Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:7720

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-09-2016
Datum publicatie
16-09-2016
Zaaknummer
C/15/247789 / KG ZA 16-652
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige uitlatingen. Vrijheid van meningsuiting tegenover bescherming van de goede naam. Gülen-school. Aanduiding Feto-school of terroristenschool onrechtmatig, overige voorzieningen geweigerd. Te ingrijpend dan wel niet kunnen bijdragen aan beoogde doel van bevorderen rust op school.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2017/667
NJF 2016/484
IR 2016/171, UDH:IR/13846 met annotatie van Onder redactie van mr. M. van der Linden en mr. C.C.M. Kroeks – de Raaij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/247789 / KG ZA 16-652

Vonnis in kort geding van 16 september 2016

in de zaak van

de privaatrechtelijke rechtspersoon

[de stichting] ,

statutair gevestigd en kantoor houdende te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaten mr. M.R.A. Dekker en mr. W. Brussee te 's-Gravenhage,

tegen

1 [ouder 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [ouder 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [ouder 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [ouder 4],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaten mr. E. Köse en mr. A.K. Tosun te Rotterdam.

Partijen zullen hierna ook [de stichting] en [de ouders] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de brief d.d. 31 augustus 2016 met een aantal ongenummerde producties van de zijde van [de stichting]

  • -

    de stelbrief d.d. 2 september 2016 met vijf producties van de zijde van [de ouders]

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 2 september 2016

  • -

    de pleitnota van [de stichting] waarin zij haar eis heeft gewijzigd

  • -

    de pleitnota van [de ouders]

1.2.

Na het uitroepen van de zaak zijn verschenen namens [de stichting] [bestuurder 1] (bestuurder) vergezeld van een tolk in de Turkse taal en bijgestaan door mrs. Dekker en Brussee voornoemd en [ouder 1] , [ouder 2] , [ouder 3] en [ouder 4] in persoon vergezeld van een tolk in de Turkse taal en bijgestaan door mrs. Köse en Tosun voornoemd.

1.3.

Nadat partijen over en weer het woord hebben gevoerd zijn zij overeengekomen te proberen via een gesprek tot een oplossing te komen, die de rust en de veiligheid op school bevordert. De verdere behandeling van de zaak is in verband daarmee pro forma aangehouden tot woensdag 7 september 2016 in afwachting van bericht van de advocaten over de gewenste voortgang.

1.4.

Op 6 september 2016 heeft mr. Dekker bericht dat partijen nog in gesprek zijn en dat het gesprek op 8 september 2016 zal worden voortgezet.

1.5.

Bij brief van 8 september 2016 heeft mr. Dekker namens [de stichting] verklaard dat de onderhandelingen tussen partijen niet tot een oplossing hebben geleid en hij heeft vonnis gevraagd.

1.6.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[de stichting] is het bevoegd gezag in de zin van de Wet op het Primair Onderwijs van de islamitische basisschool [naam school] (hierna: [de school] ) te Zaandam.

2.2.

De statuten van [de stichting] houden onder meer het volgende in:

(…)

COLLEGE VAN BESTUUR: SAMENSTELLING, BENOEMING, SCHORSING EN ONTSLAG

Artikel 5

(…)

8. Indien in het College van Bestuur, om welke reden dan ook, een of meer leden ontbreken, dan vormen de overblijvende leden niettemin een wettig bestuur en behoudt het College van Bestuur zijn bevoegdheden.

(…)

TAKEN EN BEVOEGDHEDEN COLLEGE VAN BESTUUR

Artikel 6

(…)

4. Indien het College van Bestuur uit twee (2) leden bestaat, worden de besluiten van het bestuur genomen met volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen. (…)

VERTEGENWOORDIGING

Artikel 7

1. Het College van Bestuur vertegenwoordigt de stichting in en buiten rechte.

2. De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt mede toe aan twee gezamenlijk handelende bestuurders.

3. Het College van Bestuur kan volmacht verlenen aan één of meer leden van het College van Bestuur, alsook aan derden, om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen.

2.3.

In het handelsregister van de Kamer van Koophandel stonden op 31 augustus 2016 als bestuurders van [de stichting] ingeschreven [bestuurder 1] en [bestuurder 2] . Met [bestuurder 2] is afgesproken dat hij per 1 augustus 2016 terugtreedt als bestuurder van [de stichting] . Feitelijk is [bestuurder 2] reeds sinds vóór de zomervakantie 2016 niet meer bereikbaar.

2.4.

Bij aanvang van de zomervakantie 2016 had [de school] een leerlingenbestand van 411 leerlingen, van wie 88 % van Turks-Nederlandse afkomst was.

2.5.

Op 15 juli 2016 heeft in Turkije een mislukte staatsgreep plaatsgevonden.

2.6.

Op 28 juli 2016 heeft [de school] een verklaring op de website van de school geplaatst waarin het volgende staat:

De missie van de [de stichting] onderwijs is het verzorgen van kwalitatief hoogwaardig
primair onderwijs. De leerlingen worden in overeenstemming met de normen, waarden en opvoedingsregels van de Islam begeleid en voorbereid op een leven lang leren. Wij zijn een Nederlandse school op islamitische grondslag die open staat voor alle kinderen, ongeacht hun sociale, politieke en religieuze achtergrond.

De [de stichting] biedt onderwijs op islamitische grondslag aan alle leerlingen ongeacht hun sociale, politieke en culturele achtergrond en staat open voor iedereen. De twee

[de stichting] scholen bekend onder de naam [naam school] met een locatie in Zaandam en Purmerend zijn ambitieuze scholen die zich kenmerken door een sterke oriëntatie op wereldburgerschap, hoogwaardig kleinschalig onderwijs, ruimte voor persoonlijke groei en streven naar respect voor elkaar.

De scholen van de [de stichting] zijn Nederlandse scholen, zijn succesvol en hebben een groeiende leerlingenpopulatie. Zij leert haar leerlingen een open houding te hebben tegenover mensen met een andere culturele achtergrond, religie, geslacht en geaardheid en hen lief te hebben. De leerlingen worden opgeleid tot zelfstandig denkende personen. De extra onderwijsactiviteiten dragen bij aan de ontwikkeling van de leerlingen. Derhalve distantieert de [de stichting] zich ten stelligste met elke link van welke politieke beweging, geweld of couppoging dan ook, zowel in Nederland als in Turkije. [de stichting] betreurt het ten zeerste dat wij via social media door onbekenden op een lijst zijn geplaatst van te boycotten organisaties of bedrijven. Het is bijzonder jammer en wij betreuren het ten zeerste dat hierdoor een onjuist beeld wordt geschetst over onze scholen. Men hoeft niet achter ons (onderwijs)concept te staan, echter het is ontoelaatbaar om onjuiste beelden over [de stichting] te verspreiden. De situatie in Turkije baart ons ernstig zorgen en wij spreken sterk de wens uit dat de polarisatie in Turkije niet hier in Nederland wordt voortgezet. Wij hopen tevens dat de rust in Turkije op korte termijn terugkeert en de democratische waarden in acht worden genomen. [de stichting] beraadt zich op juridische stappen tegen een ieder die dergelijke lijsten heeft verspreid, dan wel op een andere manier dit tot uiting brengt of heeft gebracht.

2.7.

[de ouders] zijn Turks-Nederlandse ouders van voormalige leerlingen van [de school] . Deze ouders hebben hun kinderen van [de school] laten uitschrijven en op een andere basisschool ingeschreven.

2.8.

[ouder 1] heeft op 1 augustus 2016 een WhatsApp-groep opgericht onder de naam (vertaald uit het Turks) “Hand in hand tegen Fetos”. [ouder 1] heeft (als klassenmoeder) in eerste instantie circa negen andere ouders van kinderen in groep 6B van [de school] aan de WhatsApp-groep toegevoegd van wie zij dacht dat zij dezelfde mening zouden hebben over [de school] als zijzelf. Vervolgens hebben [de ouders] andere ouders van leerlingen van [de school] benaderd met de vraag of zij wilden deelnemen aan de WhatsApp-groep. De ouders die hebben aangegeven dat te willen, zijn toegevoegd aan de Whatsapp-groep. Omdat veel ouders wilden worden toegevoegd aan de groep heeft [ouder 1] naast zichzelf [ouder 2] en [ouder 3] toegevoegd als beheerder van de groepsapp.

2.9.

[ouder 4] heeft op enig moment een brief met de volgende (uit het Turks vertaalde) inhoud doen uitgaan:

Goedendag dames,

Jullie kennen de situatie in Turkije. Helaas valt onze school ook onder deze landverraders. Wij hebben met een paar ouders de whatsappgroep “Hand in hand tegen Fetos” geopend.

Als er ouders zijn die hun kinderen wensen uit te schrijven graag de volgende gegevens vermelden.

Voornaam van het kind

Achternaam

Groep

Let op!

Wij voegen enkel ouders toe die hun kinderen niet naar de school van Fethullah Gülen wensen te laten gaan.

Een ieder die wenst deel te nemen graag bij mij aanmelden.

Moge God ons helpen.

Een fijne vrijdag toegewenst.

2.10.

Bij de stukken bevindt zich een mailbericht van de strategisch adviseur onderwijs van de gemeente Zaanstad aan onder meer [ouder 1] d.d. 23 augustus 2016 om 13:29 uur met de volgende inhoud:

Dank voor het open en constructieve gesprek zojuist. Zoals afgesproken deel ik via deze weg onze contactgegevens.

Verder spraken we het volgende af:

  • -

    De commissie veilig naar school Zaandam deelt de lijst met namen van leerlingen, aangevuld met postcodes, met de schoolbesturen.

  • -

    De gemeente en schoolbesturen stelt een tekstpassage op die gedeeld kan worden met ouders, waarin informatie te vinden is over wat te doen als je over wilt stappen.

  • -

    Alle partijen kunnen deze tekstpassage delen met ouders die hen benaderen en aangeven dat ze een overstap willen maken.

  • -

    De commissie veilig naar school Zaandam deelt de tekstpassage met ouders op de lijst.

  • -

    De schoolbesturen sturen dagelijks een update hoe de aanmelding en inschrijving verloopt.

  • -

    De gemeente koppelt de uitkomst van het gesprek terug naar [de stichting] .

(…)

2.11.

[ouder 1] heeft op 26 augustus 2016 een bericht geliket dat via facebook is verspreid onder de titel (vertaald uit het Turks) ‘Ik zal mijn kind niet op een school van landverraders houden. – Europa Sabah – Sabah.de’ en er reacties bij geplaatst.

2.12.

[de school] heeft aan [de ouders] ieder een ongedateerde brief gezonden, die het volgende inhoudt:

U heeft door middel van het gebruik maken van social media en het oprichten van een whatsappgroep, waarbij 90 ouders zijn toegevoegd bijzonder grievend, beledigend en belastend uitgelaten over deze school, welke uitlatingen als onrechtmatig jegens ons dienen te worden aangemerkt, waardoor dit u in persoon wordt aangerekend.

U heeft zowel via social media alsmede via de whatsappgroep onze school neergezet als een terroristische organisatie gelieerd aan Fetullah Gülen. Niet alleen legt u met uw uitlatingen een rechtstreeks verband tussen de coupe poging en onze school, doch u benadert ook actief andere ouders om hun leerlingen van onze school te halen. Dit nemen wij u zeer kwalijk.

Met uw uiterst beledigende, belasterende en/of versmadende uitlatingen tracht u onze school als een school af te schilderen alsof onze school de coupe poging in Turkije heeft geïnitieerd en nauwe banden zou hebben met de Gülenbeweging. Deze uitlatingen zijn onrechtmatig jegens ons.

Geen van uw beschuldigingen zijn met bewijs gestaafd en zijn alle ongefundeerde en valse aantijgingen die niet alleen als beledigend en zeer schadelijk dienen te worden aangemerkt jegens ons en onze school, maar ook als smaad(schrift) en/of laster. U heeft ons en onze school bewust valselijk beschuldigd en ons hiermee ernstige schade berokkend.

Aan deze door u gestarte whatsapp groepen waarbij laster en smaadpraktijken in voorkomen dienen dan ook onmiddellijk gestaakt te worden.

Op grond van het bovenstaande sommeer ik u binnen 24 uur na dagtekening van dit schrijven over te gaan tot het rectificeren van de door u geuite onwaarheden aangaande onze school en het opheffen van de whatsappgroepen waarbij onwaarheden, smaad en laster worden verkondigd.

Voor wat betreft de door ons door de onrechtmatige handelingen reeds geleden en/of nog te lijden (im)materiële schade, additioneel, spreken wij u daarvoor aan. (…)

2.13.

Bij de aanvang van het nieuwe schooljaar op 29 augustus 2016 zijn er ongeveer 150 leerlingen minder naar de school gekomen dan [de school] op grond van het eerder genoemde aantal van 411 mocht verwachten.

2.14.

Bij de door [de ouders] overgelegde stukken bevindt zich een persbericht d.d. 30 augustus 2016 van de NOS dat onder meer het volgende inhoudt:

Het Turkse staatspersbureau Anadolu heeft gisteren en vandaag artikelen gepubliceerd over de organisaties en bedrijven in Nederland die banden zouden hebben met de islamitische geestelijke Fethullah Gülen. De Turkse president Erdogan houdt Gülen verantwoordelijk voor de mislukte coup van juli en beschouwt hem als een terrorist.

(…)

Persbureau Anadolu somt een lange lijst met scholen, culturele instellingen, ondernemersverenigingen en andere instellingen op die zouden sympathiseren met Gülen. Eerder zijn dergelijke artikelen verschenen over ‘Gülen-gerelateerde”scholen en verenigingen in andere landen.

Wat het persbureau beoogt met de publicatie van de artikelen over Nederland en waarom dat precies nú gebeurt, is onduidelijk. De lijst is samengesteld door de correspondent van Anadolu in Brussel.

(…)

Ook (…) de basisschool [de school] wordt in de artikelen genoemd. Die school (…) kwam de afgelopen dagen in het nieuws omdat veel leerlingen na de zomervakantie niet terugkeerden in de klas. De kinderen zijn door hun ouders van school gehaald omdat de scholen al in verband werden gebracht met de Gülenbeweging.

Eerder circuleerden online al lijsten met namen van ondernemers, scholen en instellingen die met Gülen zouden sympathiseren, maar de herkomst van die informatie is onduidelijk.

De opstellers van die lijsten roepen Turken op geen zaken te doen met de genoemde personen en bedrijven. Een aantal namen in het artikel van Anadolu stonden ook al op de lijsten op internet.

(…)

2.15.

Ten tijde van de mondelinge behandeling op 2 september hadden 9 personeelsleden van [de school] laten weten niet langer op de school werkzaam te willen zijn.

3 Het geschil

3.1.

[de stichting] vordert - zoals gewijzigd - dat het [de ouders] wordt verboden nog langer onjuiste en ongefundeerde mededelingen te doen (of daaraan bij te dragen) over [de school] als “fetoschool”, “terroristenschool”, “Gülen-school”, of andere omschrijvingen van vergelijkbare strekking en dat het hen verboden wordt nieuwe WhatsApp-, facebook-, messenger-, of wat voor groepen dan ook met het zelfde doel en strekking te starten. Voorts vordert [de stichting] dat [de ouders] wordt geboden alle reeds gedane communicatie van deze strekking te verwijderen en alle WhatsApp-groepen, facebook-groepen en dergelijke op te heffen. Daarnaast vordert [de stichting] dat [de ouders] wordt opgedragen om alle reeds geuite beschuldigingen te rectificeren en alle ouders te berichten dat de uitlatingen en oproepen onjuist en onrechtmatig zijn geweest, welke rectificatie dient plaats te vinden in een substantieel grote advertentie op een van de eerste pagina’s in de Telegraaf, waarin staat:

“Wij hebben basisschool [de school] te Zaandam ten onrechte een Gülen-school en een school van landverraders genoemd. Onze beschuldigingen zijn feitelijk onjuist, onwaar en beledigend. Het spijt ons als u hierdoor druk hebt ervaren om uw kind van [de school] af te halen.”

Een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000 en met veroordeling van [de ouders] in de kosten van dit geding.

3.2.

[de stichting] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [de ouders] onrechtmatig handelen jegens haar.

3.3.

[de ouders] voeren verweer. [de ouders] beroepen zich op de nietigheid van de dagvaarding, de niet-ontvankelijkheid van [de stichting] , zij vinden dat de zaak zich niet leent voor een kort geding en dat een spoedeisend belang ontbreekt. [de ouders] betwisten dat zij onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [de stichting] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De beoordeling van de formele verweren

4.1.

[de ouders] hebben aangevoerd dat de dagvaarding nietig is. In dat verband hebben zij gewezen op het bepaalde in artikel 117 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv.), dat onder meer voorschrijft dat een beschikking houdende de verkorting van een dagvaardingstermijn aan het hoofd van een exploot van dagvaarding wordt vermeld. [de ouders] hebben erop gewezen dat een dergelijke vermelding in het aan hen betekende exploot van dagvaarding ontbreekt.

4.2.

De voorzieningenrechter heeft op 30 augustus 2016 de dag en het tijdstip voor de behandeling van dit kort geding bepaald op 2 september 2016 te 11.00 uur. Daarmee is, zoals dat is bepaald in paragraaf 3.4 van het procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie, toewijzend beschikt op de gevraagde verkorting van de dagvaardingstermijn. Aan die toewijzende beschikking is als voorwaarde verbonden dat de dagvaarding zou worden betekend vóór 31 augustus om 12.00 uur.

4.3.

Het klopt dat deze beschikking niet is vermeld aan het hoofd van het exploot van dagvaarding, terwijl dat wel had gemoeten. Op grond van artikel 120, eerste lid Rv. is de dagvaarding daarom in beginsel nietig. Artikel 122 Rv. houdt echter in dat een beroep op nietigheid kan worden verworpen, indien de gedaagde is verschenen en door het gebrek niet onredelijk in zijn belangen is geschaad.

4.4.

Het voorschrift van artikel 117 Rv. dat de beschikking moet worden vermeld heeft als doel gedaagden in de gelegenheid te stellen om te controleren of de voorwaarden die de voorzieningenrechter heeft gesteld zijn nageleefd. Uit de overgelegde kopie van het exploot blijkt dat de dagvaarding aan elk van de gedaagden vóór 12.00 uur is betekend. Hoewel [de ouders] de hiervoor bedoelde controlemogelijkheid niet hebben gehad, zijn zij niet onredelijk in hun belangen geschaad, omdat is komen vast te staan dat aan de voorwaarde is voldaan. Daarom verwerpt de voorzieningenrechter het beroep op de nietigheid van de dagvaarding.

4.5.

[de ouders] hebben ook aangevoerd dat [de stichting] niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in haar vordering omdat geen geldig bestuursbesluit van [de stichting] om te gaan procederen is overgelegd. [de ouders] hebben daarbij gewezen op artikel 7 lid 2 van de statuten van [de stichting] , waarin is bepaald dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid mede toekomt aan twee gezamenlijk handelende bestuurders. Ook hebben zij gewezen op het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 31 augustus 2016, waaruit blijkt dat [de stichting] twee bestuurders heeft.

4.6.

Als [de ouders] bedoelen te zeggen dat er voor het aanspannen van een rechtszaak door een privaatrechtelijke rechtspersoon een procesbesluit is vereist, zoals dat ook voor publiekrechtelijke rechtspersonen geldt, dan faalt dit verweer. Een dergelijk voorschrift bestaat niet. Als [de ouders] met dit verweer bedoelen dat [de stichting] niet rechtsgeldig kan worden vertegenwoordigd door één enkele bestuurder, dan gaat het ook niet op. Gelet op de omstandigheid dat [de stichting] sedert de zomervakantie feitelijk slechts één bestuurder had, kon deze, gelet op het bepaalde in artikel 5 van haar statuten, de stichting in en buiten rechte vertegenwoordigen en dus ook besluiten tot het aanhangig maken van dit kort geding en namens [de stichting] in rechte verschijnen.

4.7.

Verder hebben [de ouders] betoogd dat de zaak zich niet leent voor een kort geding, omdat binnen het beperkte bestek van een kort geding behandeling onvoldoende inzicht kan worden verkregen in de feiten. [de ouders] hebben daar nog aan toegevoegd dat een goede voorbereiding op dit kort geding bestudering vraagt van alle chats in de WhatsApp-groep en dat daarvoor niet genoeg tijd was.

4.8.

Naar vaste rechtspraak moet de voorzieningenrechter terughoudend zijn bij het oordeel dat een zaak zich niet leent voor behandeling in kort geding. Zeker als het belang van een eiser bij een voorziening groot is, moet geprobeerd worden om de feiten binnen het kader van het kort geding toch opgehelderd te krijgen. Uit de overgelegde stukken en uit alles wat op de uitgebreide mondelinge behandeling is gezegd, heeft de voorzieningenrechter een voldoende duidelijk beeld gekregen van de van belang zijnde feiten om een oordeel te kunnen geven.

4.9.

De voorzieningenrechter vindt verder dat [de ouders] niet in hun belangen zijn geschaad door de korte voorbereidingstijd. Zij begrijpt dat [de ouders] en hun advocaten niet alleen de overgelegde chats willen bestuderen, maar alle chats in de WhatsApp-groep, maar die chats kunnen aan [de ouders] als beheerders van de groep bekend worden verondersteld. Ten slotte ziet de voorzieningenrechter ook geen belemmering in de omstandigheid dat de chats in het Turks zijn. Ter zitting is gebleken dat [de ouders] en hun advocaten (ook) Turks spreken.

4.10.

Tot slot hebben [de ouders] aangevoerd dat [de stichting] geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

4.11.

Van een voldoende spoedeisend belang is sprake als niet kan worden gewacht op het oordeel van de bodemrechter. Ter zitting heeft [de stichting] toegelicht dat zij met de gevraagde voorzieningen wil bereiken dat de rust op school terugkeert. Het is evident dat dat zo snel mogelijk moet gebeuren en dat niet kan worden gewacht op een uitspraak in een bodemprocedure, waarmee ten minste een aantal maanden is gemoeid. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.

De inhoudelijke beoordeling

4.12.

[de stichting] heeft de voorzieningenrechter gevraagd voorzieningen te treffen die neerkomen op een aantal aan [de ouders] op te leggen verboden en geboden. Daarvoor bestaat aanleiding, als voldoende aannemelijk is dat de gedragingen van [de ouders] in een bodemprocedure onrechtmatig worden bevonden, als [de stichting] voldoende belang heeft bij de gevraagde voorzieningen, en als die voorzieningen, gelet op de wederzijdse belangen, niet onnodig diep ingrijpen.

4.13.

Bij de beoordeling van de vorderingen is uitgangspunt dat toewijzing hiervan een beperking inhoudt op het in artikel 10, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt, als dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bij voorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (zie artikel 10, tweede lid EVRM). Van een beperking die bij wet is voorzien is sprake, als de uitlatingen die [de ouders] hebben gedaan onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek. Voor het antwoord op de vraag of de uitlatingen van [de ouders] onrechtmatig zijn, moeten alle wederzijdse – in beginsel gelijkwaardige – belangen tegen elkaar worden afgewogen. Bij die belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. In deze context overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.14.

De mislukte staatsgreep op 15 juli 2016 in Turkije heeft daar tot grote onrust geleid. Die onrust heeft vervolgens geleid tot bezorgdheid onder burgers niet alleen in Turkije, maar ook in Nederland. Bezorgde Turkse ouders wilden of willen uit voorzorg hun kind van school laten wisselen.

4.15.

In deze onrust hebben [de ouders] aanleiding gezien om door middel van het oprichten van een WhatsApp-groep een forum te creëren waar ouders met kinderen op [de school] zich kunnen uitspreken over de vraag of zij hun kinderen van die school willen laten uitschrijven.

4.16.

[de ouders] hebben op de zitting toegelicht dat zij dit initiatief hebben genomen omdat zij zich zorgen maken over de rust en de veiligheid op school. Zij willen aan ouders die daaraan behoefte hebben voorlichting geven over wat er moet worden gedaan om hun kind van school te halen. Ook willen zij een lijst samenstellen met namen van ouders die hun kind van [de school] willen afhalen, zoals dat is afgesproken met de gemeente. De voorzieningenrechter vindt het een legitiem belang van [de ouders] om zich te kunnen uitlaten over de school en over hun ideeën over de rust en veiligheid op school.

4.17.

Maar ook moet worden geconstateerd dat de naam van de WhatsApp-groep (‘hand in hand tegen Fetos’) lijkt te wijzen op nog een ander – in beginsel evenzeer te respecteren - belang, namelijk het uiting geven aan (politieke) opvattingen omtrent de gebeurtenissen in Turkije en daarvoor verantwoordelijk te houden personen en instellingen. Deze indruk wordt nog versterkt door de inhoud en toonzetting van de gesprekken in de WhatsApp-groep die zich, naarmate het gesprek voortduurt, steeds meer lijken te ontwikkelen tot stellingname tegen de school, vanwege diens (vermeende) betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Door anderen in de groep aangebrachte nuanceringen en geuite aarzelingen over de juistheid van een beslissing om leerlingen van school te halen worden de kop in gedrukt.

4.18.

De gevolgen van de gedragingen van [de ouders] zijn voor [de stichting] groot. Een groot aantal leerlingen heeft inmiddels de school verlaten en niet kan worden uitgesloten dat dat aantal nog toeneemt. Ook personeelsleden zijn weggegaan. [de stichting] ondervindt hiervan nadeel dat niet alleen is gelegen in de dreigende teruglopende bekostiging en eventuele financiële problemen, maar ook in verslechtering van het onderwijsklimaat voor de achterblijvende leerlingen en van het werkklimaat voor de achterblijvende leerkrachten. Het zal zeker zo zijn dat ook zonder de gedragingen van [de ouders] leerlingen en misschien ook personeelsleden de school zouden hebben verlaten, maar de voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat de acties van [de ouders] daaraan in belangrijke mate hebben bijgedragen. [de stichting] heeft er dan ook onmiskenbaar belang bij dat zij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan kwalificaties en/of verdachtmakingen die de reputatie van [de school] als rustige en veilige school schaden.

4.19.

Daar staat dan weer tegenover dat van [de stichting] mag worden verwacht dat zij haar best doet om de beeldvorming omtrent de school in de door haar gewenste richting te beïnvloeden. Na het persbericht op de website van [de school] op 28 juli is van de zijde van [de stichting] en [de school] niets meer vernomen. Ter zitting heeft [de stichting] wel aangegeven dat zij deur aan deur is geweest om ouders in te lichten, maar hoe dat precies in zijn werk is gegaan, wie daarmee is bereikt en wat er is gezegd, is niet duidelijk geworden.

4.20.

Met betrekking tot de aard van de verweten gedragingen constateert de voorzieningenrechter ten aanzien van ieder van de gedaagden het volgende:

- [ouder 1] is de WhatsApp-groep gestart en is één van de beheerders van de groep. Zij heeft een aantal ouders toegevoegd aan de groep. Zij heeft in de groep verklaard dat het een feto-school is en dat iedereen dat weet. [ouder 1] heeft bovendien berichten gepost op de in overweging 2.11 genoemde facebook-pagina. In die berichten geeft zij aan haar kinderen te hebben uitgeschreven, dat zij niets had aan te merken op de kwaliteit van de school (‘het was een superschool voor ons”) maar dat zij haar kinderen niet op een terreurschool zal plaatsen; het is belangrijk, zo vervolgt [ouder 1] , dat zij als “schoon” worden bestempeld en als haar kind naar Turkije zal emigreren niet wordt bestempeld als afgestudeerde van een Gülen-school. Ten slotte schrijft [ouder 1] op facebook dat als iemand echt van onze leider (Erdogan) hield, diegene zonder aarzelen zijn kind zou afhalen van de bestempelde school. Niet gebleken is overigens dat [ouder 1] in die berichten op facebook de school bij naam heeft genoemd. Van een door [ouder 1] aangemaakte facebook-pagina, zoals [de stichting] heeft betoogd, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

- [ouder 2] is evenals [ouder 1] één van de beheerders van de groep.

- [ouder 3] is evenals [ouder 1] en [ouder 2] een van de beheerders van de groep. [ouder 3] heeft vaak deelgenomen aan de communicatie in de groep en in sterke bewoordingen haar mening geventileerd. In de groep heeft zij onder meer geschreven dat de leerkrachten allemaal goede mensen zijn, maar dat het probleem is dat het een feto school is. Zij schrijft voorts dat het hun taak is om het contact met deze verraders te verbreken. Het is een kwestie van landverraad, iets anders doet er volgens [ouder 3] niet toe, en Allah roept ter verantwoording. [ouder 3] geeft aan dat de gemeente wil weten hoeveel mensen hun kind van school willen halen en dat zij daarom de namen verzamelen en doorgeven aan de gemeente. Ook heeft zij verklaard dat degenen die landverraders steunen, de groep moeten verlaten.

- [ouder 4] is lid van de groep. Zij is geen beheerder van de groep, maar heeft door middel van de onder overweging 2.9 genoemde brief andere ouders geattendeerd op het bestaan van de groep en op de mogelijkheid zich daarbij aan te sluiten.

4.21.

De aanduidingen van [de school] als een school van landverraders, terroristen en moordenaars zijn ernstige beschuldigingen aan het adres van [de stichting] . Door [de ouders] is ter onderbouwing van deze beschuldigingen uitsluitend een beroep gedaan op de gebeurtenissen in Turkije en op de omstandigheid dat Fethullah Gülen door de Turkse president Erdogan en het staatspersbureau Anadolu wordt aangemerkt als het brein achter de mislukte staatsgreep. Met die onderbouwing kan niet worden geconcludeerd dat bedoelde beschuldigingen voldoende steun vinden in aanwezig feitenmateriaal. De aanduiding ‘feto school’ is belasterend, omdat ‘Feto’ een diffamerende aanduiding is voor Gülen.

4.22.

De aanduiding “Gülen-school” vindt de voorzieningenrechter niet belasterend. Op de zitting hebben [de ouders] uiteengezet welke Gülen georiënteerde activiteiten [de school] in het verleden organiseerde en zij hebben aangegeven daarmee tot aan de gebeurtenissen op 15 juli geen moeite te hebben gehad, omdat het een goede school was. [de stichting] heeft daar niets tegenover gesteld. Voor zover al moet worden aangenomen dat [de stichting] zich op het standpunt stelt dat [de school] géén Gülen-school is, had zij dat standpunt moeten onderbouwen. Omdat [de stichting] dat heeft nagelaten zijn de door [de ouders] genoemde feiten voldoende aannemelijk geworden voor de conclusie dat het niet onrechtmatig is om [de school] een Gülen-school te noemen.

4.23.

De voorzieningenrechter weegt voorts mee dat de uitlatingen (behalve de berichten op facebook) zijn gedaan in de beslotenheid van een WhatsApp-groep. Dat moet wel in zoverre worden genuanceerd dat de groep kennelijk een grote omvang had en dat de beheerders andere ouders actief hebben benaderd om deel te nemen aan de groep, zodat die beslotenheid van relatieve waarde is.

4.24.

[de ouders] hebben aangevoerd dat zij er alleen maar op uit waren om te voorkomen dat hun kinderen naar een school zouden gaan waar het niet rustig en veilig was en ook andere ouders daarbij te helpen. Als dat klopt, dan zouden andere gedragingen dan de uitlatingen in de WhatsApp-groep, ook passend of zelfs beter zijn geweest. In dat verband is van belang dat afspraken waren gemaakt met de gemeente, kennelijk om onrust te voorkomen.

4.25.

Maar ten slotte is ook van belang dat de kwalificatie van [de school] als Gülen-school ook op andere wijze naar buiten is gekomen, zoals via de in overweging 2.14 genoemde lijsten op internet en de lijst van het staatspersbureau.

4.26.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen vindt de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de beschuldigingen aan het adres van [de school] , zoals deze zijn gedaan in de WhatsApp-groep, inhoudende dat het een fetoschool is en een school van landverraders, terroristen en moordenaars door de bodemrechter onrechtmatig zullen worden geacht tegenover [de stichting] .

4.27.

Gelet op deze onrechtmatigheid is het gevraagde verbod op uitlatingen als ‘fetoschool” en “terroristenschool” toewijsbaar. [de stichting] heeft voldoende belang bij deze voorziening omdat het kan helpen schadelijke beeldvorming tegen te gaan en de rust op school te bevorderen. De voorziening is, gelet op het onrechtmatige karakter, niet te ingrijpend voor [de ouders] . Aan (ieder van) de gedaagden zal daarom een dergelijk verbod worden opgelegd.

4.28.

Het gevraagde verbod op de aanduiding “Gülen-school” zal gelet op het hiervoor overwogene worden geweigerd.

4.29.

Het gevorderde verbod om nieuwe WhatsApp-, facebook-, messenger- of andere groepen met een zelfde doel en strekking te starten is te verstrekkend. Aan [de ouders] komt de vrijheid toe om op de wijze die hen goeddunkt uiting te geven aan hun opvattingen over [de stichting] en over [de school] , zolang die opvattingen niet op onrechtmatige wijze worden verwoord. Het medium van een social media groep is in zichzelf niet onrechtmatig.

4.30.

[de stichting] heeft in dit verband nog aangevoerd dat [de ouders] druk hebben uitgeoefend op andere ouders van leerlingen en daarmee juist onrust en onveiligheid hebben gecreëerd. Door [de ouders] is erkend dat zij andere ouders actief hebben benaderd. Daardoor zijn die ouders in een positie gekomen waarin zij zich hebben moeten uitspreken of zij al dan niet wilden deelnemen aan de WhatsApp-groep. Gelet op diverse passages in de WhatsApp-gesprekken is op deelnemers in de groep druk uitgeoefend met een beroep op het geweten, het geloof en binding met Turkije. Gelet op de facebook-posts zal ook gewezen zijn op eventuele gevolgen bij terugkeer in Turkije. Die druk acht de voorzieningenrechter echter niet zodanig intimiderend dat zij onrechtmatig is. Daarbij speelt mede een rol dat [de ouders] in de WhatsApp-groep actief hebben uitgedragen dat de groep alleen bestemd is voor gelijkgestemden. Bij de facebook-posts zijn [de stichting] en/of [de school] niet genoemd.

4.31.

Daarnaast heeft [de stichting] gevorderd dat aan [de ouders] wordt opgedragen alle reeds gedane communicatie van eerder genoemde strekking te verwijderen en alle WhatsApp-groepen, facebook-groepen en dergelijke op te heffen.

4.32.

Een veroordeling tot opheffing van de gehele WhatsApp groep is te ingrijpend. Weliswaar zijn er in de groep onrechtmatige uitlatingen gedaan, maar dat betreft een relatief klein deel van een veel groter geheel aan gesprekken. Om die reden wordt deze voorziening geweigerd. De gevraagde verwijdering van de onrechtmatige berichten wordt geweigerd, omdat die niet zinvol is. Verwijdering van die berichten kan niet voorkomen dat de reeds gestuurde berichten zichtbaar blijven voor de andere deelnemers in de groep die dat bericht eerder hebben ontvangen. De gevraagde veroordeling tot opheffing van de facebook-pagina is niet toewijsbaar. Niet is gebleken dat [de ouders] deze pagina beheren en tot opheffing ervan in staat zijn. De gevraagde verwijdering van de aldaar geplaatste berichten wordt evenmin toegewezen. In die berichten zijn [de stichting] en/of [de school] niet bij naam genoemd.

4.33.

Van andere groepen is niet gebleken, zodat geen aanleiding bestaat een voorziening tot opheffing daarvan te treffen.

4.34.

Ook de gevorderde rectificatie wordt geweigerd. Het gaat hier immers niet om publieke of publiek gemaakte uitlatingen, maar om uitlatingen binnen de relatieve beslotenheid van een WhatsApp-groep. De gevraagde advertentie in de Telegraaf staat daarmee in geen verhouding. Bovendien is het maar de vraag of daarmee het door [de stichting] beoogde doel – het bevorderen van de rust op school – wordt bereikt. Ook om deze reden vindt de voorzieningenrechter een dergelijke voorziening niet passend. De rectificatie naar de ouders die is gevraagd is onvoldoende bepaald om in deze vorm te kunnen worden toegewezen. De voorzieningenrechter begrijpt dat [de stichting] wil worden gerehabiliteerd voor zover zij op onrechtmatige wijze is aangeduid. Daarvoor kan [de stichting] evenwel dit vonnis gebruiken.

4.35.

Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat het gevraagde verbod gedeeltelijk zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom als prikkel tot nakoming zal eveneens worden toegewezen, zij het dat deze zal worden gematigd en dat er een maximum aan de te verbeuren dwangsommen zal worden verbonden.

4.36.

Alle overige gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd.

4.37.

Aangezien partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt gedaagden, zowel samen als ieder voor zich, om [de school] aan te duiden als “fetoschool” of “terroristenschool” of daarvan afgeleide aanduidingen;

5.2.

veroordeelt gedaagden, ieder voor zich, tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke keer dat ieder of een van hen het onder 5.1 bedoelde verbod na betekening van dit vonnis overtreedt, met een maximum van € 10.000,-- per gedaagde.

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

compenseert de kosten van dit geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

weigert de overig gevraagde voorzieningen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Sicking en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier C. Vis-van Zanden op 16 september 2016.

Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.

Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist