Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:7005

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
25-08-2016
Zaaknummer
C/15/241190 HA RK 16-55
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Rechtbank verklaart wrakingsverzoek stichting Loterijverlies.nl kennelijk niet-ontvankelijk.

Het wrakingsverzoek is in deze zaak ingediend ruim twee en een halve maand nadat de zitting heeft plaatsgevonden, zonder dat verzoekers daarvoor een reden hebben aangevoerd. Daarnaast wordt in artikel 10.3 van het wrakingsprotocol bepaald dat een verzoek tot wraking van een heel gerecht niet in behandeling wordt genomen. In deze zaak hebben verzoekers het verzoek ingediend “jegens de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, in hoedanigheid van rechters.”

Ten overvloede worden ook de aangevoerde argumenten gepasseerd, omdat deze zien op de genomen beslissing.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 37, geldigheid: 2002-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

[[systeemnr]]

Wrakingskamer locatie Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: c/15/241190 HA RK 16-55

Beslissing van 24 augustus 2016

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

de besloten vennootschap Loterijverlies.nl BV,

gevestigd te Heerhugowaard en kantoorhoudende te Guernsey (VK),

en

Breton Limited,

gevestigd en kantoorhoudende te Guernsey (VK),

verzoekers,

advocaat mr. M. Raaijmakers.

Het verzoek is gericht tegen:

De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar.

1 Procesverloop

1.1

Een vijftal verzoekers heeft bij deze rechtbank een verzoek ingediend tegen de stichting Stichting Loterijverlies.nl en Breton Limited (hierna: Breton). Het verzoek hield onder meer in Breton te ontslaan als bestuurder van de Stichting Loterijverlies.nl en de benoeming van een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijk bestuurder van onbesproken gedrag.
Dit verzoek is op 23 mei 2016 ter zitting mondeling behandeld.
De rechtbank heeft op 30 juni 2016 een beschikking gegeven, onder meer inhoudend:

“De rechtbank ziet voldoende reden om te vermoeden dat de vennootschap als portemonnee van de Stichting de inleggelden van de deelnemers besteedt op zodanige wijze dat dit strijdig is met het statutair omschreven doel van de Stichting. Het had tot de taak van Breton als bestuurder van de Stichting behoord de handelwijze van de vennootschap als haar ‘portemonnee’ te controleren en tegen de handelwijze van de vennootschap actie te ondernemen. Dat daarbij feitelijk sprake is van optreden tegen zichzelf als tevens de bestuurder van de vennootschap, maakt dit niet anders en is inherent aan de keuze voor een structuur met gescheiden rechtspersonen, maar met dezelfde bestuurder. Nu Breton niet aan haar verplichtingen als bestuurder heeft voldaan rijst hieruit het vermoeden dat Breton als bestuurder van de Stichting heeft gehandeld in strijd met de statuten. De rechtbank vindt daarin aanleiding een voorlopige voorziening te treffen in het bestuur van de Stichting, hierin bestaande dat Breton voor de duur van het geding zal worden geschorst en de heer mr. [E] zal worden benoemd tot tijdelijk bestuurder, aan wie voor de duur van zijn benoeming alle bevoegdheden toekomen die de wet en de statuten aan de bestuurder van de Stichting toekennen. De advocaat van verzoekers heeft naar voren gebracht dat mr. [E] zich bereid heeft verklaard die taak op zich te nemen. Bij de toekenning van bevoegdheden geldt wel dat daarvan een terughoudend gebruik dient te worden gemaakt, in zoverre dat mr. [E] in beginsel niet meer doet dan past bij de hem als tijdelijk bestuurder opgedragen taak en in de gegeven omstandigheden noodzakelijk is voor een behoorlijk bestuur van de stichting. Tot de bestuurstaak van mr. [E] zal ook behoren het instellen van een onderzoek naar de hiervoor onder 5.6. genoemde financiële transacties en naar de gang van zaken rond de aan de heer [R] in privé verstrekte hypothecaire geldlening. De rechtbank verzoekt de tijdelijk bestuurder om de aard en omvang van die transacties/geldlening nader te onderzoeken en daarbij na te gaan of er sprake is of is geweest van ten laste van de vennootschap gebrachte ongerechtvaardigde of buitensporig hoge kosten en/of van het aanwenden van gelden voor een ander doel dan genoemd in de statuten van de Stichting. Partijen dienen daarbij alle door mr. [E] benodigde informatie te verstrekken. Aan mr. [E] wordt verzocht schriftelijk verslag uit te brengen van zijn bevindingen als tijdelijk bestuurder en dit verslag aan partijen en de rechtbank toe te sturen.
De behandeling van het ontslagverzoek zal worden aangehouden in afwachting van dit verslag. Na ontvangst ervan zal een nieuwe mondelinge behandeling worden bepaald.”

1.2

Verzoeker heeft op 12 augustus 2016 een wrakingsverzoek ingediend.

1.3

De wrakingskamer heeft op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek.

2 De beoordeling van het verzoek

2.1.

De wrakingskamer overweegt dat een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert.
Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid.
Het subjectieve oordeel van verzoekers in deze zaak speelt voor de beoordeling van beide toetsen wel een rol, maar is niet doorslaggevend.

2.2.

Een ingediend wrakingsverzoek wordt getoetst aan de daarvoor geldende regels, zoals vastgelegd in het wrakingsprotocol van deze rechtbank – op internet te vinden op de website van deze rechtbank onder: www.rechtspraak.nl / Rechtbanken / Rechtbank Noord-Holland / Regels en procedures. Hierna zal ernaar worden verwezen als: het wrakingsprotocol.

Met inachtneming van het voorgaande overweegt de wrakingskamer als volgt.

2.3.

Verzoekers stellen in hun wrakingsverzoek dat zij geen enkel vertrouwen hebben in de onafhankelijkheid van de rechtbank Alkmaar, gezien de beschikking van 30 juni 2016 waarbij verzoekers worden betrokken in een compleet belachelijk proces.

2.4.

De wrakingskamer stelt voorop dat een verzoek tot wraking in beginsel in elke stand van de procedure kan worden gedaan, mits de behandeling van de zaak nog niet is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak. Op grond van het in deze zaak toepasselijke artikel 37 lid 1 Wetboek van Rechtsvordering (Rv) wordt het wrakingsverzoek gedaan “zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden aan de verzoeker bekend zijn geworden”. Het wrakingsverzoek is in deze zaak ingediend ruim twee en een halve maand nadat de zitting heeft plaatsgevonden, zonder dat verzoekers daarvoor een reden hebben aangevoerd.
Dit feit alleen al leidt tot kennelijke niet-ontvankelijkheid.

2.5.

Daarnaast geldt het volgende. Een wrakingsverzoek dient zich te richten tegen een bepaalde rechter, maar niet tegen een heel college. In artikel 4.1 van het wrakingsprotocol wordt bepaald dat een wrakingsverzoek gemotiveerd dient te zijn ten aanzien van iedere rechter op wie het betrekking heeft. En in artikel 10.3 wordt bepaald dat een verzoek tot wraking van een heel gerecht niet in behandeling wordt genomen. In deze zaak hebben verzoekers het verzoek ingediend “jegens de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, in hoedanigheid van rechters.”
Ook in die zin is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.

2.6.

Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen. Verzoekers voeren in hun wrakingsverzoek het volgende aan:

a. Verzoekers hebben tijdens de zitting geageerd tegen de benoeming van de tijdelijke bestuurder. Desondanks heeft de rechtbank deze bestuurder aangesteld. Dat achten verzoekers ongehoord en een misslag van de rechtbank.

b. In de beschikking zit volgens verzoekers een veroordelend karakter tegenover Loterijverlies.nl BV, die volgens verzoekers procespartij is geweest in de procedure. Hieruit blijkt dat de rechtbank alleszins (de rechtbank begrijpt: “allerminst”) als een professionele rechtbank in de zin van art. 6 EVRM kan worden beschouwd.

c. De rechtbank gebruikt in de beschikking nota bene een procedure die is bestemd voor een stichting om rechten in het leven te roepen ten aanzien van het geld van een besloten vennootschap. Dat is ongehoord en duidt op vooringenomenheid.

d. In de beschikking wordt onder andere overwogen:
“Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat EEL naar zeggen van verweerders de opdracht niet zelf heeft uitgevoerd, maar onmiddellijk heeft uitbesteed aan nog weer een andere partij - van wie de naam tijdens de mondelinge behandeling overigens niet kon worden genoemd -, waardoor de vraag rijst waarom inschakeling van meerdere partijen noodzakelijk of gewenst is en in welke mate dat tot verhoogde kosten leidt.”
De gehele intonatie van de rechtbank alsmede het voorgaande citaat tot de komma, duidt op een sterke mate van vooringenomenheid.

e. Voorts is daarin overwogen:
“Ook als ervan wordt uitgegaan dat de betaling aan EEL van in totaal een bedrag van € 2.194.270,00 een tegenprestatie betreft in het kader van de overdracht van de klantencontacten – de tekst van de hiervoor onder 3.6 weergegeven overeenkomst leidt tussen partijen tot verschillende uitleg over wat aan EEL is overgedragen – , hebben de Stichting en de vennootschap onvoldoende inzicht gegeven in de overeengekomen prijs en de daarbij gehanteerde marges. De enkele verwijzing naar de grote aantallen deelnemers is hiervoor onvoldoende. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking de door verzoekers overgelegde productie 20, waaruit blijkt dat al voor een maandbedrag van $ 1.050,- bedrijfsmatige email marketing voor deelnemersaantallen tussen de 225.001 en 232.500 aangeboden wordt.”
Deze rechtsoverweging leidt bij voorbaat al tot de conclusie van totale onkunde bij de rechtbank Alkmaar, waardoor verzoekers geen enkel vertrouwen meer hebben in de rechtbank Alkmaar.

2.7.

Alle in 2.6. vermelde argumenten en stellingen zien op de genomen beslissing, waarmee verzoekers het niet eens zijn. Een wrakingsverzoek kan echter niet worden gebruikt om een verkapt hoger beroep in te stellen tegen een genomen beslissing.

2.8.

Ten slotte hebben verzoekers nog aangevoerd dat mr. Jongkind-Jonker lid was van een wrakingskamer, die in 2014 ten onrechte een wrakingsverzoek van onder meer stichting Loterijverlies.nl heeft afgewezen. Wegens een gebrek aan onderbouwing kan dit ook niet als wrakingsgrond worden beschouwd.

2.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.1 van het wrakingsprotocol zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid buiten behandeling stellen.

2.9.

Overeenkomstig artikel 10.1 van datzelfde wrakingsprotocol bepaalt de wrakingskamer hierbij dat behoudens nieuwe feiten of omstandigheden een volgend verzoek van verzoekers om wraking niet in behandeling zal worden genomen en dat de hoofdzaak en/of de daaraan verbonden procedures in dat geval onmiddellijk zal worden voortgezet.

3 Beslissing

De rechtbank

3.1

stelt het verzoek tot wraking van de rechtbank buiten behandeling,

3.2

beveelt de griffier onverwijld aan de advocaat van verzoekers, de advocaat van verzoekers in de hoofdprocedure een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

3.3

beveelt dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek en beveelt dat de stukken daartoe in handen worden gesteld van de voorzitter van de civiele sector, locatie Alkmaar.

Deze beslissing is gegeven door mr. L.J. Saarloos, voorzitter, mr. P.H. Littooy en

mr. D.D.M. Hazeu, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van
mr. W.T. Delleman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2016.[cpt]

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.