Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:8000

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
27-09-2016
Zaaknummer
15/030443-96
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling voor de duur van één (1) jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige raadkamer

Parketnummer: 15/030443-96

Uitspraakdatum: 4 augustus 2016

BESLISSING van de rechtbank, naar aanleiding van de op 15 juni 2016 ter griffie van deze rechtbank ingediende vordering van de officier van justitie gedateerd 15 juni 2016, welke vordering ertoe strekt dat de rechtbank de termijn van de terbeschikkingstelling van:

[terbeschikkinggestelde] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op het adres: [adres],

thans verblijvende binnen FPA GGZ Noord-Holland Noord te Heiloo,

zal verlengen met één (1) jaar.

1 De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de processtukken waaronder:

  • -

    het vonnis van deze rechtbank van 12 december 1996, waarbij betrokkene ter beschikking werd gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, wegens doodslag. De termijn nam een aanvang op 17 september 1999;

  • -

    de beslissing van deze rechtbank van 31 oktober 2014, waarbij de verpleging van overheidswege met ingang van 14 november 2014 voorwaardelijk is beëindigd;

  • -

    de beslissing van deze rechtbank van 20 juli 2015, waarbij de termijn van de terbeschikkingstelling laatstelijk is verlengd met één jaar.

  • -

    het voorlopig verlengingsadvies van 28 januari 2016 opgesteld door [reclasseringswerker 1], als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, toezichtunit 2, Noord-West te Haarlem, strekkende tot de inschatting van een eventueel positief advies tot beëindiging van de maatregel van de terbeschikkingstelling per 29 juli 2016;

  • -

    het verlengingsadvies van 6 juni 2016, opgesteld door [reclasseringswerker 1], als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, toezichtunit 2, Noord-West te Haarlem, strekkende tot verlenging van de (voorwaardelijke) terbeschikkingstelling met één (1) jaar, onder voortzetting van de reeds geldende algemene en bijzondere voorwaarden;

  • -

    het psychiatrisch rapport van 30 mei 2016, opgesteld door [psychiater], psychiater, zoals bedoeld in artikel 509o, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling van één (1) jaar en

  • -

    het voortgangsverslag van 11 juli 2016 opgesteld door [reclasseringswerker 1], als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, toezichtunit 2, Noord-West, te Haarlem.

Op 21 juli 2016 is de vordering op een openbare raadkamerzitting behandeld. Daarbij zijn gehoord de terbeschikkinggestelde (hierna betrokkene), zijn raadsman mr. J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem, de deskundige drs. [psychiater], als psychiater verbonden aan NIFP Noord-Holland, de getuige [reclasseringswerker 2], als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland te Zaandam en de officier van justitie mr. E. Visser. Hierna is het onderzoek gesloten. Van dit verhoor is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

2 Het standpunt van de deskundigen

2.1.

Het standpunt van de reclassering

In genoemd voorlopige verlengingsadvies van de reclassering van 28 januari 2016 is onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende opgenomen:

De reclassering spreekt betrokkene tenminste eens in de veertien dagen bij hem thuis, in de sociowoning, locatie [adres], van de FPA GGZ Noord-Holland-Noord te Heiloo. De samenwerking tussen betrokkene en de reclassering is goed te noemen. De reclassering kan betrokkene in ruim voldoende mate aanspreken op zijn handelen en betrokkene geeft voldoende openheid over zijn leven. Betrokkene toont zich in de behandeling over het algemeen coöperatief en openhartig. Voorts ontvangt hij een ambulante behandeling en woonondersteuning van het ForAct-team. In het komend halfjaar wordt er gewerkt naar het verkrijgen van een verdienwoningconstructie. Betrokkene kan dan via de GGZ NHN een woning huren, met de verplichting dat hij tenminste nog één jaar psychiatrische zorg en begeleiding wil accepteren. Na dat jaar wordt gekeken of betrokkene de woning op zijn eigen naam kan krijgen. In december 2015 is betrokkene positief bevonden op het gebruik van cocaïne. Hoewel betrokkene het gebruik ontkent, zegt hij de urinecontroles met de laboratoriumuitslag te accepteren. De reclassering heeft hem hiervoor een schriftelijke officiële waarschuwing gegeven. Betrokkene respecteert de beslissing van de reclassering en heeft deze officiële waarschuwing ter harte genomen. De reclassering beperkt zich tot slechts een inschatting van een verlengingsadvies. Naar verwachting lijkt een positief advies tot beëindiging van de maatregel per 29 juli 2016 waarschijnlijk. Om tot dit definitief advies te komen dient echter nog onderzoek en intern overleg plaats te vinden. Indien de situatie rond betrokkene de komende maanden in zorgelijke zin zou veranderen, kan de reclassering alsnog overwegen om te adviseren om de TBS-maatregel met één jaar te verlengen.

In genoemd verlengingsadvies van de reclassering van 6 juni 2016 is onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende opgenomen:

In het afgelopen jaar is de reclassering er aanvankelijk vanuit gegaan dat er wellicht een advies kon worden gegeven om de TBS-maatregel definitief te beëindigen. De reclassering moet nu echter vaststellen dat er in de woonsituatie van betrokkene ten opzichte van het vorig jaar weinig is veranderd. Daarnaast is gebleken dat betrokkene in het afgelopen jaar meerdere malen positief is geweest op cocaïne gebruik waarbij hij nog onvoldoende openheid heeft geboden, waardoor er geen zicht is op zijn trekgevoelens en hoe hij deze zou kunnen ondervangen. Daarnaast heeft hij geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn middelengebruik. Betrokkene is er pas op aan te spreken wanneer het onomstotelijk is vast komen te staan dat hij positief scoort bij urinecontroles en deze door klinisch chemisch laboratoriumonderzoek zijn bevestigd. Betrokkene is op zijn verantwoordelijkheid gewezen en daarnaast is hij berispt en is hem een officiële schriftelijke waarschuwing gegeven.

In het afgelopen jaar heeft de reclassering in samenwerking met de FPA vooral ingezet om betrokkene binnen het geboden kader en met het oog op de toekomst, enige ruimte te bieden om meer autonomie en verantwoordelijkheid te nemen. Er moet echter worden vastgesteld dat betrokkene ondanks zijn correcte en coöperatieve opstelling naar zowel het behandelteam als naar de reclassering hierin nog het nodige heeft te leren. Op basis van de risicotaxaties kan gesteld worden dat de kans op recidive binnen de huidige woonsituatie (F-RIBW van de FPA) als laag op korte termijn en op middellange en langere termijn als laag tot matig kan worden ingeschat. De behandelaar heeft aangegeven dat zij gezien de onzekere ontwikkeling met betrekking tot het middelen gebruik een verlenging van de TBS-maatregel verstandig vindt. Een overgang naar een verdienwoning wordt gezien als een life event, wat wellicht de nodige spanningen mee brengt. Gezien het feit dat betrokkene onvoldoende openheid geeft over de functie van het middelengebruik blijft dit een risicofactor. Het middelengebruik kan leiden tot sociaal maatschappelijk verval (meer bewegen in een criminele omgeving/setting) en wordt daardoor gezien als een risicofactor. Vanuit FPC Veldzicht heeft het middelengebruik vooral de functie gehad om oplopende innerlijke spanningen te verdringen.

Het aanvragen van een BOPZ-maatregel, als vangnet bij een eventuele beëindiging van de TBS-maatregel, lijkt geen kans van slagen te hebben, omdat er bij betrokkene geen sprake is van psychiatrische stoornis in engere zin, waardoor er geen verhoogd gevaarrisico is. Bij een eventuele beëindiging van de TBS-maatregel is het, mede op basis van het toenemend cocaïnegebruik, moeilijk in te schatten hoe betrokkene op spanningen zal reageren. Het ForACT heeft wel aangegeven dat zij de zorg niet direct zal beëindigen en dat hij in het traject blijft voor een verdienwoning. Daarentegen lijkt betrokkene nog wel een intensieve ondersteuning en begeleiding nodig te hebben en is een voorzetting van de TBS-maatregel voor één jaar gewenst.

In het komend jaar kan het middelengebruik nog verder worden gemonitord, waarbij de reclassering in samenwerking met de FPA betrokkene zal blijven stimuleren openheid te bieden over zijn handelen en trekgevoelens met als doel om meer zelfzicht te bieden wat de functie is van het cocaïnegebruik. Daarnaast zal ook de focus gericht zijn op het beperkte sociaal netwerk waarbij gekeken kan worden hoe deze contacten als een ondersteunde factor kunnen worden ingezet. De reclassering beseft dat de kans op recidive op korte termijn als laag kan worden ingeschat en op lange termijn als laag tot matig. Daarentegen lijkt voorzichtige stappen in het resocialisatietraject, juist gezien dat hij de neiging zichzelf te overschatten, noodzakelijk en gunt zij het betrokkene om op termijn (wellicht volgend jaar) de TBS-maatregel op een verantwoorde wijze te kunnen afronden.

De getuige [reclasseringswerker 2] heeft bij de behandeling van de vordering voormeld advies namens [reclasseringswerker 1] toegelicht en onderschreven.

2.2.

Het standpunt van de psychiater

In genoemd verslag en advies van de kliniek is onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende opgenomen:

Betrokkene is een 45-jarige man gediagnosticeerd met persoonlijkheidsproblematiek. Er worden antisociale, narcistische en borderline persoonlijkheidskenmerken genoemd in de stukken waarbij door de jaren heen het accent wat wisselt tussen de kenmerken. Volgens zijn behandelaar is de diagnose nog steeds actueel. Ook tijdens dit onderzoek komt ondergetekende tot dezelfde conclusie als vorig jaar, namelijk een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven met antisociale, narcistische en borderline trekken. mede op basis van informatie uit de stukken als bevindingen tijdens dit onderzoek.

Betrokkene lijkt zichzelf te overschatten, althans zo is gebleken in het beheer van zijn financiën. Dit is eerder in de tbs-kliniek vastgesteld en bleek eind vorig jaar wederom zo te zijn. Betrokkene lijkt nu echter wel financiële begeleiding te accepteren. Hij bagatelliseert de positieve scores op cocaïne en kan/wil de eventuele gevolgen ervan niet onder ogen zien. Hij ontkent een eigen aandeel in het gebruik en vertoont heimelijk gedrag. Hij beweert na de officiële waarschuwing geen positieve score meer op drugs gehad te hebben terwijl van zijn toezichthouder en behandelaar andere informatie is verkregen. Betrokkene lijkt zich er erg aan gelegen te zijn een erg positief beeld van zichzelf te willen neerzetten en neemt geen verantwoordelijkheid door openheid van zaken te geven.

Ten aanzien van het middelengebruik werd in het verleden, zoals ook vorig jaar, afhankelijkheid van diverse middelen in (gedwongen) remissie vastgesteld. Er hebben zich in het verleden diverse incidenten voorgedaan ten aanzien van positieve scores op middelen. Nu blijkt dat betrokkene in deze fase van de maatregel diverse malen positief heeft gescoord op cocaïne. Gezien het feit dat betrokkene hier geen openheid over geeft ten aanzien van eventuele trekgevoelens, gedachten en omstandigheden (bv. ten aanzien van impulsiviteit, beïnvloedbaarheid) rondom het gebruik is niet goed uit te maken in hoeverre het gebruik als problematisch aangemerkt kan worden. Tot nog toe lijkt het zijn functioneren niet zichtbaar te verstoren maar wordt zijn gebrek aan openheid wel een moeilijk punt binnen de behandeling.

Alle risico-indicatoren overziend, leidt gebruik van de HCR-20 V3 en de SAPROF tot de globale inschatting van een laag risico bij voortduren van het toezicht middels een TBS maatregel; uit de risicotaxatie komt naar voren dat voornamelijk de historische items gescoord worden, waarbij betrokkene in de huidige setting (wonen met begeleiding, voldoende toezicht) in de overige items laag scoort. Concluderend op basis van het klinisch oordeel en het gebruik van risicotaxatie instrumenten wordt het recidiverisico op een geweldsdelict op de korte termijn laag ingeschat zowel bij voortduren als beëindiging van de TBS. Mocht de maatregel nu beëindigd worden dan wordt het risico als laag tot matig ingeschat, het is naar de mening van ondergetekende nog onvoldoende duidelijk hoe betrokkene met meer vrijheid zal omgaan gezien de ervaring het afgelopen jaar waarbij zijn financiën niet toereikend bleken te zijn voor een verdienwoning en zijn heimelijke gedrag/geen verantwoordelijkheid nemen omtrent zijn cocaïne gebruik.

Gezien de langdurige hospitalisatie van betrokkene, het feit dat hij voor de TBS maatregel nooit goed zelfstandig heeft gefunctioneerd, het risico op overschatting van betrokkene zelf maar ook door zijn omgeving (wat als een rode draad doorheen de stukken genoemd wordt), wordt het gegeven advies van vorig jaar gehandhaafd. Geadviseerd wordt om de overgang naar zelfstandig wonen stapsgewijs te laten gebeuren bij voorkeur binnen de maatregel. Hoewel het acute recidiverisico laag wordt geschat is het de vraag hoe dit risico zich verhoudt tot een situatie waarbij betrokkene volledige zelfstandigheid heeft, minder zichtbaar is voor de begeleiding, gegeven het feit dat hij heimelijk gedrag vertoont in de vorm van drugsgebruik en meer zorgelijk: hierover geen openheid geeft.

Een BOPZ maatregel als vangnet is niet aan de orde: er is geen acuut gevaarsrisico aanwezig alsook is een dergelijke maatregel in de regel eerder van toepassing op ernstige psychiatrische stoornissen in engere zin zoals een psychotische stoornis. Naar de mening van ondergetekende zijn er het afgelopen jaar meer onzekerheden ontstaan over in hoeverre betrokkene op de middellangere termijn zal omgaan met de vrijheid die hij krijgt na beëindiging van de maatregel. Opgemerkt dient wel te worden dat het indexdelict in een specifieke setting is gebeurd en dat de vraag is in hoeverre een dergelijke situatie zich weer zou kunnen voordoen alsook hebben zich tijdens de maatregel geen geweldsincidenten voorgedaan.

Geadviseerd wordt om het middelengebruik te blijven monitoren en trachten het inzicht bij betrokkene te vergroten over de consequenties van zijn gedrag (geen openheid van zaken geven) met in achtneming van zijn behoefte aan autonomie. Voorts wordt geadviseerd de spanningen omtrent de verhuizing naar een verdienwoning goed te monitoren en inzichtelijk te krijgen of dit van invloed is op zijn middelengebruik. Ook verandering van begeleiding kan extra stress opleveren. Zijn signaleringsplan kan hierbij hulp bieden. Uitbreiding van zijn sociale netwerk blijft een aandachtspunt als ook een eventuele nieuwe relatie als deze aan de orde zou komen. Het risico bestaat erin dat betrokkene overvraagd wordt, voornamelijk in de periode rondom en na de verhuizing, maar dit toch moeilijk kenbaar kan maken en het ogenschijnlijk goed lijkt te gaan.

De deskundige [psychiater] heeft bij de behandeling van de vordering voormeld advies toegelicht en onderschreven.

3 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, dat de vordering dient te worden toegewezen en de terbeschikkingstelling onder voorwaarden dient te worden verlengd voor de duur van één (1) jaar. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat, gelet op de rapportages en de toelichtingen daarop ter terechtzitting blijkt, er in de komende fase van het resocialisatietraject wordt toegewerkt naar een verdienwoning hetgeen spanningen met zich brengt en betrokkene in die situaties neigt naar cocaïnegebruik waar hij geen openheid over geeft en betrokkene in dat kader nog hulp en begeleiding behoeft, die hem beter binnen een vast kader kunnen worden geboden.

4 Het standpunt van betrokkene en zijn raadsman

Door en namens betrokkene is afwijzing van de vordering bepleit. Daartoe is aangevoerd, dat er slechts sprake is van één officiële waarschuwing met betrekking tot cocaïnegebruik. Betrokkene is daar zelf mee aan de slag gegaan en volgt in dat kader op eigen initiatief een WRAP-training. Voorts blijkt uit de opgemaakte rapportages dat het recidiverisico bij een beëindiging van de maatregel op korte termijn als laag en op middellange en lange termijn als laag tot matig wordt ingeschat, zodat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen niet langer eist dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt verlengd en de vordering aldus behoort te worden afgewezen.

5 De beoordeling

De rechtbank komt anders dan de reclassering, de psychiater en de officier van justitie op grond van de dossierstukken en het verhandelde ter terechtzitting tot de conclusie dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen niet langer eist dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden van betrokkene wordt verlengd, zodat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij artikel 38e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht en overweegt daartoe als volgt.

Hoewel de omstandigheid dat betrokkene het afgelopen jaar op diverse momenten cocaïne heeft gebruikt en daarover geen openheid heeft betracht als onwenselijk kan worden bestempeld, is het naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de omstandigheid dat zich als gevolg van het gebruik van cocaïne geen incidenten hebben voorgedaan, de behandeling van betrokkenen voor het overige voorspoedig verloopt en het indexdelict reeds in 1996 en onder zeer specifieke omstandigheden heeft plaatsgevonden, onvoldoende om tot de conclusie te komen dat thans nog sprake is van een situatie dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt verlengd. Uit zowel het rapport van de psychiater als het verlengingsadvies en het voortgangsverslag van de reclassering van 11 juli 2016 blijkt ook dat het recidiverisico bij een beëindiging van de maatregel binnen de huidige woonsituatie (F-RIBW van de FPA) op korte termijn als laag en op middellange en lange termijn als laag tot matig wordt ingeschat. Ook de omstandigheid dat de overgang van betrokkene naar een verdienwoning nog niet heeft plaatsgevonden en mogelijk voor spanningen bij betrokkene zorgt, maakt niet dat een verlenging van de terbeschikkingstelling met voorwaarden is vereist. Daarbij speelt mee dat dit traject en de daarbij behorende zorg, zo heeft het ForACT blijkens het verlengingsadvies van 6 juni 2016 aangegeven, bij een beëindiging van de terbeschikkingstelling niet direct zal worden beëindigd. Bovendien is aan het betrekken van een verdienwoning de verplichting gekoppeld dat betrokkene tenminste nog één jaar psychiatrische zorg en begeleiding accepteert. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie dan ook afwijzen.

6 De beslissing

De rechtbank:

wijst de vordering van de officier van justitie af.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze beslissing is gegeven door:

mr. R. van der Heijden, voorzitter,

mr. A.C.M. Rutten en mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op donderdag 4 augustus 2016.

Mr. C.H. de Jonge van Ellemeet is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.