pijn doen, en/of

vervolgens heeft hij, verdachte zijn arm om de nek van die [aangeefster] geklemd waardoor zij bijna geen adem meer kon halen, en/of

vervolgens heeft hij, verdachte (op dwingende toon) gezegd tegen die [aangeefster] dat zij haar ogen dicht moest houden, en/of

vervolgens heeft hij, verdachte, (op dwingende toon) gezegd tegen die [aangeefster] dat ze moest luisteren en/of meewerken anders zou hij haar in haar kont nemen en/of

vervolgens heeft hij, verdachte, die [aangeefster] gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , en/of aldus heeft hij, verdachte voor die [aangeefster] een bedreigende situatie doen ontstaan.

subsidiair

hij op of omstreeks 20 maart 2016 in de gemeente Den Helder, een goed te weten een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S4, kleur zwart) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Verbeterde lezing van de tenlastelegging

Onder 1. leest de rechtbank tussen ‘ [aangeefster] ’ en ‘heeft gedwongen’ de woorden in: ‘door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en (een) andere feitelijkhe(i)d(en)’.

De tenlastelegging onder 1. is onmiskenbaar toegesneden op overtreding van het expliciet aangehaalde artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. Dezelfde woorden zijn acht regels verder in de tenlastelegging onder 1. opgenomen onder verwijzing naar het voorgaande.
De rechtbank beschouwt het wegvallen van de woorden die zij inleest als een kennelijke misslag en corrigeert deze omissie in de bewezenverklaring. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair (diefstal voorafgegaan door geweld) ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij de hem ten laste gelegde feiten.

De raadsman heeft in zijn pleidooi een aantal punten aangestipt, die in de visie van de verdediging ruimte laten voor twijfel met betrekking tot het bewijs.

Zo is volgens de raadsman het feit dat het slachtoffer voor zover bekend geen seksueel overdraagbare aandoening (SOA) heeft opgelopen, ontlastend te noemen, nu verdachte aan genitale wratten lijdt.

Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte een kale vlek in zijn stoppelbaard heeft. De raadsman acht het opmerkelijk dat het slachtoffer, dat verklaart dat zij een stukje van de kin van de dader heeft gezien, deze vlek niet noemt in haar beschrijving van de dader.

Daarnaast heeft de raadsman opgemerkt dat uit de verklaring van de getuige [getuige] blijkt dat er rond de tijd van de verkrachting in de nabijheid van de plaats delict een man, zonder fiets, is gesignaleerd. Deze persoon kan de verkrachter zijn, aldus de raadsman.

Tot slot heeft de raadsman onder de aandacht gebracht dat bij de doorzoeking van de woning van verdachte geen jas is aangetroffen die overeenkomt met de beschrijving die het slachtoffer van de jas van de dader heeft gegeven.

De raadsman heeft tot vrijspraak geconcludeerd.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

De aangeefster

Op 20 maart 2016, tussen 01.15 en 01.30 uur, fietste [aangeefster] (hierna: aangeefster) van haar werk in Den Helder naar haar huis in [plaats] . Op een gegeven moment merkte zij dat er iemand achter haar fietste. Ze keek om en zag een fietser, die een man leek te zijn. Enige tijd later zag zij de fietser niet meer achter zich. Aangeefster merkte dat de ketting van haar fiets eraf was en moest daardoor gaan lopen met haar fiets. Zij liep vanaf de Kooybrug langs het kanaal, over de Balgweg in Breezand, gemeente Hollands Kroon. Toen zij ter hoogte van een groen elektriciteitshuisje was, stapte er plotseling een man naar voren.2 De man zei tegen aangeefster dat zij moest meegaan en meewerken en dat hij haar dan geen pijn zou doen. Aangeefster bedacht zich dat vluchten geen zin had, omdat de man met de fiets was en zij lopend.3 De man zei dat aangeefster over het hekje achter het huisje moest klimmen. Dit deed zij. Toen zij vlak bij de slootkant waren aangekomen, moest aangeefster haar broek los doen. Aangeefster moest huilen en zei dat zij dat niet wilde. De man zei dat het moest, want anders zou hij haar pijn doen. Ook zei hij dat als zij niet zou luisteren, hij het in haar kont zou doen. Aangeefster heeft daarop haar broek losgedaan en de man trok deze verder naar beneden. De man zei tegen aangeefster dat zij haar ogen dicht moest houden en haar hand voor haar ogen moest houden, anders had zij een probleem. Daarop ging de man eerst met zijn vinger en daarna met zijn penis in haar vagina. Omdat aangeefster niet meewerkte, stopte de man. Hij heeft de BH van aangeefster los gemaakt en heeft aan haar borsten gezeten. Op dat moment merkte aangeefster dat er een auto aankwam en begon zij harder te huilen. De man nam haar daarop in een houdgreep, met zijn arm om haar nek, zodat zij nauwelijks kon ademen. Aangeefster moest van de man op haar zij gaan liggen en hij begon met zijn penis tegen haar vagina aan te slaan. Vervolgens heeft de man opnieuw zijn penis in de vagina van aangeefster geduwd en daarna in haar mond.

Nadat de man weg was, ontdekte aangeefster dat haar mobiele telefoon, een zwarte Samsung Galaxy S4 met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , weg was.4

De telefoons van aangeefster en verdachte

Op 20 maart 2016 omstreeks 11.40 uur is een spoedtap gezet op het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Het blijkt dat dit nummer wordt gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer] , zijnde het IMEI-nummer van de weggenomen telefoon van aangeefster. Uit de zendmasten die de weggenomen telefoon aanstraalt (Heiloo, Castricum, Uitgeest) kan worden afgeleid dat de gebruiker van de telefoon die dag naar het zuiden van de provincie reist. Er worden op 20 maart 2016 vanaf 14.00 uur geen gesprekken meer gevoerd via het nummer [telefoonnummer 1] . Hierop wordt een spoedtap gezet op het IMEI-nummer [IMEI-nummer] . Het blijkt dat in de telefoon met genoemd IMEI-nummer een simkaart is geplaatst met telefoonnummer [telefoonnummer 2] . In een afgeluisterd gesprek tussen dit nummer en telefoonnummer [telefoonnummer 3] wordt de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] aangesproken met ‘ [afkorting] ’. Hij informeert wat een Samsung S4 kost. Uit een gesprek tussen telefoonnummer [telefoonnummer 2] en een vrouw die gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer 4] blijkt van een familiaire relatie tussen beide bellers. De gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] blijkt [voornaam] te heten. Het nummer [telefoonnummer 4] staat op naam van [naam] , de moeder van verdachte [verdachte] . [naam] en [verdachte] staan beiden ingeschreven op het adres [adres] .5

Op 20 maart 2016 rond 21.00 uur heeft de politie de woning [adres] betreden om verdachte aan te houden en de woning te doorzoeken. Een politieambtenaar heeft daarbij ingebeld naar het nummer [telefoonnummer 2] . De verbalisanten hoorden daarop een beltoon van een telefoon, die uit de tuin van perceel [adres 2] bleek te komen. In de achtertuin van perceel [adres 2] is vervolgens op de grond tegen de schutting een telefoon, een Samsung S4, gevonden, die voortdurend overging.6

Uit historische verkeersgegevens blijkt dat het telefoonnummer van aangeefster, [telefoonnummer 1] , op 20 maart 2016 achtereenvolgens de volgende zendmasten aanstraalt:

01.52 – 02.03

Koperslagerstraat (de rechtbank leest telkens: Koperslagersweg) Den Helder

03.09

Het Nieuwe Diep 52 Den Helder

03.09 – 03.10

Landmetersweg 15 Den Helder

03.11 – 03.12

Koperslagerstraat Den Helder

03.12 – 03.19

Landmetersweg 15 Den Helder

12.47

Stetlaan Heiloo

De Koperslagersweg is gelegen in de nabijheid van de Kooybrug te Den Helder.

Uit historische verkeersgegevens blijkt voorts dat het telefoonnummer in gebruik bij verdachte, [telefoonnummer 2] , op 20 maart 2016 de volgende zendmasten aanstraalt:

00.32

Haringvlietweg 40 Den Helder

03.22

Landmetersweg 15 Den Helder

03.28 – 03.29

Bastiondreefweg 2 Den Helder

03.32 – 11.31

Haringvlietweg 40 Den Helder

13.30

De Ruyterkade 5 Amsterdam

Voorts blijkt dat de telefoon van aangeefster met IMEI-nummer [IMEI-nummer] op 20 maart 2016 gebruikt wordt met zowel het telefoonnummer [telefoonnummer 1] als het nummer [telefoonnummer 2] . Op 20 maart 2016 om 12.54 uur maakt de telefoon met dit IMEI-nummer gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , waarbij een telefoonpaal in Castricum wordt aangestraald. Om 14.30 uur maakt de telefoon met genoemd IMEI-nummer gebruik van het nummer [telefoonnummer 2] en straalt daarbij een zendmast in Assendelft aan.

Bij een netwerkmeting die bij de woning van verdachte aan de [adres] werd gedaan werden geen cell-id’s gemeten die gebruik maken van de zendmast op de Landmetersweg 15 te Den Helder.7

Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de telefoon met nummer [telefoonnummer 2] , in gebruik bij verdachte, op 20 maart 2016 rond 03.20 uur niet in de buurt was van de woning van verdachte aan de [adres] .

Kennelijk waren de telefoons met nummer [telefoonnummer 2] (verdachte) en [telefoonnummer 1] (aangeefster) op 20 maart 2016 tussen 03.18 en 03.22 uur in de dezelfde omgeving, namelijk in de omgeving van de Landmetersweg in Den Helder. De Landmetersweg in Den Helder bevindt zich tussen de plaats delict en de woning van verdachte.8

Onderzoek NFI

Door een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) zijn vlekken op de jas van aangeefster bemonsterd. In twee van de veiliggestelde bemonsteringen (SIN AAIV5783NL#01 en SIN AAIV5783NL#03) zijn aanwijzingen voor de aanwezigheid van spermavloeistof en speeksel verkregen. Deze bemonsteringen zijn onderworpen aan vergelijkend autosomaal DNA-onderzoek. Hierbij werd in bemonstering AAIV5783NL#01 een DNA-hoofdmengprofiel gevonden van twee personen, waarbij het celmateriaal afkomstig kan zijn van aangeefster en van verdachte. Tevens werden er DNA-nevenkenmerken gevonden van minimaal één onbekende persoon. De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn ten minste één miljard keer waarschijnlijker als waar is de hypothese dat de bemonstering AAIV5783NL#01 celmateriaal bevat van het slachtoffer, verdachte en één willekeurige onbekende persoon, dan als waar is de hypothese dat de bemonstering celmateriaal bevat van het slachtoffer en twee willekeurige onbekende personen.

In de bemonstering van de vaginawand van aangeefster (ZAAC6540#02) is bij vergelijkend autosomaal DNA-onderzoek in de stringente lysisfractie een DNA-hoofdmengprofiel gevonden van twee personen, waarbij het celmateriaal afkomstig kan zijn van aangeefster en van verdachte. Daarnaast kan de bemonstering nog een zeer geringe hoeveelheid celmateriaal bevatten van een derde persoon.

Onder de aanname dat DNA van twee personen aanwezig is in de bemonstering, zijn de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek ten minste één miljard keer waarschijnlijker als waar is de hypothese dat de bemonstering ZAAC6540#02 celmateriaal bevat van het slachtoffer en verdachte dan als waar is de hypothese dat de bemonstering celmateriaal bevat van het slachtoffer en een willekeurige onbekende persoon.

Onder de aanname dat DNA van drie personen aanwezig is in de bemonstering, zijn de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek ten minste één miljard keer waarschijnlijker als waar is de hypothese dat de bemonstering ZAAC6540#02 celmateriaal bevat van het slachtoffer, verdachte en één willekeurige onbekende persoon dan als waar is de hypothese dat de bemonstering celmateriaal bevat van het slachtoffer en twee willekeurige onbekende personen.

Bij vergelijkend Y-chromosomaal DNA-onderzoek aan de bemonstering ZAAC6540#02 is een enkelvoudig DNA-profiel gevonden, waarbij het celmateriaal afkomstig kan zijn van verdachte. De resultaten van het Y-chromosomaal DNA-onderzoek ondersteunen met andere woorden de resultaten van het autosomale DNA-onderzoek.9

Conclusie

De rechtbank acht op grond van vorenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster door geweld, andere feitelijkheden en dreiging met geweld heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, een en ander op de wijze als hierna onder ‘bewezenverklaring’ nader aangeduid.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de telefoon van aangeefster heeft weggenomen. Onder 2 is dit feit ten laste gelegd als – kort gezegd – diefstal met geweld of bedreiging met geweld (artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht). De in de tenlastelegging ter verfeitelijking van geweld of bedreiging met geweld opgesomde handelingen kunnen weliswaar bewezen worden, maar naar het oordeel van de rechtbank waren deze handelingen slechts gericht op de onder 1 bewezenverklaarde verkrachting van het slachtoffer en waren zij niet gericht op het wegnemen van de telefoon. De rechtbank komt daarom slechts tot bewezenverklaring van eenvoudige diefstal.

Hetgeen de raadsman ten verwere heeft aangevoerd kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan hetgeen de rechtbank hiervoor met betrekking tot het bewijs voor verdachtes daderschap heeft vastgesteld.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 20 maart 2016 te Breezand, gemeente Hollands Kroon, [aangeefster] door geweld en andere feitelijkheden en bedreiging met geweld heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , immers heeft hij, verdachte,

- zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [aangeefster] geduwd en

- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [aangeefster] geduwd en

- zijn, verdachtes, penis tegen de vagina van die [aangeefster] aan geslagen en

- zijn, verdachtes penis in de mond van die [aangeefster] geduwd en

- de borsten van die [aangeefster] betast

en bestaande dat geweld en die feitelijkheden en die bedreiging met geweld uit het volgende:

dat hij, verdachte, terwijl hij op de fiets was, tegen die [aangeefster] op dwingende toon heeft gezegd dat zij met hem mee moest komen en meewerken en dat hij haar dan geen pijn zou doen, dit terwijl die [aangeefster] midden in de nacht, alleen, buiten de bebouwde kom liep, met de fiets aan haar hand omdat de fietsketting eraf was en die [aangeefster] derhalve het gevoel had dat zij niet kon vluchten en

vervolgens heeft hij, verdachte, tegen die [aangeefster] op dwingende toon gezegd dat zij haar broek moest uitdoen en toen die [aangeefster] huilend zei dat zij dat niet wilde, heeft hij, verdachte, gezegd dat het moest, anders zou hij haar pijn doen en

heeft hij, verdachte, zijn arm om de nek van die [aangeefster] geklemd waardoor zij bijna geen adem meer kon halen en

heeft hij, verdachte, op dwingende toon gezegd tegen die [aangeefster] dat zij haar ogen dicht moest houden en

heeft hij, verdachte, op dwingende toon gezegd tegen die [aangeefster] dat ze moest luisteren, anders zou hij haar in haar kont nemen

en aldus voor die [aangeefster] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2

primair

hij op 20 maart 2016 te Breezand, gemeente Hollands Kroon, op of aan de openbare weg, de Balgweg met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, Samsung Galaxy S4, toebehorende aan [aangeefster] .

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Verkrachting

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

6.2.

Standpunt van verdachte/de verdediging

De raadsman heeft – subsidiair – gepleit voor een straf van twee jaren. Hij heeft er daartoe op gewezen dat verdachte op het gebied van zeden een first offender is.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkrachting van een achttienjarig meisje. Hij heeft het slachtoffer midden in de nacht eerst op de fiets gevolgd. Op een verlaten plattelandsweg heeft hij haar de doorgang versperd en heeft hij haar gedwongen met hem mee te gaan. Het slachtoffer voelde zich niet in staat om te vluchten omdat de ketting van haar fiets stuk was. Verdachte heeft het slachtoffer meegevoerd een veld in en heeft haar daar op een buitengewoon vernederende manier gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen, waaronder vaginale en orale penetratie. Hiermee heeft verdachte de lichamelijke en geestelijke integriteit van het jonge slachtoffer op ernstige en grove wijze aangetast. Bovendien wordt door een dergelijk feit de rechtsorde ernstig geschokt.

Hoe ingrijpend de gevolgen voor het slachtoffer zijn, komt op pregnante wijze naar voren uit de stukken die ter onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding zijn overgelegd. Het slachtoffer heeft sinds de gebeurtenissen van 20 maart 2016 last van slaap- en concentratiestoornissen, die haar met name op school parten spelen. Daarnaast kampt zij met schaamtegevoelens en verlies van vertrouwen in mensen. In het dagelijks leven is zij prikkelbaar en schrikachtig. Vanwege deze psychische klachten heeft zij zich onder behandeling van een psycholoog moeten stellen.

Verdachte heeft geen enkel respect getoond voor het welzijn van het slachtoffer en heeft het bevredigen van zijn eigen lust op nietsontziende wijze voorop gesteld. Dat rekent de rechtbank hem zeer aan.

Tot slot weegt mee dat verdachte, na de verkrachting, de mobiele telefoon van het slachtoffer heeft weggenomen.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 augustus 2016, waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van onder meer geweldsdelicten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen van aanzienlijke duur is veroordeeld. Met de officier van justitie en anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat de recidive van verdachte met betrekking tot geweldsdelicten wel degelijk dient mee te wegen bij de bepaling van de strafmaat, aangezien verkrachting ook een belangrijk geweldsaspect in zich draagt.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport, gedateerd 21 juni 2016, opgesteld door J.P. Wouda, reclasseringswerker werkzaam bij Reclassering Nederland. Gelet op de ontkennende houding van verdachte kan de reclassering geen uitspraak doen over het recidiverisico. Verdachte staat niet open voor begeleiding gericht op gedragsverandering. De reclassering sluit het contact met verdachte daarom met het uitbrengen van het rapport af.
Het rapport bevat geen strafadvies.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde vrijheidsstraf niet passend, omdat deze aanzienlijk hoger is dan die als vermeld als uitgangspunt in de door de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten straftoemeting.
Met dit uitgangspunt als basis komt de rechtbank op grond van alle uit het bovenstaande blijkende strafverhogende factoren tot een gevangenisstraf van vier jaren.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangeefster] heeft, door tussenkomst van mr. A. Spel als haar raadsvrouw, een vordering tot schadevergoeding van € 12.139,20 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde materiële schade, ten bedrage van € 139,20, bestaat uit reiskosten.

De gestelde immateriële schade bedraagt € 12.000,00.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van in totaal € 10.139,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat aan het toe te wijzen bedrag de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr zal worden gekoppeld. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard te worden in de vordering, aldus de officier van justitie.

De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft de vordering voldoende onderbouwd en de verdediging heeft de hoogte ervan niet betwist. De rechtbank waardeert de geleden schade dan ook op het gevorderde bedrag van in totaal € 12.139,20, te weten € 139,20 aan materiële schade en € 12.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 20 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan tot genoemd bedrag worden toegewezen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: verkrachting] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 36f, 57, 242 en 310 van het Wetboek van Strafrecht zijn van toepassing.

9 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangeefster] geleden schade tot een bedrag van € 12.139,20 (twaalfduizend honderdnegenendertig euro en twintig cent), bestaande uit € 139,20 voor de materiële en € 12.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangeefster] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangeefster] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 12.139,20 (twaalfduizend honderdnegenendertig euro en twintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 95 (vijfennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.E. Patijn, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en mr. A. Warmerdam, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2016.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2016062146-1 d.d. 22 maart 2016, inhoudende de verklaring van [aangeefster] , dossierpagina's 54 t/m 56.

3 Het proces-verbaal ‘informatief gesprek zeden’ met nummer PL1100-20160626146-4 d.d. 20 maart 2016, dossierpagina 50.

4 Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2016062146-1 d.d. 22 maart 2016, inhoudende de verklaring van [aangeefster] , dossierpagina's 56 t/m 64.

5 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer 18 d.d. 21 maart 2016, dossierpagina's 254 t/m 257.

6 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer 18 d.d. 21 maart 2016, dossierpagina's 258/259 en het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016062146-15 d.d. 21 maart 2016, dossierpagina 335.

7 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer 61 d.d. 14 april 2016, dossierpagina's 265/266.

8 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer 67 d.d.18 april 2016, dossierpagina 282.

9 Het rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek’ d.d. 9 juni 2016, opgesteld door de deskundige M.J.W. Pouwels, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag.