Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:7002

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
25-08-2016
Zaaknummer
C/15/232372 / HA ZA 15-647
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdstuk 4 van het in mei 2014 verschenen boek met de titel Het verboden dagboek van [eisers]. De schokkende onthulling van de werkelijke daders van de moord op [dochter eiseres] is een bewerking van het dagboek van eiseres. Eiseres heeft geen toestemming verleend voor publicatie daarvan. Publicatie van het boek vormt een inbreuk op het auteursrecht van eiseres. De uitgever die het boek onder beheer heeft dient ervoor te zorgen dat reeds gedrukte exemplaren van het boek worden vernietigd.

De verbeurde en reeds geinde dwangsommen uit hoofde van een eerder gewezen kortgedingvonnis zijn gedeeltelijk verjaard, zodat eiseres wordt veroordeeld tot terugbetaling van het ten onrechte geinde bedrag. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verplichting tot betaling van een dwangsom deelbaar is, ook indien de prestatie waartoe veroordeeld is ondeelbaar zou zijn en dat de hoofdregel van artikel 6:6 BW geldt.

De opgelegde dwangsommen uit hoofde van een eerder gewezen arrest van het hof Amsterdam zijn verbeurd tot het maximumbedrag. Het beroep op verjaring van deze verbeurde dwangsommen slaagt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/232372 / HA ZA 15-647

Vonnis van 24 augustus 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. Y. Moszkowicz te Utrecht,

tegen

1 [gedaagde1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. T.J. Stapel te Haarlem,

2. [gedaagde2] , H.O.D.N. NOVIOMEDIA,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiseres] , [gedaagde1] , [gedaagde2] en gedaagden gezamenlijk [gedaagde1] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 november 2015

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte wijziging/vermeerdering van eis in conventie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van [datum] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is de moeder van [dochter eiseres] , die op [datum] door een misdrijf om het leven is gekomen. Vanaf [datum] heeft [eiseres] een handgeschreven dagboek bijgehouden (hierna: het dagboek van [eiseres] ).

2.2.

[gedaagde1] houdt zich sinds [datum] bezig met onderzoek naar de moord op [dochter eiseres] . [gedaagde1] beheert de website [website] (hierna: de website) waarop hij onder meer over het onderzoek in deze moordzaak publiceert.

[gedaagde1] heeft passages uit het dagboek van [eiseres] op de website geplaatst en had voorts het voornemen om de inhoud van het dagboek, althans delen ervan te gebruiken voor een boek, dat hij tezamen met [gedaagde2] als co-auteur, tevens uitgever, wilde publiceren.

2.3.

In [datum] is een verdachte voor de moord op [dochter eiseres] aangehouden, die vervolgens in [datum] onherroepelijk daarvoor is veroordeeld.

2.4.

In [datum] heeft [eiseres] [gedaagde1] en [gedaagde2] in kort geding betrokken en gevorderd, voor zover hier van belang, op straffe van verbeurte van een dwangsom een verbod op publicatie van het dagboek, afgifte van het dagboek en een verbod op publicatie van het hele boek dat [gedaagde1] c.s. voornemens waren te publiceren. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland heeft op 18 december 2013 vonnis (hierna: het vonnis van 18 december 2013 ) gewezen en heeft daarin, voor zover van belang, bepaald:

(…)

5.1

beveelt [gedaagde1] c.s. om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis alle bij [gedaagde1] c.s. in bezit zijnde (papieren en digitale versies van) het dagboek aan (de raadsman van) [eiseres] in persoon te overhandigen onder afgifte van een ontvangstbewijs,

5.2

verbiedt [gedaagde1] c.s. om de inhoud van het dagboek, danwel delen daarvan, op enigerlei wijze te openbaren, en beveelt om de reeds gepubliceerde kopieën van (passages uit) het dagboek van de website [website] te (doen) verwijderen en verwijderd te houden,

(…),

5.5

veroordeelt [gedaagde1] c.s. om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van

€ 1.000,-- (zegge: éénduizend euro) voor iedere dag dat zij niet aan (één van) de in 5.1 tot en met 5.4 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoen, tot een maximum van € 200.000,-- (zegge: tweehonderdduizend euro) is bereikt,

5.6

veroordeelt [gedaagde1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 6.260,64,

(…),

5.8

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

(…).

2.5.

Het vonnis van 18 december 2013 is op 19 december 2013 aan [gedaagde1] betekend met bevel om aan de inhoud daarvan te voldoen.

2.6.

In [datum] is een boek verschenen met de titel [Titel] (hierna: het boek). Als co-auteurs zijn vermeld [gedaagde1] en [gedaagde2] .

Het boek bevat een hoofdstuk 4 dat 42 pagina’s telt en dat is getiteld [Hoofdstuk 4].

2.7.

[gedaagde1] en [gedaagde2] zijn in hoger beroep gekomen van het vonnis van 18 december 2013 . [eiseres] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot verwerping van het principaal beroep en heeft in incidenteel appel geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en het alsnog toewijzen van een aantal vorderingen, verband houdende met de publicatie van het boek in [datum] .

2.8.

In de memorie van antwoord, tevens houdende grieven in incidenteel appel, in het onder 2.7 vermelde hoger beroep, wordt door [eiseres] onder randnummers 18 en 19 het volgende vermeld:

Grief I

(…)

Toelichting

18. Het in mei van dit jaar alsnog publiceren van het litigieuze boek ' [Titel] ' de rechtbank begrijpt dat bedoeld zal zijn: [eiseres] ], is een novum waardoor voornoemde overweging van de voorzieningenrechter door de feiten is ingehaald. Immers, op [datum] is door gedaagden in co-auteurschap het boek ' [Titel] ' gepubliceerd. Hoofdstuk 4 draagt de titel ' [Hoofdstuk 4] ' en telt 45 bladzijden. Dit hoofdstuk is reeds als productie 1 overgelegd. Zoals reeds aangehaald in de inleiding is in dit hoofdstuk 4 van het litigieuze boek door [gedaagde1] c.s. het auteursrechtelijk beschermde dagboek van [eiseres] integraal overgenomen. Zulks met dien verstande dat [gedaagde1] c.s. kennelijk in de veronderstelling zijn dat als zij het maar in andere worden omschrijven dan geen sprake is van auteursrechten inbreuk. Niets is minder waar.

19. [eiseres] is er van overtuigd dat gedaagden door de publicatie van het eerder genoemde boek haar auteursrechten hebben geschonden en in strijd hebben gehandeld met het eerder genoemde vonnis door haar dagboek toch op enigerlei wijze openbaar te maken. De gronden waarop [eiseres] deze overtuiging heeft bekomen zullen in het navolgende uiteen worden gezet.

2.9.

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 17 maart 2015 (hierna: het arrest van 17 maart 2015 ) op het hoger beroep beslist en daarbij in het dictum bepaald:

(…)

4.1

vernietigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 december 2013 voor zover

- (…)

- (…)

- (…) de vordering van [eiseres] tot een verbod van publicatie van hoofdstuk 4 van het boek en vernietiging van reeds gedrukte exemplaren van hoofdstuk 4 van dit boek is afgewezen

(gedeelte 5.9 bestreden vonnis);

- [gedaagde1] c.s. in de gedingkosten zijn veroordeeld (5.6 bestreden vonnis);

4.2

en opnieuw rechtdoende:

(1) wijst af de vorderingen van [eiseres] voor zover deze in het bestreden vonnis waren toegewezen en de toewijzingen van deze vorderingen hierboven in rechtsoverweging 4.1 onder 1, 2 en 4 zijn vernietigd;

(2) (a) verbiedt [gedaagde1] c.s. om hoofdstuk 4 (' [Hoofdstuk 4] ') van het boek te (doen) publiceren en (b) veroordeelt [gedaagde1] c.s. om binnen vier weken na het wijzen van het onderhavige arrest alle reeds gedrukte exemplaren van het boek, indien en voor zover hoofdstuk 4 daarin voorkomt, op hun kosten te (doen) vernietigen onder afgifte aan (de advocaat van) [eiseres] van een schriftelijke verklaring van de uitvoerende instantie dat tot volledige vernietiging is overgegaan, (c) veroordeelt [gedaagde1] c.s. tot betaling aan [eiseres] van een dwangsom van € 1.000,= voor iedere dag dat zij niet aan (één van) de onder a en b uitgesproken veroordelingen voldoen, tot een maximum van € 200.000,= is bereikt;

- (…)

- (…)

4.3

bekrachtigt voormeld bestreden vonnis voor het overige;

(…)

2.10.

Bij brief van [datum] (niet overgelegd, maar geciteerd in het hierna onder 2.16 genoemde vonnis) heeft de advocaat van [eiseres] aan de (toenmalige) advocaat van [gedaagde1] geschreven:

"(…)

Het hof heeft geoordeeld in r.o. 3.3.3. dat het boek van uw cliënten inbreuk maakt op het dagboek van mijn cliënte. Daarnaast is in r.o. 3.3.6. geoordeeld dat het verbod om het dagboek van cliënte, danwel delen daarvan te openbaren op goede gronden is toegewezen in eerste aanleg. Voorts is in het dictum onder r.o. 4.3. van het arrest geoordeeld dat het vonnis (voor het overige) wordt bekrachtigd.

Het voornoemde heeft tot gevolg dat uw cliënten met de openbaarmaking van het litigieuze boek r.o. 5.2 uit het vonnis van eerste aanleg hebben geschonden. Hierdoor is r.o. 5.5 geëffectueerd. Het boek is op [datum] voor het eerst openbaar gemaakt. Zulks houdt in dat inmiddels het maximum aan dwangsommen ad in totaal € 200.000,- vanwege het verbod op publicatie, zijn verbeurd door uw cliënten.

Bij deze verzoek en voor zover nodig sommeer ik uw cliënten om binnen 5 werkdagen na heden € 193.739,36 over te maken (…).

Ik zeg uw clïenten bij deze aan tot executie over te gaan als niet binnen de gestelde termijn voornoemd bedrag zal zijn voldaan.

(…)."

2.11.

Het arrest van 17 maart 2015 is op 23 maart 2015 aan [gedaagde1] betekend, waarbij bevel is gedaan – samengevat – om met onmiddellijke ingang te stoppen met publiceren van hoofdstuk 4 van het boek en om binnen vieren weken na arrestwijzing alle reeds gedrukte exemplaren van het boek te vernietigen.

2.12.

Op 13 juli 2015 is het vonnis van 18 december 2013 opnieuw aan [gedaagde1] betekend en is executoriaal beslag gelegd op de woning van [gedaagde1] en ten laste van [gedaagde1] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de coöperatie Coöperatieve Rabobank Regio Den Haag U.A. te Den Haag. Bij exploot van diezelfde dag is [gedaagde1] door [eiseres] gesommeerd om € 200.729,41 aan verbeurde dwangsommen, vermeerderd met kosten, te voldoen.

In het (beslag)exploot van 13 juli 2015 staat vermeld, voor zover van belang:

(…)

UIT KRACHTE VAN:

De grosse van een vonnis in kort geding de dato 18 december 2013 van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland, Afdeling Privaatrecht, en de grosse van een arrest van 17 maart 2015 gewezen door de meervoudige burgerlijke kamer van het Gerechtshof Amsterdam, (…), welke reeds onder meer aan schuldenaar zijn betekend met bevel om binnen twee dagen nadien aan de inhoud daarvan te voldoen, waaraan niet (geheel) is voldaan;

(…)

Verbeurde maximaal opgelegde dwangsommen ter zake

van het vonnis in eerste aanleg en het arrest, tot en met heden € 200.000,00

(…).

2.13.

Op 14 augustus 2015 is de executie voltooid door inning van een bedrag van € 194.818,23 van de bankrekening van [gedaagde1] .

2.14.

[gedaagde1] heeft [eiseres] in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, waarin hij onder meer veroordeling vordert van [eiseres] tot betaling van het bedrag van € 6.459,64 en – na vermeerdering van eis – veroordeling van [eiseres] tot terugbetaling van het geëxecuteerde bedrag. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 9 september 2015 de eisvermeerdering geweigerd en de vordering voor het overige afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

2.15.

[gedaagde1] heeft vervolgens bij het hof Amsterdam tegen [eiseres] onder meer een vordering ingesteld op de voet van artikel 611d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) strekkende tot opheffing van de aan [gedaagde1] bij het arrest van 17 maart 2015 opgelegde dwangsom.

Bij arrest van 16 februari 2016 (hierna: het arrest van 16 februari 2016 ) heeft het hof de vorderingen van [gedaagde1] afgewezen. Daarnaast heeft het hof (ten overvloede) het volgende overwogen:

(…) Ter zitting is ter sprake gekomen dat als gevolg van door [eiseres] genomen executiemaatregelen [gedaagde1] inmiddels het in de dwangsomveroordeling genoemde maximum bedrag ad € 200.000,- (nagenoeg geheel) heeft voldaan. Daarbij is mogelijk over het hoofd gezien dat [gedaagde1] c.s. noch in het vonnis 18 december 2013 noch in het arrest van dit hof van 17 maart 2015 hoofdelijk tot betaling van de dwangsom zijn veroordeeld. De verplichting tot betaling van een dwangsom is (ook indien de prestatie waartoe veroordeeld is ondeelbaar zou zijn) deelbaar en derhalve geldt de hoofdregel van artikel 6:6 BW (zie in dit verband ook T&C Burgerlijke Rechtsvordering artikel 611a Rv aantekening 11). Dit brengt mee dat de in het arrest onder 4.2 (2) sub c uitgesproken veroordeling zo moet worden gelezen dat [gedaagde1] slechts voor de helft aansprakelijk is voor de verbeurde dwangsommen en derhalve voor iedere dag dat hij niet aan de in het arrest onder 4.2.(2) sub a en b uitgesproken veroordelingen voldoet een dwangsom verbeurt van € 500,- tot een maximum van € 100.000,- (en dat voor [gedaagde2] hetzelfde geldt).(…)

2.16.

Bij vonnis van 17 februari 2016 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: het vonnis van 17 februari 2016 ) is [eiseres] veroordeeld om aan [gedaagde1] een bedrag van € 128.818,23 (terug) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten van € 2.461,77, wegens onrechtmatige executiemaatregelen. [eiseres] heeft hoger beroep ingesteld van dit vonnis.

2.17.

[gedaagde1] heeft op 30 maart 2016 executoriaal (derden)beslag gelegd ten laste van [eiseres] onder de Stichting Beheer Derdengelden Advocatenkantoor mr. Yehudi Moskowicz, mr. Yehudi Moszkowicz, de besloten vennootschap Advocatenkantoor mr. Yehudi Moszkowicz B.V en de besloten vennootschap Moszkowicz Enterprises B.V.

Voorts is beslag gelegd op (kort gezegd) de [inkomen] van [eiseres] .

Het beslag op de [inkomen] en de beslagen onder mr. Yehudi Moszkowicz, de besloten vennootschap Advocatenkantoor mr. Yehudi Moszkowicz B.V en de besloten vennootschap Moszkowicz Enterprises B.V. zijn korte tijd later opgeheven. Het beslag onder de Stichting Beheer Derdengelden Advocatenkantoor mr. Yehudi Moszkowicz is gehandhaafd.

2.18.

Ter zitting heeft mr. Moszkowizcz een handgeschreven verklaring gedateerd [datum] en ondertekend met “ [eiseres] ” overgelegd waarin onder meer is vermeld:

(…) dat ik zelf mijn advocaat mr. Moszkowicz zonder druk van wie dan ook opdracht heb gegeven voor de zaken tegen [gedaagde1] . Het is niet waar dat ik onder druk word gezet door mijn kinderen en ex man. Het is mijn wens geweest om het boek te verbieden. (…) De reden dat ik niet bij de zittingen aanwezig ben geweest tot nu toe is dat ik op leeftijd ben, en het te moeilijk vind om deze rechtzaken mee toe moeten maken, het brengt zoveel spanning mee, dat kan ik niet aan. (…) Dit is nu de vierde keer dat ik een verklaring op papier zet voor de zaak [gedaagde1] , en hoop dat hij me nu eindelijk met rust laat.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert, na wijziging van eis, – samengevat –

  1. voor recht te verklaren dat [gedaagde1] c.s. door de publicatie van het boek, meer in het bijzonder hoofdstuk 4 van het boek, inbreuk hebben gemaakt op het auteursrecht van [eiseres] ,

  2. het arrest van 17 maart 2015 voor het overige te bekrachtigen,

  3. [gedaagde1] c.s. te bevelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis het dagboek, althans de documenten, waaronder maar niet uitsluitend het digitale en papieren manuscript van het boek welke de inhoud van het auteursrecht van [eiseres] bevatten, aan [eiseres] te overhandigen onder afgifte van een ontvangstbewijs, alsmede [gedaagde1] c.s. te verbieden documenten, kopieën of afdrukken bevattende (delen van) het dagboek en/of de inhoud daarvan te behouden,

  4. [gedaagde1] c.s. te verbieden om de inhoud van het dagboek, dan wel delen daarvan, op digitale dan wel analoge dan wel enigerlei wijze te publiceren en/of openbaar te maken en/of te vermenigvuldigen en/of te verspreiden, alsmede de reeds gepubliceerde kopieën van het werk van [eiseres] van de website [website] te (doen) verwijderen en verwijderd te houden, althans de publicatie ongedaan te maken,

  5. [gedaagde1] c.s. te verbieden het boek, dan wel het manuscript waarin het werk van [eiseres] geheel of gedeeltelijk is verwerkt op analoge dan wel digitale dan wel enigerlei wijze te publiceren en/of openbaar te maken en/of te vermenigvuldigen en/of te verspreiden,

  6. te bevelen om binnen 2 weken na betekening van dit vonnis, alle reeds gedrukte exemplaren van het boek, doch in ieder geval indien en voor zover hoofdstuk 4 daarin voorkomt, op kosten van [gedaagde1] c.s. te (doen) vernietigen onder afgifte van een schriftelijke verklaring van de uitvoerende instantie dat tot volledige vernietiging is over gegaan,

  7. het onder 3, 4, 5 en 6 gevorderde op straffe van een dwangsom dan wel in gijzeling stellen van [gedaagde1] c.s.,

  8. voor recht te verklaren dat [gedaagde1] c.s. het maximum aan dwangsommen hebben verbeurd op grond van schending van het publicatieverbod als bepaald in het vonnis van 18 december 2013 meer in het bijzonder maar niet uitsluitend overweging 5.2,

  9. voor recht te verklaren dat [gedaagde1] c.s. het maximum aan dwangsommen hebben verbeurd op grond van schending van het vernietigingsgebod als bepaald in het arrest van 17 maart 2015 meer in het bijzonder maar niet uitsluitend overweging 4.2.2.,

  10. [gedaagde1] c.s. te veroordelen in de kosten van dit geding ex artikel 1019h Rv, voorlopig begroot op € 30.000,-, te vermeerderen met nakosten van € 250,- en rente.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag.

Het dagboek van [eiseres] geniet auteursrechtelijke bescherming en [gedaagde1] c.s. hebben met de publicatie van het boek, in het bijzonder hoofdstuk 4 daarvan, inbreuk gemaakt op het auteursrecht van [eiseres] . Daarnaast hebben [gedaagde1] c.s. reeds een maximum van € 200.000,- aan dwangsommen verbeurd omdat zij zich niet hebben gehouden aan één of meer veroordelingen in het vonnis van 18 december 2013 en het arrest van 17 maart 2015 .

3.3.

[gedaagde1] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde1] vordert – samengevat – veroordeling van [eiseres] tot terugbetaling van € 200.000,- aan dwangsommen, vermeerderd met rente en kosten ex artikel 1019h Rv, voorlopig begroot op € 10.000,-.

3.5.

[gedaagde1] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [eiseres] ten onrechte het bedrag aan dwangsommen heeft geïnd, zodat zij dat bedrag moet terugbetalen. Daartoe stelt [gedaagde1] primair dat geen dwangsommen zijn verbeurd omdat geen inbreuk is gemaakt op het auteursrecht van [eiseres] . Subsidiair, voor het geval wel sprake is van inbreuk op het auteursrecht van [eiseres] , stelt [gedaagde1] dat alle verbeurde dwangsommen inmiddels zijn verjaard, de eerste op 9 november 2014 en de laatste op 24 mei 2015 .

3.6.

[eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

Procesvertegenwoordiging

4.1.

[gedaagde1] betwist dat mr. Moskowicz in opdracht van [eiseres] de onderhavige procedure voert, en stelt dat niet zij, maar haar familie de opdrachtgever is. [eiseres] zou, aldus de stelling van [gedaagde1] , niet achter de procedure staan.

4.2.

Uitgangspunt is dat een advocaat die zich voordoet als procesvertegenwoordiger van een partij geacht wordt over een toereikende volmacht te beschikken, zodat de door deze advocaat verrichte proceshandelingen, alsmede het resultaat daarvan, aan de door hem (beweerdelijk) vertegenwoordigde partij kunnen worden toegerekend. De stelling van [gedaagde1] dat [eiseres] de hiervoor onder 2.18 vermelde verklaring (waarvan niet is betwist dat deze door [eiseres] is geschreven) niet uit vrije wil heeft opgesteld, is onvoldoende om te twijfelen aan de bevoegdelijke vertegenwoordiging van [eiseres] door mr. Moszkowicz. Daaraan kan niet afdoen dat [eiseres] eerder beweerdelijk toestemming heeft gegeven voor publicatie van het dagboek of het boek. In aanmerking genomen hetgeen daarover hierna onder 4.10 wordt overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat [eiseres] die toestemming, zo die al zou zijn gegeven, op enig moment heeft ingetrokken. De stelling dat de familie van [eiseres] , waaronder haar ex-man, degene is die niet wil dat de inhoud van het dagboek openbaar wordt gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel.

Eisvermeerdering

4.3.

Ter zitting van [datum] heeft [eiseres] haar eis vermeerderd met de vorderingen zoals hiervoor onder 3.1 sub 8 en 9 vermeld. [gedaagde1] maakt bezwaar tegen de vermeerdering van eis en voert daartoe aan dat onderhavige zaak de bodemprocedure betreft die dient ter zekerstelling van de in kort geding verkregen voorlopige voorziening, in dit geval het verbod op publicatie. [gedaagde1] vraagt zich af of het mogelijk is dat daarnaast in dezelfde procedure meer dan de bevestiging van hetgeen in kort geding is toegewezen kan worden gevorderd. Daarbij wijst [gedaagde1] erop dat de in artikel 1019i Rv gestelde termijn van 6 maanden ten aanzien van de toegevoegde vorderingen is overschreden.

4.4.

Het bezwaar van [gedaagde1] tegen de eisvermeerdering wordt verworpen.

Ingevolge artikel 130 Rv heeft eiser in beginsel het recht om zijn eis te wijzigen zolang nog geen eindvonnis is gewezen. De onderhavige wijziging van eis is niet in strijd met de goede procesorde. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde1] onredelijk wordt bemoeilijkt in zijn verdediging dan wel dat de wijziging onredelijke vertraging van het geding met zich brengt. Het beroep van [gedaagde1] op overschrijding van de termijn van artikel 1019i Rv wordt verworpen. De termijn van genoemd artikel ziet op de redelijke termijn waarbinnen de bodemprocedure ingesteld moet worden, met dien verstande dat de voorlopige voorziening in kort geding haar kracht verliest indien niet binnen die termijn de eis in de hoofdzaak is ingesteld. De bij eisvermeerdering toegevoegde vorderingen zijn in kort geding niet aan de orde geweest, zodat artikel 1019i Rv daarop niet van toepassing is.

Niet verschenen gedaagde

4.5.

Op grond van artikel 130 lid 3 Rv wordt de eiswijziging voor zover gericht tegen [gedaagde2] uitgesloten. Gesteld noch gebleken is dat de eiswijziging tijdig bij exploot aan [gedaagde2] , die in onderhavige procedure niet is verschenen, kenbaar is gemaakt. De onder 3.1 sub 8 en 9, vermelde vorderingen worden derhalve geacht uitsluitend jegens [gedaagde1] te zijn ingesteld. Voorts geldt op grond van artikel 140 lid 2 Rv dat in het geval dat sprake is van meerdere gedaagden en tenminste één van hen is verschenen, tussen alle partijen één vonnis wordt gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.

Auteursrecht

4.6.

Wat betreft de vorderingen gebaseerd op het auteursrecht overweegt de rechtbank als volgt.

[gedaagde1] betwist niet dat het dagboek een auteursrechtelijk beschermd werk is. Op grond van vaste jurisprudentie dient een werk om in aanmerking te komen voor auteursrechtelijke bescherming een eigen, oorspronkelijk karakter en het persoonlijk stempel van de maker te dragen. Het dagboek van [eiseres] is naar het oordeel van de rechtbank zonder meer een werk in de zin van in de zin van artikel 10 lid 1 sub 1 Auteurswet (hierna: Aw), en het dagboek geniet als zodanig auteursrechtelijke bescherming. Voorts staat onbetwist vast dat [eiseres] de maker van het dagboek is en dat het auteursrecht haar toekomt.

4.7.

Vervolgens is aan de orde of het in [datum] gepubliceerde hoofdstuk 4 van het boek inbreuk maakt op voormeld auteursrecht. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van inbreuk op een auteursrecht dient beoordeeld te worden in welke mate de totaalindrukken van het beweerdelijk inbreukmakende werk en het beweerdelijk bewerkte of nagebootste werk overeenstemmen.

4.8.

De rechtbank stelt vast dat het dagboek is geschreven in de eerste persoon enkelvoud en het hoofdstuk 4 uit het boek van [gedaagde1] en [gedaagde2] in de derde persoon enkelvoud. De beschreven gebeurtenissen, personen, plaats en tijd komen echter overeen. Tussen de inhoud van het dagboek en hoofdstuk 4 bestaan zeer veel overeenkomsten. Het is meer dan een beschrijvende weergave van de strekking van het dagboek. Naar het oordeel van de rechtbank is bij hoofdstuk 4 van het boek sprake van een zodanige overeenstemming dat het dient te worden aangemerkt als een bewerking die niet als een nieuw oorspronkelijk werk kan worden aangemerkt.

4.9.

Gelet op het bepaalde in artikel 13 Aw is de publicatie van de bewerking van het dagboek aan te merken als een verveelvoudiging daarvan. [eiseres] heeft, als auteursrechthebbende op het dagboek, het uitsluitend recht om te bepalen of zij het dagboek al dan niet wil openbaarmaken of wil verveelvoudigen.

4.10.

Het verweer van [gedaagde1] dat [eiseres] toestemming heeft verleend voor het gebruik van delen van haar dagboek en publicatie van het boek, wordt verworpen.

De uitlatingen van [eiseres] waar [gedaagde1] de toestemming aan ontleent, zijn niet op te vatten als een toestemming voor publicatie van delen van het dagboek in een boek. Daarbij is van belang dat een groot deel van de uitlatingen dateren van vóór de veroordeling van de dader in [datum] , in welke periode [eiseres] in het kader van het onderzoek naar de (toen nog niet gevonden) dader van de moord de publiciteit opzocht. Voor zover [gedaagde1] ook in dit verband aanvoert dat [eiseres] wel degelijk achter de publicatie van het boek staat en geen bezwaar maakt tegen openbaarmaking van haar dagboek en dat zij onder druk staat van haar familie, wordt dit betoog verworpen. De gesprekken met [eiseres] waar [gedaagde1] zijn stellingen op dit punt op baseert, leiden naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andere conclusie. Uit het door [gedaagde1] overgelegde verslag van een telefoongesprek tussen [eiseres] en [A.] op [datum] blijkt dat [eiseres] nergens in betrokken wil worden, heeft zij gezegd dat het genoeg is geweest en heeft zij gevraagd haar met rust te laten. Het door [gedaagde1] overgelegde verslag van een gesprek op [datum] van [gedaagde2] met [eiseres] , door [gedaagde1] aangeduid als ‘het campingverslag’, is opgesteld door [gedaagde2] en bevat een beschrijving door [gedaagde2] van het verloop van een bezoek dat [gedaagde2] aan [eiseres] heeft gebracht. Daaruit valt niets af te leiden over al dan niet verleende toestemming door [eiseres] .

4.11.

Het in dit verband aangevoerde verweer dat [eiseres] geen belang heeft bij haar vorderingen omdat de inhoud van het dagboek al op straat ligt, inmiddels algemeen bekend is en door anderen naar buiten is gebracht, kan [gedaagde1] niet baten. Hoewel vast staat dat het dagboek van [eiseres] ook is te raadplegen via andere websites, is gesteld noch gebleken dat op die andere websites sprake is van rechtmatige openbaarmakingen van het dagboek. Dat [eiseres] de beheerders van die websites niet heeft aangesproken op onrechtmatige publicatie – voor zover dat al juist zou zijn – kan daaraan niet afdoen. Dat [eiseres] andere partijen die eveneens delen van haar dagboek hebben gepubliceerd (vooralsnog) niet in rechte daarop aanspreekt, kan haar niet worden tegengeworpen. Het staat een partij vrij om ervoor te kiezen wie zij aanspreekt op inbreuk op haar auteursrechten. Niet onbegrijpelijk is dat [eiseres] in dit geval ervoor heeft gekozen om die partij aan te spreken die de inhoud van haar dagboek op internet openbaar maakt en een bewerking daarvan in boekvorm publiceert.

4.12.

Het beroep van [gedaagde1] op het citaatrecht slaagt evenmin. Ingevolge artikel 15a lid 1, aanhef en sub 1 Aw wordt het citeren uit een werk niet als inbreuk op het auteursrecht beschouwd, mits het werk waaruit geciteerd wordt rechtmatig openbaar gemaakt is. Daarvan is in onderhavig geval, zoals hiervoor overwogen, geen sprake. Voor zover het dagboek door [eiseres] aan anderen is verstrekt, is die verstrekking niet aan te merken als een rechtmatige openbaarmaking in de zin van genoemd artikel, gelet op de omstandigheid dat [eiseres] dat deed in de context van het onderzoek naar de moord. Dat geldt eveneens voor de vermeende medewerking van [eiseres] aan openbaarmaking van passages uit het dagboek door middel van het (laten) citeren daaruit in een tweetal toespraken, nu dit naar de stelling van [eiseres] slechts was ingegeven door de wens om zoveel mogelijk aandacht te vragen voor de moordzaak zolang nog geen helderheid bestond over de dader. Met de arrestatie en zeker met de veroordeling van de dader is dat doel bereikt. [gedaagde1] miskent met zijn betoog op dit punt eveneens dat onderscheid dient te worden gemaakt in de periode voorafgaand aan de arrestatie en veroordeling van de dader, en de periode daarna.

4.13.

Al het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de vorderingen onder 3.1 sub 1, 3 en 4 toewijsbaar zijn, zoals hierna in het dictum vermeld.

Het gevorderde verbod tot publicatie van het boek, onder 3.1 sub 5, zal worden afgewezen. [eiseres] heeft onvoldoende belang bij een afzonderlijk tegen het (gehele) boek gerichte voorziening. Zoals ook reeds overwogen in het vonnis van 18 december 2013 wordt het auteursrechtelijk belang van [eiseres] al voldoende beschermd door toewijzing van het verbod tot publicatie van het dagboek of passages daaruit en de hierna te geven verklaring voor recht dat met het boek inbreuk wordt gemaakt op de auteursrechten van [eiseres] . [eiseres] heeft ook in onderhavige procedure haar stellingen op dit punt niet nader onderbouwd.

4.14.

Met betrekking tot het onder 3.1 sub 6 gevorderde bevel tot vernietiging van alle gedrukte exemplaren heeft [gedaagde1] aangevoerd dat hij geen exemplaren meer in zijn bezit heeft en geen macht heeft over de restvoorraad die [gedaagde2] als uitgever bij het Centraal Boekhuis onder zijn beheer heeft. Het hof heeft in het kortgedingarrest van 16 februari 2016 (in het kader van de vraag of de dwangsommen gematigd dienden te worden) overwogen dat [gedaagde1] zich onvoldoende had ingespannen om de boeken vernietigd te krijgen. De rechtbank volgt dat oordeel van het hof voorzover het betreft de vraag of [gedaagde1] ten tijde van het arrest daadwerkelijk dwangsommen heeft verbeurd, nu, zoals door het hof eveneens overwogen, [gedaagde1] nagelaten heeft zich voldoende in te spannen om aan de veroordeling te voldoen. Dat betekent echter niet dat die situatie thans nog ongewijzigd is en dus een nieuwe veroordeling van [gedaagde1] rechtvaardigt. Inmiddels is veel tijd verstreken en oordeelt de rechtbank dat genoegzaam is komen vast te staan dat er voor [gedaagde1] op dit moment geen reële mogelijkheden meer bestaan om ergens nog eventueel rondzwervende exemplaren vernietigd te krijgen. De enige exemplaren waarvan aan te nemen valt dat die nog voorhanden zijn, zijn buiten de macht van [gedaagde1] gekomen, nu alleen [gedaagde2] , als uitgever, gerechtigd is deze terug te halen bij het Centraal Boekhuis en [gedaagde1] en [gedaagde2] thans kennelijk gebrouilleerd zijn en [gedaagde2] zijn medewerking weigert. In dit vonnis zal de vordering tot vernietiging daarom alleen tegen [gedaagde2] worden toegewezen. Daarmee heeft [eiseres] voldoende middelen in handen om zelf vernietiging van de bij het Centraal Boekhuis liggende exemplaren af te dwingen. Voorzover het gaat om exemplaren die [gedaagde1] zegt te hebben uitgedeeld, valt aan te nemen dat hij thans niet meer kan nagaan aan wie hij exemplaren heeft uitgedeeld, zodat het niet in zijn macht ligt om deze terug te krijgen. Dat [gedaagde1] zelf nog exemplaren in bezit zou hebben is tegenover zijn ontkenning te weinig onderbouwd gesteld door [eiseres] .

4.15.

Nu de vorderingen voor zover gericht tegen [gedaagde2] , met inachtneming van het hierna onder 4.16 en 4.17 overwogene, voor het overige niet ongegrond of onrechtmatig voorkomen zullen deze worden toegewezen als hierna vermeld.

4.16.

De onder 3.1 sub 2 gevorderde bekrachtiging van het arrest van het hof van 17 maart 2015 is niet toewijsbaar. De procedure tot het verkrijgen van een voorlopige beslissing in kort geding, zoals die heeft geleid tot het arrest van het hof van 17 maart 2015 , geldt als zelfstandige rechtsgang. De onderhavige zaak heeft te gelden als de bodemprocedure, waarin het geschil tussen partijen in volle omvang ter beoordeling voorligt en waarbij de rechter niet is gebonden aan de beslissing in kort geding. Bekrachtiging van een kortgedingarrest is in de bodemprocedure niet aan de orde. De vordering zal worden afgewezen.

4.17.

De gevraagde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna in het dictum vermeld.

De gevorderde gijzeling zal worden afgewezen. Gijzeling komt slechts in aanmerking als uiterste middel om veroordeelden tot naleving van een opgelegd bevel of verbod te bewegen. Bij gebreke van voldoende inzicht in de huidige vermogenspositie van [gedaagde1] kan niet worden geconcludeerd dat van een dwangsom onvoldoende prikkel tot nakoming door [gedaagde1] uit zal gaan. Dat [gedaagde1] en [gedaagde2] ondanks de veroordeling in eerdere vonnissen tot publicatie van het boek zijn overgegaan, leidt in het licht van al het hiervoor overwogene niet tot een ander oordeel. In de in onderhavig geval aan de orde zijnde omstandigheden vindt de rechtbank onvoldoende aanleiding het uiterste middel van gijzeling toe te passen.

Dwangsommen

4.18.

Wat betreft de vorderingen onder 3.1 sub 8 en 9 overweegt de rechtbank als volgt.

[eiseres] legt aan de gevorderde verklaringen voor recht dat dwangsommen zijn verbeurd ten grondslag dat [gedaagde1] niet heeft voldaan aan het publicatieverbod zoals dat is opgelegd in het vonnis van 18 december 2013 door alsnog het boek te publiceren en evenmin heeft voldaan aan het gebod het boek te vernietigen zoals dat bij arrest van 17 maart 2015 is opgelegd en derhalve dwangsommen heeft verbeurd vanaf het moment dat het boek werd uitgegeven met daarin in hoofdstuk 4 een bewerking van het dagboek van [eiseres] , tot inmiddels een maximum van € 200.000,-.

4.19.

[gedaagde1] beroept zich op verjaring van de verbeurde dwangsommen.

4.20.

Eerst dient te worden beoordeeld of uit hoofde van het vonnis van 18 december 2013 het maximumbedrag aan dwangsommen is verbeurd. Vervolgens ligt ter beoordeling de vraag voor of de door [eiseres] verbeurde dwangsommen op het moment van de inning daarvan reeds waren verjaard. Vervolgens dient ook te worden beoordeeld of uit hoofde van de veroordelingen in het arrest van 17 maart 2015 het maximumbedrag aan dwangsommen is verbeurd en of ten aanzien daarvan sprake is van verjaring.

4.21.

Vast staat dat in het arrest van 17 maart 2015 het vonnis van 18 december 2013 , zoals hiervoor weergegeven in 2.4, gedeeltelijk is bekrachtigd, waaronder het in 5.2. van het vonnis uitgesproken verbod om de inhoud van het dagboek dan wel delen daarvan te openbaren en het bevel aan [gedaagde1] om kopieën daarvan van de website te verwijderen.

Het verweer van [gedaagde1] dat geen sprake is van overtreding van de veroordelingen wordt verworpen gelet op hetgeen hiervoor in het kader van de auteursrechtelijke grondslagen van de vorderingen is overwogen. Met de publicatie van het boek hebben [gedaagde1] c.s. het verbod tot publicatie overtreden, zodat vanaf dat moment dwangsommen zijn verbeurd. [eiseres] betwist de stelling van [gedaagde1] dat publicatie van het boek op [datum] heeft plaatsgevonden. [gedaagde1] heeft ter zitting verklaard dat op [datum] een presentatie van het boek is gegeven voor publiek in [Hotel] . Gelet hierop is de stelling dat [eiseres] niet weet wanneer publicatie heeft plaatsgevonden zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, onvoldoende. De rechtbank gaat ervan uit dat het boek op [datum] is gepubliceerd.

De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar subsidiaire betoog dat moet worden uitgegaan van 17 maart 2015 , de datum van het arrest, als datum waarop de eerste dwangsom is gaan lopen. Dat pas vanaf die datum met zekerheid kan worden gezegd dat in strijd met het vonnis is gehandeld, zoals [eiseres] stelt, miskent dat dwangsommen eerst verbeurd worden door niet naleving van de veroordeling in verband waarmee zij zijn opgelegd. De aanspraak op betaling ervan die daardoor ontstaat, betreft een vordering met een eigen in artikel 611g Rv geregelde verjaringstermijn van zes maanden, welke termijn aanvangt op het moment van verbeuren. Aangezien het (op 19 december 2013 aan [gedaagde1] betekende) vonnis van 18 december 2013 op het punt van het publicatieverbod, met oplegging van een dwangsom, is bekrachtigd in het arrest van 17 maart 2015 , is aan de aanvangsdatum van de verjaringstermijn, te weten het moment waarop de eerste dwangsom is verbeurd op 9 mei 2014 , niets gewijzigd.

4.22.

Uitgaande van de in artikel 611g lid 1 Rv bepaalde verjaringstermijn voor verbeurde dwangsommen van zes maanden, leidt de datum van 9 mei 2014 ertoe dat de eerste dwangsom 6 maanden later verjaard en de laatste dwangsom (200 dagen na de eerste, 24 november 2014 ) verjaard op 24 mei 2015 . [eiseres] stelt dat geen sprake is van verjaring van dwangsommen omdat de verjaring tijdig is gestuit.

4.23.

Het verweer van [eiseres] dat de verjaring van de verbeurde dwangsommen door het instellen van incidenteel appel op 12 augustus 2014 is gestuit, wordt verworpen. Anders dan [eiseres] betoogt, is het incidenteel appel, zoals hiervoor onder 2.8 weergegeven, niet gelijk te stellen met een eis als bedoeld in artikel 3:316 lid 1 BW nu daarin geen aanspraak is gemaakt op de verbeurde dwangsommen.

Voorts staat onweersproken vast dat de advocaat van [eiseres] bij brief van 18 maart 2015 aan de (toenmalige) advocaat van [gedaagde1] kenbaar heeft gemaakt dat [gedaagde1] de dwangsommen uit het vonnis van 18 december 2013 maximaal had verbeurd en dat [eiseres] de dwangsommen opeist. Het verweer van [gedaagde1] dat hij niet heeft geweten dat hij dwangsommen aan het verbeuren was, gaat in ieder geval vanaf 18 maart 2015 niet op. Bovendien is naar het oordeel van de rechtbank deze brief aan te merken als een schriftelijke aanmaning, zoals bepaald in artikel 3:317 BW, waarmee de verjaring wordt gestuit. Een deel van de verbeurde dwangsommen was op [datum] al verjaard. Teruggerekend naar de zes maanden eerder verbeurde dwangsommen (de laatste op 24 november 2014 ), betekent dit dat de stuiting slechts doel heeft getroffen voor 66 dwangsommen van telkens € 1.000,- per dag.

Het voorgaande leidt ertoe dat de gevorderde verklaring voor recht onder 3.1 sub 8 kan worden toegewezen voor een bedrag van € 66.000,-.

4.24.

Vast staat dat het hof in het arrest van 17 maart 2015 voorts, opnieuw rechtdoende, [gedaagde1] en [gedaagde2] heeft verboden om hoofdstuk 4 van het boek te (doen) publiceren. Ook zijn [gedaagde1] en [gedaagde2] veroordeeld om binnen vier weken na het arrest alle reeds gedrukte exemplaren van het boek, indien en voor zover hoofdstuk 4 daarin voorkomt, te vernietigen op straffe van verbeurte van een dwangsom, tot een maximum van € 200.000,- is bereikt.

4.25.

Het verweer van [gedaagde1] dat het bevel tot vernietiging van de restvoorraad opgelegd in het arrest van 17 maart 2015 niet is overtreden, wordt verworpen onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.14 daaromtrent heeft overwogen. Aan de veroordelingen in het arrest is niet voldaan aangezien niet gestopt is met het publiceren van hoofdstuk 4 van het boek en niet alle gedrukte exemplaren van het boek zijn vernietigd.

4.26.

Vast staat dat het arrest van 17 maart 2015 op 23 maart 2015 aan [gedaagde1] is betekend met het bevel om te stoppen met het publiceren van het boek en alle reeds gedrukte exemplaren van het boek te vernietigen. Na die datum zijn de dwangsommen uit hoofde van de nieuwe veroordelingen in het arrest gaan lopen. Dat betekent dat het maximumbedrag aan dwangsommen is verbeurd op (200 dagen na 23 maart 2015 ) 10 september 2015 .

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het maximumbedrag van € 200.000,- in verband met het bevel om te stoppen met het publiceren van het boek en de veroordelingen alle reeds gedrukte exemplaren van het boek te vernietigen in het arrest van 17 maart 2015 verbeurd is.

4.27.

[eiseres] betwist dat ten aanzien van deze verbeurde dwangsommen sprake is van verjaring.

Gelet op de hiervoor onder 4.26 genoemde data dient de verjaring van de eerste dwangsom uiterlijk op 23 september 2015 te zijn gestuit, en van de laatste op 10 maart 2016 .

Het door [eiseres] overgelegde exploot van 13 juli 2015 , hiervoor onder 2.12 vermeld, heeft alleen betrekking op de dwangsommen uit hoofde van het bekrachtigde deel van het vonnis van 18 december 2013 . Zoals eveneens overwogen door de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland in het vonnis van 17 februari 2016 , vermeldt het exploot een bedrag van € 200.000,00 aan "Verbeurde maximaal opgelegde dwangsommen ter zake van het vonnis in eerste aanleg en het arrest, tot en met heden". Vanaf het moment van betekening van het arrest van 23 maart 2015 tot aan het moment van beslaglegging op 13 juli 2015 waren er nog geen 200 dagen verstreken, zodat in zoverre van "verbeurde maximaal opgelegde dwangsommen, tot en met heden" naar aanleiding van de nieuwe veroordelingen in het arrest van 17 maart 2015 ten tijde van de beslaglegging geen sprake kan zijn geweest. In de brief van 18 maart 2015 heeft (de advocaat van) [eiseres] slechts gewezen op de veroordeling onder 5.2 van het vonnis van 18 december 2013 en de ten gevolge van de niet nakoming van die veroordeling verbeurde dwangsommen groot € 200.000,-, waarvan [eiseres] slechts een bedrag van € 193.739,36 betaald wenste te zien, in verband met de in appel vernietigde proceskostenveroordeling in eerste aanleg. De enkele omstandigheid dat in het beslagexploot aanspraak wordt gemaakt op € 200.000,-, is onvoldoende om daaruit af te leiden dat het door [eiseres] geïnde bedrag aan verbeurde dwangsommen mede betrekking heeft op de dwangsommen uit hoofde van de veroordeling onder 4.2 van het arrest van 17 maart 2015 . De overgelegde stukken bieden daartoe geen aanknopingspunten

De gewijzigde eis in onderhavige zaak dateert van 19 april 2016 en kan [eiseres] niet baten, nu deze datum is gelegen na de datum van verjaring van de laatste dwangsom.

Het beroep op verjaring van de verbeurde dwangsommen van [gedaagde1] uit hoofde van het arrest slaagt derhalve.

4.28.

Gelet op het hiervoor overwogene is de verklaring voor recht dat [gedaagde1] een bedrag aan dwangsommen heeft verbeurd op grond van schending van het publicatieverbod als bepaald in het vonnis van 18 december 2013 van de voorzieningenrechter Noord-Holland, toewijsbaar voor zover het € 66.000,- betreft en zal de verklaring voor recht dat [gedaagde1] een bedrag aan dwangsommen heeft verbeurd op grond van schending van het vernietigingsgebod als bepaald in het arrest van 17 maart 2015 worden afgewezen.

4.29.

Gelet op het overwogene in 4.23 bestaat ter zake de verbeurde dwangsommen die niet verjaard zijn een vordering ter hoogte van € 66.000,-. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de verplichting tot betaling van een dwangsom deelbaar is, ook indien de prestatie waartoe veroordeeld is ondeelbaar zou zijn en dat de hoofdregel van artikel 6:6 BW geldt. Zoals reeds overwogen door het hof bij arrest van 16 februari 2016 is [gedaagde1] slechts voor de helft aansprakelijk voor het bedrag aan verbeurde dwangsommen uit hoofde van het vonnis van 18 december 2013 . Gelet op het hiervoor overwogene heeft [eiseres] van [gedaagde1] terecht een bedrag aan verbeurde dwangsommen mogen innen van € 33.000,-. Vast staat dat [eiseres] een bedrag van € 194.818,23 heeft geïnd. De vordering tot terugbetaling van het reeds door [eiseres] geïnde bedrag aan dwangsommen is toewijsbaar voor het meerdere boven dat bedrag, dat neerkomt op € 194.818,23 -/- € 33.000,- = € 161.818,23. De vordering zal als hierna in het dictum vermeld worden toegewezen, waarbij de datum van de eis in reconventie zal worden aangehouden als ingangsdatum van de wettelijke rente zoals gevorderd.

Proceskosten

4.30.

[gedaagde1] c.s. zullen als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. [eiseres] heeft op grond van artikel 1019h Rv vergoeding van de volledige proceskosten gevorderd. [gedaagde1] c.s. hebben die vordering als zodanig niet betwist, zodat deze toewijsbaar is. Aangezien de advocaat van [eiseres] heeft verzuimd een deugdelijke specificatie van zijn kosten over te leggen, zullen de kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot conform de IE-indicatietarieven voor een eenvoudige bodemzaak zonder repliek en dupliek en/of pleidooi, dat een bedrag betreft dat in de regel nog als redelijk en evenredig kan worden aangemerkt.

Aangezien sprake is van een gemengde grondslag van de vorderingen (auteursrecht en dwangsommen) volgt een kostenveroordeling met toepassing van 1019h Rv voor de proceskosten die aan het op de auteursrechtelijke grondslag gebaseerde deel van de procedure moeten worden toegerekend. Voor de overige kosten wordt een evenredig deel van het gebruikelijke liquidatietarief toegepast. De rechtbank past daarbij voor beide grondslagen een aandeel van 50 % toe, dat leidt tot het volgende:

Auteursrechtelijke grondslag: 0,5 x € 8.000,- € 4.000,-

Overige grondslag: 0,5 x 2 punten x € 452,- € 452,-

Totaal: € 4.452,-

De kosten aan de zijde van [eiseres] worden dienovereenkomstig begroot op:

- dagvaarding € 102,25

- griffierecht € 78,-

- salaris advocaat € 4.452,-

Totaal € 4.632,25

4.31.

[eiseres] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. Nu de vordering in reconventie niet is gegrond op handhaving van rechten van intellectuele eigendom is artikel 1019h Rv niet van toepassing. Anders dan zoals door [gedaagde1] gevorderd, zal het gebruikelijke liquidatietarief worden toegepast, met dien verstande dat gelet op de samenhang met de conventie de toe te kennen punten worden gehalveerd.

- salaris advocaat € 2.000,- (0,5 x 2 punten × € 2.000,-)

Totaal € 2.000,-

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde1] c.s. door de publicatie van het boek met de titel [Titel] , met daarin het hoofdstuk 4 getiteld [Hoofdstuk 4], een inbreuk hebben gemaakt op het auteursrecht van [eiseres] , te weten het auteursrechtelijk beschermde dagboek van [eiseres] ,

5.2.

beveelt [gedaagde1] c.s. om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis het dagboek en alle bij [gedaagde1] in bezit zijnde (papieren en digitale) versies van het dagboek, althans de documenten, waaronder maar niet uitsluitend het digitale en papieren manuscript van het boek welke de inhoud van het auteursrecht van [eiseres] bevatten, aan (de raadsman van) [eiseres] te overhandigen onder afgifte van een ontvangstbewijs, en verbiedt [gedaagde1] c.s. documenten, kopieën of afdrukken bevattende (delen van) het dagboek en/of de inhoud daarvan te behouden,

5.3.

verbiedt [gedaagde1] c.s. om de inhoud van het dagboek, dan wel delen daarvan, op digitale dan wel analoge dan wel enigerlei wijze te publiceren en/of openbaar te maken en/of te vermenigvuldigen en/of te verspreiden, en beveelt [gedaagde1] de reeds gepubliceerde kopieën van (passages uit) het werk van [eiseres] van de website [website] te (doen) verwijderen en verwijderd te houden, althans de publicatie ongedaan te maken,

5.4.

beveelt [gedaagde2] om binnen 2 weken na betekening van dit vonnis, alle reeds gedrukte exemplaren van het boek met de titel [Titel], met daarin het hoofdstuk 4 getiteld [Hoofdstuk 4], op kosten van [gedaagde1] c.s. te (doen) vernietigen onder afgifte van een schriftelijke verklaring van de uitvoerende instantie dat tot volledige vernietiging is over gegaan,

5.5.

veroordeelt [gedaagde1] c.s. om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.2 en 5.3 uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, en [gedaagde2] voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.4 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 200.000,- is bereikt,

5.6.

verklaart voor recht dat [gedaagde1] een bedrag van € 66.000,- aan dwangsommen heeft verbeurd op grond van schending van het publicatieverbod als bepaald in het vonnis van 18 december 2013 ,

5.7.

veroordeelt [gedaagde1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 4.632,25,

5.8.

verklaart dit vonnis wat de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.10.

veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde1] te betalen een bedrag van € 161.818,23 (zegge: honderd eenenzestigduizend achthonderdachttien euro en drieëntwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 4 november 2015 tot de dag van volledige betaling,

5.11.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde1] tot op heden begroot op € 2.000,-,

5.12.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2016.1

1 Conc.: 802