Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:8017

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4367
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu de zoon van eiseres reeds in het jaar 2006 meerderjarig was, kan reeds daarom geen sprake zijn van een terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 3.91, eerste lid, van de Wet IB 2001. Dat leidt ertoe dat zowel de schuld van eiseres aan de bank als de vordering die eiseres heeft op haar zoon in box 3 vallen. Betaalde kosten zijn in box 3 niet aftrekbaar.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.91
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 15/4367 tot en met 15/4372

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 oktober 2016 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres

(gemachtigde: H. Padt ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2009 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.869.

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2010 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.675.

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2011 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.079.

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2012 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.266.

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.148.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 31 augustus 2015 de aanslagen gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft op 18 maart 2016 een nader stuk van eiseres ontvangen en in kopie doorgezonden naar verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2016 te Haarlem.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door F.Th.H. van Angeren en J.G.A. de Ruijter. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst nadat was gebleken dat eiseres het verweerschrift niet had ontvangen en eiseres in de gelegenheid gesteld hierop binnen vier weken te reageren.

De rechtbank heeft op 9 augustus 2016 een reactie van eiseres ontvangen en doorgezonden naar verweerder.

Op 8 september 2016 heeft de rechtbank een reactie van verweerder ontvangen. Deze is naar eiseres verstuurd.

Nadat beide partijen toestemming hadden verleend tot het doen van uitspraak zonder nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres, geboren op [geboortedatum 1] , is ongehuwd en woont samen met de heer [A] , geboren op [geboortedatum 2] .

Eiseres heeft twee meerderjarige kinderen: [B] , geboren op [geboortedatum 3] en [C] , geboren op [geboortedatum 4] . [C] ( [C] ) woonde in de in geding zijnde jaren op het adres van eiseres. [C] heeft op [DATUM] de 18-jarige leeftijd bereikt.

2. [C] is op 5 jarige leeftijd gaan tennissen en heeft deze sport 17 jaar

beoefend. In 2011 is hij met deze sport gestopt vanwege een blessure.

Ten aanzien van de in geding zijnde jaren heeft [C] in de aangiftes de volgende inkomsten met betrekking tot tennisactiviteiten aangegeven:

2009: ROW -/- € 4.358.

2010: ROW € 693.

2011: buitenlandse arbeidsinkomsten € 13.884

2012: buitenlandse arbeidsinkomsten € 31.056.

2013: [C] is niet uitgenodigd tot het doen van aangifte.

Over de jaren 2009 en 2010 zijn bij aanslagregeling vragen gesteld over het in beide jaren aangegeven ROW, waarna de aangiftes zijn gevolgd.

Ook de aangiftes over de jaren 2011 en 2012 zijn bij aanslagregeling gevolgd.

3. Eiseres heeft in 1996 bij [A BANK] Bank een lening afgesloten tot een bedrag van fl. 3.000 (€ 1.361). In de jaren daarna is deze lening verhoogd en zijn nieuwe leningen afgesloten bij [B BANK] en [C BANK] .

Per 31 december 2012 bedraagt de totale schuld ter zake € 61.125.

4. Eiseres heeft in haar aangiftes over de jaren 2009 tot en met 2013 een netto resultaat uit ROW van nihil aangegeven:

Jaren 2009 2010 2011 2012 2013

Bruto resultaat € 0 nvt nvt € 5.945 € 5.828

Kosten ROW € 0 nvt nvt € 5.934 € 5.828

Netto resultaat nihil nvt nvt nihil nihil

5. Eiseres heeft als aanvulling op de aangiftes de rentekosten op de op de onder 3. genoemde leningen als kosten ROW opgevoerd:

Jaren 2009 2010 2011 2012 2013

Bruto resultaat € 0 € 0 € 0 € 0 € 0

Kosten ROW € 3.026 € 4.654 € 5.350 € 5.954 € 5.828

Netto resultaat -/- € 3.026 € 4.654 € 5.350 € 5.954 € 5.828

Geschil
6. In geschil is of de door eiseres geleende bedragen welke zij heeft doorgeleend aan haar zoon, kwalificeren als terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 3.91 van de Wet IB 2001.

7. Eiseres stelt recht te hebben op aftrek van de rentelasten en andere onkosten die voortvloeien uit de twee leningen, die zij in 2009 heeft afgesloten om te investeren in de tenniscarrière van haar zoon [C] .

[C] heeft een proflicentie bij de ITF verkregen, hetgeen impliceert dat hij het oogmerk had met het tennis voordeel te behalen. Voorts is redelijkerwijs te verwachten dat met proftennis voordeel wordt behaald.

8. Verweerder neemt het standpunt in dat de rentekosten alleen dan aftrekbaar kunnen zijn als sprake is van terbeschikkingstelling van vermogen van eiseres aan haar zoon in de zin van artikel 3.91 van de Wet IB 2001. Aangezien de zoon van eiseres reeds in 2006 meerderjarig was, kwalificeert de vordering van eiseres op haar zoon niet als terbeschikkingstelling. De vordering valt derhalve in box 3.

Overigens merkt verweerder op dat als wel sprake zou zijn van een belaste terbeschikkingstelling, de door eiseres betaalde rente weliswaar een kostenpost zou vormen, maar dat daartegenover een belaste bate in de vorm van (fictieve) ontvangen rente van de zoon zou staan.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

10. Op grond van artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onder a en b, Wet IB 2001, voorzover thans van belang, wordt onder een werkzaamheid in de zin van afdeling 3.4 Wet IB 2001 mede verstaan het rendabel maken van vermogensbestanddelen door deze ter beschikking te stellen aan een met de belastingplichtige verbonden persoon, dan wel een samenwerkingsverband waarvan de verbonden persoon deel uitmaakt, voorzover die vermogensbestanddelen door die persoon worden aangewend voor het behalen van belastbare winst uit onderneming of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden.

Blijkens het tweede lid, sub b onder 2, wordt onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan: de minderjarige kinderen van de belastingplichtige of zijn partner.

11. Nu de zoon van eiseres reeds in het jaar 2006 meerderjarig was, kan reeds daarom geen sprake zijn van een terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 3.91, eerste lid, van de Wet IB 2001. Dat leidt ertoe dat zowel de schuld van eiseres aan de bank als de vordering die eiseres heeft op haar zoon in box 3 vallen. Betaalde kosten zijn in box 3 niet aftrekbaar. Hetgeen eiseres voor het overige heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

12. Eiseres heeft in haar brief van 28 juli 2016 expliciet aangeven geen beroep te doen op de ongebruikelijke terbeschikkingstelling als bedoeld in het derde lid van artikel 3.91 van de Wet IB 2001. De rechtbank zal zulks dan ook buiten beschouwing laten.

13. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.