Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:783

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
235911
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kg over vraag of de definitie ‘loonperiode’ in de cao voor Particuliere Beveiliging is aan te merken als standaardbepaling waarvan niet mag worden afgeweken of een minimumbepaling waarvan ten gunste van de werknemers mag worden afgeweken.

Voorzieningenrechter oordeelt dat het gaat om een minimumbepaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/301
AR-Updates.nl 2016-0097
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

KG nummer: C/15/235911/KG ZA 15/974

datum: 2 februari 2016

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

1. DE ONDERNEMINGSRAAD VAN I-SEC NEDERLAND B.V.

gevestigd en kantoor houdende te Schiphol-Oost, gemeente Haarlemmermeer,

rechtsgeldig vertegenwoordigd door zijn voorzitter [A.],

2) [eiser2],

wonende te [woonplaats],

EISERS IN KORT GEDING,

advocaat mr. J.J.M. van Mierlo te Utrecht,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

I-SEC NEDERLAND B.V.,

gevestigd en kantoor houdende te Schiphol-Oost, gemeente Haarlemmermeer,

in persoon verschenen,

2) SOCIAAL FONDS PARTICULIERE BEVEILIGING,

gevestigd en kantoor houdende te Gorinchem,

advocaat mr. J. |Dop te Amsterdam.

GEDAAGDEN IN KORT GEDING,

Partijen zullen verder worden genoemd eisers gezamenlijk “de OR” en gedaagden “I-Sec” respectievelijk “SFPB”.

1 HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 7 januari 2016 zijn verschenen namens de OR de heer [A.] (voorzitter) en de heer [eiser2] voornoemd, vergezeld van mr. Van Mierlo voornoemd en namens I-Sec de heer [B.] (manager planning en capaciteit) en mevrouw

[C.] (financieel manager) en namens SFPB mevrouw [D.] (algemeen secretaris) vergezeld van mr. Dop voornoemd.

De OR heeft gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

I-Sec heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter.

SFPB heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van de OR de originele dagvaarding en pleitnotities en van de zijde van SFPB een conclusie van antwoord en pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

Vervolgens is vonnis bepaald op 15 januari 2016.

Aangezien de voorzieningenrechter bij het opstellen van het vonnis aanliep tegen de omstandigheid dat hem bleek dat het geschil juridisch gezien moet worden beoordeeld volgens de vraag of het hier gaat om bepalingen met een standaardkarakter of bepalingen met een minimumkarakter en het debat ter zitting daarover niet was gevoerd, heeft hij de OR en de SFPB in een faxbericht van 14 januari 2016 in de gelegenheid gesteld zich alsnog uit te laten over het standaardkarakter of het minimumkarakter van de cao-bepalingen. Daarbij is voorts meegedeeld dat nu het vonnis pas zal worden gewezen na de loonbetaling over de maand januari 2016 de voorzieningenrechter er van uit gaat dat I-Sec hangende de uitkomst van het kort geding haar bepalingsmethode per maand zal voortzetten en dat SFPB dit hangende dit kort geding zal gedogen.

SFPB heeft zich in een faxbericht van 21 januari 2016 hierover uitgelaten.

De OR heeft zich een faxbericht van 25 januari 2016 hierover uitgelaten.

Vervolgens is andermaal vonnis bepaald.

2 DE UITGANGSPUNTEN

2.1

I-Sec is een beveiligingsbedrijf. Zij verricht diensten voor luchtvaartmaatschappijen en luchthavens. I-Sec beschikt over het Keurmerk Beveiliging.

2.2

I-Sec valt onder de cao Particuliere Beveiliging. Deze cao is algemeen verbindend verklaard. De cao werd tot begin 2015 op basis van vrijwilligheid toegepast door

I-Sec. Inmiddels is I-Sec, vanaf 1 september 2015, lid geworden van de Nederlandse Beveiligingsbranche, de werkgeverspartij bij voornoemde cao.

2.3

In de cao is een definitie opgenomen voor het begrip ‘loonperiode’. Een loonperiode is een periode van vier aaneengesloten weken waarover het loon aan de werknemer wordt uitbetaald. De periode van vier aaneengesloten weken hangt samen met de roostersystematiek van de werknemers, waarbij werknemers telkens voor een periode van vier weken worden ingeroosterd.

2.4

In artikel 4 lid 4 van de cao is bepaald dat de werkgever, tenzij anders bepaald, voor de werknemer in positieve zin mag afwijken van de arbeidsvoorwaarden in de cao.

2.5

De afgelopen jaren heeft I-Sec, in overleg met haar werknemers, het loon aan de werknemers uitbetaald per maand. Daarbij werd het basisloon van de werknemers voor de loonperiode van vier weken omgerekend naar een loon per maand. Onregelmatigheidstoeslagen, overwerk, min-uren en eventuele andere toeslagen werden over de loonperiode van vier weken berekend en vervolgens uitgekeerd bij de salarisbetaling van het basisloon in de daarop volgende maand.

2.6

SFPB heeft onder meer als doel om via het door cao-partijen ingestelde controleorgaan uitvoering te geven aan controle op de naleving van de cao’s.

2.7

I-Sec is in 2014 door het controleorgaan gecontroleerd op de juiste naleving van de cao. Daarbij is geconstateerd dat I-Sec in afwijking van de cao haar werknemers per maand verloond in plaats van per vier weken.

2.8

In een brief van 19 november 2014 heeft SFPB I-Sec gewezen op de hiervoor genoemde constatering en haar gewezen op de mogelijkheid dispensatie aan te vragen bij de cao-partijen. Daarbij heeft SFPB wel benadrukt dat de cao-partijen de vierwekelijkse verloning stringent toepassen en dat er tot op heden nog geen dispensatie voor deze bepaling is verleend. Voorts heeft SFPB er op gewezen dat indien I-Sec niet tijdig aantoont dat zij is overgegaan op vierwekelijkse verloning van haar werknemers, dit zal worden aangemerkt als het niet naleven van de cao en dat er in dat geval een boete opgelegd kan worden.

2.9

I-Sec heeft bij brief van 24 november 2014 dispensatie aangevraagd. Haar verzoek is op 3 december 2014 behandeld in de vergadering van SFPB. Het dispensatieverzoek is afgewezen. Dit is op 17 december 2014 schriftelijk meegedeeld aan I-Sec.

2.10

Omdat het op dat moment voor I-Sec niet meer mogelijk was de omzetting van de maandverloning naar een verloning per vier weken bij de Belastingdienst vóór 1 januari 2015 te realiseren, is haar een periode gegund tot 1 januari 2016 om deze omzetting te realiseren.

2.11

I-Sec heeft de benodigde omzetting inmiddels geregeld zodat zij in staat is met ingang van januari 2016 haar werknemers per vier weken te verlonen. Zij heeft haar werknemers ook van dit voornemen in kennis gesteld.

2.12

Na klachten van werknemers van I-Sec bij de OR over het voornemen van I-Sec om de verloningsperiode te wijzigen, heeft de OR I-Sec gevraagd te bevestigen dat de maandelijkse verloning na 1 januari 2016 zal worden gecontinueerd en SFPB gevraagd om te bevestigen dat zij ermee instemt dat de maandelijkse verloning na 1 januari 2016 wordt gecontinueerd.

2.13

Bij brief van 9 november 2015 heeft I-Sec de OR meegedeeld dat zij de wens van de werknemers erkent maar dat SFPB heeft laten blijken dat met ingang van 1 januari 2016 een eind moet komen aan de maandelijkse verloning en dat zij daarom tot vierwekelijkse verloning zal overgaan.

2.14

SFPB heeft bij e-mail van 24 november 2015 meegedeeld dat de cao-partijen zich op het standpunt stellen dat het hanteren van een andere periode van verloning dan vier weken niet kan worden aangemerkt als een positieve afwijking van de cao.

2.15

In een e-mail van 27 november 2015 van I-Sec aan de OR heeft I-Sec de OR op grond van artikel 32 WOR de bevoegdheid gegeven I-Sec in rechte te betrekken met het doel naleving van arbeidsvoorwaarden te bevorderen.

3 DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

De OR vordert – verkort weergegeven – dat I-Sec wordt veroordeeld haar werknemers na 1 januari 2016 maandelijks te verlonen en te betalen, een en ander op de wijze waarop dat tot op heden is geschied. Voorts vordert zij dat SFPB wordt veroordeeld te gehengen en te gedogen dat I-Sec na 1 januari 2016 haar werknemers maandelijks zal blijven verlonen en betalen, op de wijze waarop dat tot op heden geschied is.

3.2

De OR legt aan zijn vordering ten grondslag dat het op grond van artikel 28 van de WOR de taak van de OR is om naleving van de arbeidsvoorwaarden te bevorderen. Hij stelt dat voor zover geoordeeld zal worden dat de OR die bevoegdheid niet aan artikel 28 WOR kan ontlenen, die bevoegdheid hem op grond van artikel 32 WOR door de ondernemer is toegekend.

3.3

I-Sec heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter. Desgevraagd heeft zij verklaard dat zij thans beschikt over twee loonnummers bij de belastingdienst, één voor vierwekelijks verlonen en één voor maandelijks verlonen. Zij heeft aangevoerd dat dit laatste nummer ook na 1 januari 2016 bij haar in gebruik blijft voor een aantal werknemers die niet onder de cao Particuliere Beveiliging vallen. Zij heeft verklaard dat zij daardoor, als de voorzieningenrechter de vordering van de OR zal toewijzen, in staat zal zijn de verloning per maand voort te zetten zoals dit tot en met december 2015 heeft plaatsgevonden.

3.4

SFPB heeft verweer gevoerd. In de eerste plaats heeft zij aangevoerd dat de OR geen bevoegdheid heeft om SFPB in rechte te betrekken en dat er geen sprake is van een rechtsverhouding tussen de OR en SFPB op grond waarvan de OR vorderingen tegen SFPB kan instellen, zodat de OR niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vorderingen. Daarnaast heeft zij het standpunt ingenomen dat de OR geen spoedeisend belang heeft, in de eerste plaats omdat de vierwekelijkse verloning op zijn vroegst pas per 1 januari 2017 zou kunnen worden teruggedraaid aangezien een ondernemer een dergelijke omzetting bij de belastingdienst maar eenmaal per jaar mag doen en in de tweede plaats omdat de OR al sinds eind 2014 op de hoogte was van de voorgenomen wijziging van de periode van verloning en daar niet eerder tegen opgekomen is.

3.5

Voor zover geoordeeld zal worden dat de OR wel in zijn vordering kan worden ontvangen heeft SFPB inhoudelijk verweer gevoerd en het volgende aangevoerd. Zij heeft aangevoerd dat de verloningsperiode van vier weken in de cao is opgenomen ter bevordering van de transparantie en de controleerbaarheid van alle looncomponenten op juistheid voor alle werknemers in de beveiligingsbranche. Zij heeft betoogd dat de loonperiode een definitie is in de cao en niet kan worden aangemerkt als een arbeidsvoorwaarde, zodat het om die reden ook niet mogelijk is om daarvan op grond van artikel 4 lid 4 van de cao af te wijken.

3.6

In haar faxbericht van 21 januari 2016 heeft SFPB betoogd dat, hoewel dit niet letterlijk uit de tekst van de cao blijkt, de cao-partijen de definitie van loonperiode zoals opgenomen in artikel 1 van de cao PB als een standaardbepaling hanteren, waarvan dus niet afgeweken mag worden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij gewezen naar hetgeen zij hierover op haar website heeft vermeld bij het item ‘vaak gestelde vragen’. Zij heeft betoogd dat daar als antwoord op de vraag of het salaris ook per maand mag worden uitbetaald negatief geantwoord is omdat de hele cao gebaseerd is op vier weken en dat om die reden ook de salarisbetaling per vier weken moet gebeuren. Zij heeft betoogd dat dit standpunt door deze vermelding op haar website duidelijk is voor zowel werkgevers als werknemers. Zij heeft verder het standpunt ingenomen dat de bepaling omtrent de loonperiode de grondslag vormt voor alle overige bepalingen uit de cao PB en dat indien van de definitie loonperiode afgeweken zou worden, dit direct gevolgen zal hebben voor de toepassing van de overige bepalingen in de cao. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat voorzover geoordeeld zou worden dat de definitie ‘loonperiode’ als arbeidsvoorwaarde moet worden aangemerkt, door de cao-partijen is bepaald dat afwijken daarvan niet mogelijk is zodat afwijking in gunstige zin voor de werknemer als bedoeld in artikel 4 lid 4 van de cao dan ook niet mogelijk is. Voorts vraagt zij zich af of de beoogde afwijking wel als gunstig voor de werknemers moet worden beschouwd.

3.7

De OR heeft betoogd dat de definitie van loonperiode in de cao een minimumkarakter heeft, waarvan ten behoeve van de werknemers in positieve zin afgeweken mag worden. In de cao is immers niet bepaald dat hiervan niet mag worden afgeweken. De omstandigheid dat een periode van vier weken wordt gebruikt als standaard bij de vormgeving van diverse bepalingen in de cao maakt nog niet dat het een standaardbepaling in de zin van het cao-recht betreft. Zij heeft nogmaals benadrukt dat zij bij haar verloning uitsluitend het vaste deel van het salaris niet per vier weken maar per maand vaststelt en betaalt maar dat het variabele deel van het salaris conform de cao vierwekelijks wordt berekend en wordt betaald bij de eerstvolgende maandelijkse salarisbetaling.

3.8

Voor zover voor de beslissing van belang zal hierna inhoudelijk worden ingegaan op de verschillende standpunten.

4 DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

Niet-ontvankelijkheid

4.1

Door SFPB is als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de OR niet kan worden ontvangen in zijn vorderingen jegens SFPB. Zij heeft daarbij aangevoerd dat een dergelijke bevoegdheid voor de OR niet voortvloeit uit de WOR.

4.2

Dit verweer slaagt. De bepalingen in de WOR bieden geen grondslag voor een collectief actierecht van de OR ten behoeve van het collectief van werknemers in de onderneming waarbinnen hij functioneert voor zover het betreft acties tegen derden.

4.3

Hieruit volgt dat de OR in zijn vorderingen jegens SFPB niet kan worden ontvangen. De OR zal worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van SFPB gevallen.

4.4

In zijn vordering ingesteld tegen I-Sec kan de OR op grond van het bepaalde in artikel 32 WOR wel worden ontvangen, nu I-Sec de OR in haar e-mail van 27 november 2015 de bevoegdheid heeft gegeven haar in rechte te betrekken.

Spoedeisend belang

4.5

Door SFPB is verder aangevoerd dat de OR geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Daartoe heeft zij aangevoerd dat een eventuele wijziging in de verloningssystematiek pas weer per 1 januari 2017 door I-Sec bij de belastingdienst kan worden gerealiseerd. Voorts heeft zij aangevoerd dat de OR reeds een jaar op de hoogte was, althans had kunnen zijn, van de omstandigheid dat aan I-Sec geen dispensatie werd verleend voor het maandelijks verlonen van de werknemers, maar dat hij ervoor gekozen heeft niet eerder actie te ondernemen.

4.6

Dit betoog faalt. Ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat I-Sec mogelijkheden heeft (ook fiscaal) om de verloning per maand te continueren indien geoordeeld wordt dat de cao daarop aanspraak biedt.

4.7

Ook het betoog van SFPB dat de OR niet eerder actie heeft ondernomen terwijl hij wel eerder op de hoogte was, althans had kunnen zijn, van een (voorgenomen) wijziging in de verloningssystematiek, treft geen doel. Door de OR is voldoende aannemelijk gemaakt dat hij, mede als gevolg van allerlei reorganisaties en overnameperikelen het afgelopen jaar, pas het afgelopen najaar op de hoogte was gekomen van de omstandigheid dat I-Sec vanaf januari 2016 per vier weken zou gaan verlonen in plaats van per maand. Dit is door SFPB onvoldoende weersproken.

4.8

Uit het vorenstaande volgt dat de OR een voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen en in zijn vordering jegens I-Sec kan worden ontvangen.

Inhoudelijk

De positie van partijen

4.9

In dit kort geding doet zich de omstandigheid voor dat er een geschil is tussen de OR en de werkgever doordat de werkgever, I-Sec, zich gedwongen voelt om gevolg te geven aan de aansporingen van SFPB om op basis van een door SFPB aangehangen uitleg van de cao en de afwijkingsmogelijkheden daarvan een einde te maken aan de tot op heden door I-Sec gehanteerde praktijk van verloning per maand. I-Sec heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter meent dat I-Sec, gelet op haar keuze om haar verloningssysteem op aandringen van SFPB te wijzigen in een verloning per vier weken, eigenlijk het standpunt had moeten bepleiten dat door SFPB is ingenomen. Omdat het standpunt van SFPB het inhoudelijke standpunt betreft waartegen de OR opkomt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan dit geschil het meest recht gedaan wordt indien het standpunt van SFPB hierna inhoudelijk wordt besproken als ware het door I-Sec aangevoerd. Formeel gezien zijn dat geen overwegingen ten overvloede, aangezien het de voorzieningenrechter vrij staat om ook bij een referte op grond van een belangenafweging een gevraagde voorziening te weigeren en bij weging van de betrokken belangen mede een rol speelt of de huidige verloning al of niet op gespannen voet staat met de cao.

Is de definitie van ‘loonperiode’ in de cao een standaardbepaling of een bepaling met een minimumkarakter?

4.10

De kernvraag waarover partijen van mening verschillen is of de definitie van ‘loonperiode’ in de cao als een bepaling met een standaardkarakter kan worden beschouwd of als een bepaling met een minimumkarakter moet worden beschouwd. Door de OR is betoogd dat de definitie van loonperiode een minimum karakter heeft en dat daarvan dus op grond van artikel 4 lid 4 van de cao in positieve zin voor de werknemer mag worden afgeweken. Door SFPB is het standpunt ingenomen dat de definitie van loonperiode een standaardbepaling betreft waarvan dus niet mag worden afgeweken.

4.11

Bij de beantwoording van de onderhavige vraag stelt de voorzieningenrechter voorop dat, in het algemeen, aan de werknemers en werkgever op wie de overeenkomst van toepassing is bij het bepalen van inhoud en strekking daarvan geen andere gegevens ter beschikking staan dan de tekst van de cao en de eventueel daaraan toegevoegde schriftelijke toelichting. Dit brengt mee dat voor de uitleg van de bepalingen van de cao, de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst met inbegrip van de daarbij behorende toelichting, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn.

4.12

De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat cao-partijen de definitie van loonperiode hanteren als standaard voor de verloning van de werknemers op we de cao van toepassing is. Dat brengt echter niet mee dat reeds om die reden sprake is van een standaard bepaling, waarvan niet mag worden afgeweken. De definitie is opgenomen in een cao waaraan als geheel een minimum karakter moet worden toegeschreven. Zoals SFPB terecht betoogt sluit dat niet uit dat de cao standaard bepalingen bevat, maar voor de aanname dat dit het geval is zal in het licht van het minimum karakter van de cao als geheel in de cao zelf wel voldoende grondslag moeten kunnen worden gevonden. Dat brengt voor de onderhavige bepaling mee dat uit de tekst van de cao moet blijken dat verloning anders dan per vier weken niet is toegestaan. Dat is hier niet het geval. De omstandigheid dat SFPB op haar website heeft vermeld dat het salaris niet per maand mag worden betaald kan daarin geen verandering brengen.

4.13

Tenslotte, en ten overvloede, kan SFPB ook niet volhouden dat de toepassingspraktijk van de onderhavige cao dwingt tot de slotsom dat er sprake is van een bepaling met een standaard-karakter. Zij heeft immers zelf opgemerkt dat 90 van de 289 bedrijven die zij in 2013 en 2014 heeft gecontroleerd gebruik maakten van maandverloning. In het licht van deze geschiedenis kan zij dan ook niet volhouden dat cao-partijen altijd hebben gehandeld alsof de gedefinieerde verloningsperiode een standaard bepaling is.

4.14

De slotsom is dan ook dat wat betreft de verloningsperiode de cao een minimum karakter heeft, hetgeen meebrengt dat ten gunste van de werknemers van de betrokken cao-bepalingen kan worden afgeweken.

Is sprake van een arbeidsvoorwaarde?

4.15

Anders dan SFPB heeft betoogd is de voorzieningenrechter van oordeel dat de bepalingen in de cao die de (vierwekelijkse) verloning regelen moeten worden beschouwd als bepalingen die zien op de regeling van een arbeidsvoorwaarde.

De stelling dat definities naar hun aard niet kunnen worden gezien als arbeidsvoorwaarde (als bedoeld in 4 lid 4 cao) miskent dat een definitie op zichzelf geen operationele bepaling van een arbeidsvoorwaardenregeling vormt. Definities zijn nodig om de overige bepalingen in een dergelijke regeling, die gedrag voorschrijven, reguleren of verbieden, aanspraken toekennen, bepalen en begrenzen, etc, te kunnen laten werken. Waar het in deze op aan komt is of die bepalingen, voor zover zij de uitbetaling van salaris in de tijd regelen, als standaardbepalingen moeten worden aangemerkt. Dat is hier onmiskenbaar het geval.

Is sprake van een afwijking van de cao in positieve zin?

4.16

Daarmee resteert de vraag of er sprake is van een afwijking in positieve zin voor de werknemers. Door I-Sec is aangevoerd dat bij maandverloning het basissalaris eerder wordt uitbetaald dan bij een verloning per periode van vier weken. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat het salaris thans ongeveer een week voor het einde van de maand uitbetaald wordt en dat het salaris bij een vierwekelijkse verloning pas enige dagen na ommekomst van die periode wordt uitbetaald omdat eerst alle toeslagen en dergelijke berekend moeten worden. Daarmee komt het verschil in betaling op circa twee weken in het voordeel van de werknemers, aldus I-Sec.

4.17

SFPB heeft in twijfel getrokken of de beoogde afwijking wel als afwijking ten gunste van I-Secs werknemers kan worden gezien. Zij heeft betoogd dat de noodzakelijke herleidbaarheid van de verschillende looncomponenten bij maandelijkse verloning voor de werknemers van I-Sec niet direct heel duidelijk is, aangezien I-Sec het noodzakelijk vond exact vast te leggen en aan haar werknemers uit te leggen wanneer zij hun (basis)salaris en overige looncomponenten uitbetaald kregen. Voorts heeft SFPB erop gewezen dat uit het betoog van I-Sec volgt dat werknemers hun overige looncomponenten iedere periode te laat uitbetaald krijgen aangezien deze pas worden uitbetaald bij de salarisbetaling van de daarop volgende maand en niet aan het eind van de loonperiode waarin is gewerkt, zodat dit in ieder geval niet in hun voordeel is.

4.18

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter miskent dat betoog dat de onduidelijkheid waarover SFPB hier spreekt onduidelijkheid betreft voor de werknemers die via hun ondernemingsraad in dit geding aandringen op handhaving van dat volgens het SFPB zo onduidelijke en niet in hun belang werkende systeem. Dat is echter geen belang waarvoor SFPB zich in het onderhavige geding tot vertolker kan maken. SFPB behoeft slechts op te treden voor het collectieve belang van aangesloten werknemers dat door die afwijking zou kunnen worden geschaad. Dat het salaris bij een overgang naar een vierwekelijkse verloning noodgedwongen later wordt betaald is niet weersproken. Ook is niet weersproken dat de betaaldata niet langer aansluiten bij het maandpatroon van vaste uitgaven en dat dit ook los van het naar achteren schuiven van de betaaldatum door veel van de betrokken werknemers als een nadeel wordt gezien. SFPB heeft over dit punt badinerend gedaan en zelfs gesuggereerd dat deze werknemers een verkeerd begrip van hun eigen belang hebben. De voorzieningenrechter gaat daarin niet mee. Het betreft hier een beroepsgroep met (overwegend) relatief bescheiden salarissen. Het belang dat zij bij continuering van de huidige praktijk hebben moet mede om die reden dan ook serieus worden genomen. Niet van belang is of het belang van uniformiteit van de verloning binnen de branche, waarvoor SFPB zich sterk maakt, daar tegenop weegt. Voldoende is de vaststelling dat in redelijkheid niet kan worden betwist dat de bedoelde continuering in het voordeel van de betrokken werknemers geacht moet worden.

Slotsom

4.19

Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van de OR ingesteld tegen I-Sec kan worden toegewezen. I-Sec zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding aan de zijde van de OR gevallen.

5 DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- verklaart de OR niet ontvankelijk in zijn vordering voor zover jegens SFPB ingesteld;

- veroordeelt de OR in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van het SFPB begroot op € 619,-- aan verschotten en op € 816,-- aan salaris advocaat;

- veroordeelt I-Sec haar werknemers na 1 januari 2016 maandelijks te verlonen en te betalen, een en ander op de wijze waarop dat tot en met december 2015 is geschied;

- veroordeelt I-Sec in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de OR begroot op € 718,98 aan verschotten en op € 816,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- weigert de meer of anders gevorderde voorziening.

Gewezen door mr. A.H. Schotman, voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2016 in tegenwoordigheid van

C. Vis-van Zanden, griffier.

Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.

Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist