Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:8077

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
31-10-2016
Zaaknummer
5035810 \ CV EXPL 16-3483 (H.K.)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Door plaatsing van een foto op de eigen website heeft gedaagde inbreuk gemaakt op het

auteursrecht van eiseres. Gedaagde meent ten onrechte een beroep te kunnen doen op het

zogenaamde “embedden”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onder redactie van mr. M. van der Linden en mr. C.C.M. Kroeks – de Raaij annotatie in IR 2016/180, UDH:IR/13855

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 5035810 \ CV EXPL 16-3483 (H.K.)

Uitspraakdatum: 5 oktober 2016

Vonnis in de zaak van:

[naam eiser]

gevestigd te [woonplaats]

eiseres

verder te noemen: [x]

gemachtigde: mr. R.M. Mijnsbergen, advocaat te Uitgeest

tegen

de heer [naam gedaagde]

wonende en zaakdrijvende te [adres]

gedaagde

verder te noemen: [y]

in persoon procederend.

1 Het procesverloop

1.1.

[x] heeft bij dagvaarding van 13 april 2016 een vordering tegen [y] ingesteld. [y] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 6 september 2016 heeft een zitting plaatsgevonden, in aanwezigheid van partijen en de gemachtigde van [x] . De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Bovendien hebben beide partijen pleitnotities overgelegd.

2 De feiten

2.1.

[x] drijft een professioneel persbureau en maakt in die hoedanigheid veel foto’s van personen en gebeurtenissen in de actualiteit. [x] heeft als zodanig een foto gemaakt van staatssecretaris [X] tijdens een debat in de Tweede Kamer over een aan belastingen op auto’s gerelateerd onderwerp.

[x] heeft het auteursrecht op de betreffende foto van staatssecretaris [X] . Het portretrecht van staatssecretaris [X] is in deze zaak niet in geding.

Die foto is door het dagblad De Telegraaf in de rubriek “Autovisie” met begeleidende tekst gepubliceerd en op de betreffende site van De Telegraaf geplaatst met als titel: [X] : ‘Autobrief II binnen enkele weken naar Tweede Kamer’.
Onder de foto, zoals door De Telegraaf geplaatst, staat aan de linkerzijde vermeld: “Staatssecretaris [X] ” en aan de rechterzijde “ [xx] ”.

2.2.

[y] drijft een onderneming en biedt als zodanig volgens zijn website ( [naam] ) diensten aan de Automotive sector aan. [y] heeft de betreffende foto en delen van de tekst uit De Telegraaf op zijn site “Automotive Netwerk van Nederland” geplaatst. De foto en het artikel, zoals die op de site van [y] zijn afgebeeld, zijn overgelegd als productie 4 bij dagvaarding.

2.3.

[x] heeft [y] op 6 oktober 2015 gesommeerd de inbreuk op het auteursrecht van [x] te staken en een regeling te treffen ten bedrage van € 530,--. [y] heeft daarop volstaan met verwijdering van de foto van zijn website.

[x] hanteert voor het gebruik van haar foto’s op internet, waarop haar auteursrecht rust, een tarief ten bedrage van € 265,-- per foto per kwartaal, met een minimum van een kwartaal, naar zij stelt een landelijk gebruikelijk tarief.

2.4.

Tussen partijen is eerder, in 2015, wel een schikking bereikt ter zake van het zonder toestemming openbaar maken door [y] van een door [x] vervaardigde foto zonder dienst naamvermelding.

3 Het geschil

3.1.

[x] stelt dat door [y] inbreuk is gemaakt op haar auteursrecht waardoor zij na te melden schade heeft geleden.

[x] vordert in deze zaak bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

 te verklaren voor recht dat [y] inbreuk heeft gemaakt op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten van [x] ;

 [y] te veroordelen tot het voldoen van de gevorderde schadevergoeding van € 530,-- voor de inbreuk op de auteursrechten en persoonlijkheidsrechten van [x] , dan wel een bedrag aan schadevergoeding dat de kantonrechter redelijk voorkomt;

 [y] te veroordelen in de volledige proceskosten van dit geding ex artikel 1019h Rv, dan wel in de proceskosten waaronder het salaris van de gemachtigde;

 [y] te veroordelen tot het voldoen van de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv;

 [y] te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening;

3.2.

[x] legt kort weergegeven het volgende aan haar vordering ten grondslag.

Zij stelt belang te hebben bij toewijzing van haar vordering, nu de heer [x] en zijn medewerkers van het fotopersbureau leven van de opbrengst van de foto’s.

Daarnaast stelt [x] , onder verwijzing naar een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie [nader te noemen: het Europees Hof] van 21 oktober 2014 (in de zaak BestWater, IEF 14315, C-348/13), dat in de onderhavige zaak, anders dan in de zaak van BestWater, geen sprake is van zogenaamd embedden. Daarmede is, aldus [x] , sprake van inbreuk op haar auteursrecht.

3.3.

[y] betwist dat inbreuk is gemaakt op het auteursrecht en voert tot verweer, kort gesteld, het volgende aan.

Hij heeft naar eer en geweten een compleet artikel met foto van [x] één op één overgenomen vanaf de website van De Telegraaf met gebruikmaking van zijn beschikbare technische mogelijkheden om zo het complete artikel te kunnen embedden op zijn website.

Voor zover dit technisch mogelijk was in combinatie met zijn WordPress gestoelde website, heeft hij zoveel mogelijk verwezen naar het oorspronkelijke artikel en de bijbehorende foto.

Hij voegt daaraan toe, dat het voor hem om technische redenen niet mogelijk bleek om voornoemde naamsvermeldingen onder de foto te plaatsen.

[y] concludeert, met verwijzing naar de uitspraak van het Europees Hof van 13 februari 2014 (in de zaak Svensson, C-466/12 ), dat in casu geen sprake is van een verwijtbare inbreuk op het auteursrecht van [x] .

4 De beoordeling

4.1a. Voor ingewijden in het onderwerpelijke juridisch veld, wellicht ten overvloede, wordt toch allereerst het volgende voorop gesteld.

Het beschikbare juridisch kader waarbinnen het juridisch geschil van partijen dient te worden beoordeeld, is blijkens bestaande jurisprudentie, ook van het Europees Hof en de daarop gevolgde reacties, niet uitgekristalliseerd en loopt waarschijnlijk structureel achter op (internationale) ontwikkelingen van de bescherming van het auteursrecht op internet.

Vooralsnog en als leidraad bij de verdere beoordeling van dit geschil zal (onder meer) steun worden gezocht in het door partijen aangedragen juridisch kader. Daarbij zal tevens, voor zover nodig, nog acht worden geslagen op recente (prejudiciële) beslissingen van het Europees Hof ter zake.

4.1b. In de uitspraak van het Europees Hof van 13 februari 2014 (in de zaak Svensson) is, zeer kort gesteld, beslist dat embedden van auteursrechtelijk materiaal van internet is toegestaan.

Embedden kan worden omschreven als insluiten. Als men iets embedt van een andere website op de eigen website laat men aldus een stukje van die andere website zien op de eigen website zonder de content te verplaatsen.

Het gaat er dan om dat websites mogen linken naar auteursrechtelijk beschermd materiaal wanneer het al met toestemming van de rechthebbende op internet is geplaatst. Het moet dus openbaar zijn. Dat embedden mag niet gericht zijn op nieuw publiek, dus moet zonder meer bereikbaar zijn voor alle internetgebruikers, dus zonder drempels (zoals bijv. betalen).

Ook mag embedden niet leiden tot bewerking van het oorspronkelijk materiaal.

Ter zijde zij nog opgemerkt, dat de vraag of het oorspronkelijk materiaal illegaal is gepubliceerd, niet relevant werd geacht, nu embedden geen nieuwe openbaarmaking zou inhouden.

In de prejudiciële uitspraak van het Europees Hof van 8 september 2016 (Sanoma tegen GeenStijl) is dat laatste echter weer beperkt, nu niet gelinkt mocht worden naar uitgelekte foto’s uit een Playboysessie van een bekend persoon.

Daarbij gold dat het moest gaan om een winstoogmerk van de hyperlink-plaatser waarvan derhalve mag worden verwacht dat er onderzocht zou worden of het betrokken auteursrechtelijk beschermde werk al dan niet illegaal is gepubliceerd.

In casu is daarvan geen sprake, nu van een illegaal plaatsen van de foto door De Telegraaf niet is gebleken. Wel zou, gelet op voornoemde uitspraak in de zaak van Sanoma tegen GeenStijl, relevant kunnen zijn dat [y] met winstoogmerk de foto van [X] (met bijbehorende artikel) op zijn site zou hebben geplaatst.

Daarvan wordt in verband met de legale plaatsing door De Telegraaf van voormelde foto van staatssecretaris [X] bij de beoordeling van het onderhavige geschil niet uitgegaan.

4.2.

Terugkerend naar de kernvraag in dit geding, of sprake is van schending van het auteursrecht, luidt het antwoord dat daarvan sprake is. Kort gesteld heeft [y] de betreffende foto en tekst gedownload en vervolgens op zijn site geüpload.

Dat [y] kennelijk niet over de technische middelen beschikte om de foto met tekst op zijn site te embedden, doet daaraan niet af nu het hier om een professionele partij gaat. Ook het feit dat gesteld noch gebleken is, dat hij hiermee een nieuw publiek zou bereiken, wordt in deze niet relevant geacht.

Ook de (prejudiciële) uitspraak van het Europees Hof van 15 september 2016 in de zaak van Tobias Mc Fadden tegen Sony Music Entertainment Germany (ECLI:EU:C:2016:689) maakt dat oordeel niet anders, nu in het vorenoverwogene is geoordeeld dat [y] zelf het initiatief heeft genomen tot het illegaal downloaden van voornoemde foto met tekst.

4.3.

De vraag of er nog ruimte is voor een billijke uitzondering (het zgn. “Fair Use”) is in deze zaak wellicht actueel.

Fair Use is een gebruik waarover de auteursrechthebbende niet kan klagen. In dat verband zou een rol kunnen spelen dat het hier een standaardfoto betreft van een staatssecretaris in de uitoefening van zijn publieke functie, in een publieke ruimte en een daarbij behorende publiekrechtelijke tekst. Het gaat dus tevens om openbaarheid van bestuur.

Nu partijen dit aspect niet met zoveel woorden in het debat hebben betrokken, zal, afgezien van het belang van vermelding daarvan in dit vonnis, hierop niet verder worden ingegaan.

4.4.

Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat [y] , daartoe aangesproken, zelf een bedrag van € 530,-- aan [x] had dienen te betalen; dit was het bedrag waarvoor hij de zaak buitengerechtelijk af had kunnen doen blijkens punt 33 van het verzoekschrift.

Door zulks na te laten, is deze rechtszaak tot wording gekomen. De vordering van [x] dient daarom te worden toegewezen als na te melden.

4.5.

[y] dient als de in het ongelijk te stellen partij de proceskosten te dragen.

Op grond van het bepaalde in artikel 1019h Rv (de implementatie van art. 14 van de Europese Richtlijn 2004/48/EG) wordt [y] veroordeeld in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten van [x] . Voor salaris heeft de gemachtigde van [x] € 2.229,25 begroot, welk bedrag wordt gespecificeerd in de aan de pleitnotie van mr. Mijnsbergen gehechte schriftelijke urenverantwoording. De kantonrechter acht deze kosten, die richtlijnconform zijn, in deze procedure ook redelijk, nu door [x] is getracht met [y] tot een minnelijke regeling te komen waarop [y] niet is ingegaan.

4.6.

Tevens wordt [y] veroordeeld tot betaling van € 100, aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door [x] worden gemaakt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

Verklaart voor recht dat [y] inbreuk heeft gemaakt op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten van [x] .

5.2.

Veroordeelt [y] om tegen kwijting aan [x] te betalen een schadevergoeding van € 530,-- voor de inbreuk op voormelde rechten van [x] .

5.3.

Veroordeelt [y] in de daadwerkelijke proceskosten ex art. 1019h Rv, die tot heden voor [x] worden vastgesteld op een bedrag van € 2.779,60 (€ 79,35 aan dagvaardingskosten, € 471,-- aan griffierecht en een bedrag van € 2.229,25 voor salaris gemachtigde van [x] ).

5.4.

Veroordeelt [y] voorts tot betaling van € 100,-- aan nakosten voor zover daadwerkelijk nakosten door [x] worden gemaakt.

5.5.

Veroordeelt [y] in de wettelijke rente over vermelde bedragen te rekenen vanaf de datum van betekening van dit vonnis.

5.6.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.7.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.G. Vroom en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van J.A.J. Kreijger, griffier.

De griffier De kantonrechter