Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:7703

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
15-09-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4285
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie inspanningen. Deugdelijke grond. Motiveringsgebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/4285

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.J. van der Veen),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: J. Knufman).

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiseres het loon van mevrouw [naam 1] (werkneemster) moet doorbetalen tot 23 februari 2016 omdat eiseres onvoldoende zou hebben gedaan om haar te re-integreren.

Bij besluit van 28 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2016. Eiseres is verschenen bij mevrouw [naam 2] (regiomanager) en de heer [naam 3] (bedrijfsarts), bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De werkneemster heeft zich op 4 februari 2013 ziekgemeld uit haar werkzaamheden als helpende plus in dienst bij eiseres. Naar aanleiding van de aanvraag van werkneemster om een uitkering op grond van de Wet werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) heeft verweerder op grond van artikel 65 van de WIA de re-integratie-inspanningen van eiseres beoordeeld. Een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv hebben onderzoek gedaan en als hun opvatting gegeven dat de begeleiding door de bedrijfsarts niet adequaat was en dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest. Verweerder heeft vervolgens bepaald dat de werkneemster nog niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering en dat eiseres aan werkneemster het loon moet doorbetalen tot 23 februari 2016. Eiseres en de werkneemster hebben bezwaar gemaakt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de loonsanctie gehandhaafd. Het standpunt van verweerder dat eiseres onvoldoende re-integratie inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 augustus 2015, er in het kort op neerkomend dat de werkneemster belastbaar was voor het verrichten van rugsparende arbeid tot het moment van de gerichte medische behandeling in april 2014 en na een aansluitende herstelperiode van een maand of twee, en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 augustus 2015, die kort samengevat concludeert dat de bedrijfsarts eerst in augustus 2014 de medische belastbaarheid in kaart heeft gebracht, waardoor geen adequate inzet van de mogelijkheden van de werkneemster heeft kunnen plaatsvinden, dat er onvoldoende onderzoek naar de mogelijkheden in het eerste spoor heeft plaatsgevonden, dat de re-integratie in het eerste spoor niet voortvarend is aangepakt en dat het tweede spoortraject te laat is ingezet.

3. Eiseres heeft betwist dat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft geleverd. Volgens eiseres kan in ieder geval niet worden staande gehouden dat zij zonder deugdelijke reden onvoldoende re-integratie-inspanningen zou hebben geleverd. Eiseres betoogt dat de arbodienst maatwerk heeft geleverd. Er is voortdurend begeleiding en ondersteuning geboden en telkens waar nodig bijgestuurd. De ontstane vertragingen werden veroorzaakt door omstandigheden waar eiseres geen schuld aan droeg en geen beslissende invloed op had. Daarbij wordt erop gewezen dat de medische voorgeschiedenis van de werkneemster niet bekend was, ook niet bij de bedrijfsarts. Eiseres heeft betoogd dat de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat de werkneemster voor en na de maagoperatie tot rugsparend werk in staat was te achten, retrospectief is en gebaseerd op uitgebreide kennisname van het Uwv-dossier, met zicht op het beloop van de gevalsbehandeling achteraf. Bovendien was de gezondheidstoestand van de werkneemster ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep wezenlijk anders en gaat de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het punt van de arbeidsongeschiktheid rond de maagoperatie mank, in die zin dat het een ingrijpend grote ingreep is waarvan het herstel meer tijd vergt dan verwacht. De bedrijfsarts heeft ter zitting zijn medische oordelen, adviezen en beweegredenen toegelicht.

4.1

De rechtbank stelt voorop dat op het moment van de beoordeling door verweerder van de WIA-aanvraag op grond van artikel 65 van de WIA de werkneemster niet (geheel of gedeeltelijk) was hervat in het bedrijf van eiseres en evenmin bij een andere werkgever. Uit de beleidsregels beoordeling poortwachter volgt dat in die situatie slechts dan sprake kan zijn van een ‘bevredigend resultaat’ als de functionele mogelijkheden bij de werkneemster ontbraken of als de resterende functionele mogelijkheden zo gering waren dat eiseres in redelijkheid van haar geen re-integratie inspanningen kon verwachten.

4.2

Gezien de standpunten van partijen in beroep spitst het geschil zich in essentie toe op de vraag of de gezondheidstoestand van de werkneemster aan het ondernemen van meer en voortvarende(r) re-integratie-activiteiten (in eerste en tweede spoor) in de weg stond. De rechtbank stelt vast dat, indien de werkneemster, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld, belastbaar was voor het verrichten van rugsparende arbeid tot het moment van de gerichte medische behandeling in april 2014 en na een aansluitende herstelperiode van een maand of twee, het ervoor moet worden gehouden dat eiseres zonder deugdelijke grond re-integratiekansen heeft gemist.

4.3

Eiseres heeft zich over de gezondheidstoestand van de werkneemster laten adviseren door haar bedrijfsarts. De opvatting van verweerder komt er in feite op neer dat eiseres daar ten onrechte op af is gegaan, in die zin dat de bedrijfsarts in zijn medische beoordeling tekort is geschoten. De bedrijfsarts zou name een te afwachtende houding hebben aangenomen zonder afdoende legitimering en zich teveel hebben laten leiden door hetgeen de werkneemster zelf als haar mogelijkheden zag. Gelet op het belastende karakter van een loonsanctiebesluit is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat de bedrijfsarts in zijn medische beoordeling tekort is geschoten.

4.4

De rechtbank mist een toereikende motivering voor die opvatting. De bedrijfsarts heeft ter zitting toegelicht dat naar zijn mening de verzekeringsartsen de ernst van de geplande medische ingreep die de werkneemster moest ondergaan hebben onderschat. Hij heeft uitgelegd dat hij om de kans op complicaties te voorkomen de overweging heeft gemaakt de werkneemster niet over te belasten. Ook heeft hij toegelicht dat het herstel na de ingreep vervolgens gecompliceerd is verlopen. Volgens de bedrijfsarts was langere tijd sprake van een instabiele medische situatie. Pas na zo’n zes maanden was de medische situatie weer gestabiliseerd. In dit verband blijkt uit het medisch dossier van de Arbodienst dat de bedrijfsarts de werkneemster vanaf de ziekmelding in februari 2013 maandelijks op zijn spreekuur ziet. De aantekeningen in het medisch dossier bevestigen dat bij de bedrijfsarts van meet af aan de impact van de medische ingreep bij zijn afwegingen voorop heeft gestaan. De bedrijfsarts maakt ook melding van een moeizaam verlopen herstel van de ingreep.

4.5

Van de kant van verweerder is hier niets tegenover gezet. In ieder geval is niet beargumenteerd dat de werkneemster belastbaar was voor het verrichten van (rugsparende) arbeid tot het moment van de gerichte medische behandeling in april 2014 en na een aansluitende herstelperiode van een maand of twee. In de rapportage van de verzekeringsartsen valt over de medische ingreep en de impact ervan weinig terug te vinden. Zo rapporteert de primaire verzekeringsarts op 29 januari 2015: “In april 2014 volgt er een maagoperatie, dit is overigens niet de reden van ziekmelding, ondanks postoperatief beloop zonder complicaties wordt betrokkene vervolgens weer niet belastbaar geacht”. Deze conclusie staat in ieder geval haaks op de bevindingen van de bedrijfsarts en de primaire verzekeringsarts onderbouwt ook niet waar zij die conclusie op heeft gebaseerd of waaruit zij die heeft afgeleid. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep gaat hier verder aan voorbij en trekt zonder enige uitleg en toelichting de conclusie dat de werkneemster voorafgaande aan en na een herstelperiode van een maand of twee na de operatieve ingreep met arbeid kon starten. Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder in dit kader gewezen op de mededeling van de bedrijfsarts in het medisch dossier d.d. 21 mei 2014 dat het herstel van de ingreep volgens verwachting verloopt. De bedrijfsarts heeft ter zitting toegelicht dat die mededeling moet worden begrepen in het licht van zijn verwachting als arts over de hersteltijd bij dit soort operaties. De medische verwachting is dat een dergelijke ingreep een lange hersteltijd vergt.

4.6

Dit in ogenschouw nemend valt uit de stukken naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer af te leiden dat de bedrijfsarts een te afwachtende houding heeft aangenomen en ontbreekt een toereikende motivering voor de opvatting dat eiseres is afgegaan op een onjuist advies van de bedrijfsarts, waardoor zij re-integratiekansen heeft gemist.

5. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk gemotiveerd. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

6. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

7. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).

8. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- schorst het bestreden besluit en het primaire besluit tot de uitspraak op het beroep;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.