Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:6885

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
C/15/243007 / HA ZA 16-303
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Internationaal privaatrecht; IPR; Incidentele vordering tot onbevoegdverklaring afgewezen. Bij de beoordeling van de bevoegdheid ligt in beginsel slechts ter beoordeling voor of aan de ingestelde vordering een verbintenis uit overeenkomst ten grondslag is gelegd en of uit de door de eisende partij verstrekte gegevens het bestaan van die overeenkomst voldoende kan blijken. De rechter mag daarbij uitgaan van de stellingen van eiser. Niet doorslaggevend is of gedaagde het bestaan van de aan de eis ten grondslag gelegde overeenkomst betwist.

Uit punt 12 van de Considerans van de Herschikte EEX-Vo volgt dat indien voor de rechter van een lidstaat een beroep wordt gedaan op een overeengekomen arbitragebeding de rechter kan onderzoeken of het arbitrale beding is vervallen, niet geldig is of niet kan worden toegepast, ‘een en ander in overeenstemming met zijn nationale recht’. Op de vraag of een arbitraal beding materieel geldig is, dient de Nederlandse rechter het recht toe te passen dat door artikel 10:166 BW is aangewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/243007 / HA ZA 16-303

Vonnis in incident van 24 augustus 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JFO HOLDING B.V.,

gevestigd te Wormerland,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaten mrs. T. Steffens en J.A.E.F. van Leeuwen Boomkamp te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap naar het recht van Luxemburg,

CATELLA BANK S.A.,

gevestigd te Luxemburg,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaten mrs. E.H.M. Bieleveld en J.W. Volkers te Amsterdam.

Partijen zullen hierna JFO en Catella genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de incidentele conclusie strekkende tot onbevoegdverklaring van de rechtbank

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De vorderingen in de hoofdzaak

JFO vordert – samengevat – in de hoofdzaak:

primair

bij tussenvonnis

  1. te verklaren voor recht dat tussen JFO en Catella een overeenkomst van geldlening, althans een rompovereenkomst, tot stand is gekomen met betrekking tot de verstrekking van een geldlening aan JFO, op basis van de volgende uitgangspunten: (i) de inhoud van de Termsheet en (ii) de inhoud van de e-mail van Rutholm van 22 september 2015;

  2. Catella te gebieden

  • -

    i) om binnen zeven dagen na tekening van het in dezen te wijzen vonnis de concept leningdocumentatie hij JFO aan te leveren, en

  • -

    ii) om binnen veertien dagen na het aanleveren van de concept leningdocumentatie aan JFO de mogelijke leemten die de concept leningdocumentatie nog bevat in redelijkheid met JFO uit te onderhandelen,

op straffe van een dwangsom;

bij eindvonnis

te verklaren voor recht dat Catella toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen jegens JFO en dat Catella uit dien hoofde schadeplichtig is jegens JFO;

Catella te veroordelen tot vergoeding van de schade van JFO welke het gevolg is van het toerekenbaar tekortschieten door Catella, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

voor zover nodig bij resterende leemten in de concept leningdocumentatie, bij wijze van verklaring voor recht te bepalen dat, en onder welke voorwaarden, de verstrekking van de lening zal dienen te geschieden;

Catella te gebieden om binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen eindvonnis over te gaan tot ondertekening van de leningdocumentatie en aanverwante documenten, op straffe van een dwangsom;

subsidiair

bij eindvonnis

Catella te veroordelen tot voortzetting van de onderhandelingen over het verstrekken van een geldlening aan JFO, op straffe van een dwangsom;

te verklaren voor recht dat Catella onrechtmatig jegens JFO heeft gehandeld en dat Catella uit dien hoofde schadeplichtig is jegens JFO;

I. Catella te veroordelen tot vergoeding van de schade van JFO welke het gevolg is van het onrechtmatig handelen door Catella, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

primair en subsidiair

Catella te gebieden om, door ondertekening van een leningovereenkomst en hypotheekakten met betrekking tot de registergoederen, binnen een door de rechtbank te bepalen termijn over te gaan tot uitbetaling van de lening aan JFO, op straffe van een dwangsom;

Catella te veroordelen in de proceskosten.

2.1.

JFO legt aan de primaire vorderingen ten grondslag dat tussen partijen een (romp)overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen die door Catella niet wordt nagekomen. Aan de subsidiaire vorderingen legt JFO ten grondslag dat Catella de onderhandelingen tussen partijen onrechtmatig heeft afgebroken.

2.2.

Catella betwist het bestaan van een overeenkomst van geldlening alsook het onrechtmatig afbreken van onderhandelingen.

3 De vordering in het incident

3.1.

Catella vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van JFO kennis te nemen en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Tussen partijen is geen overeenkomst tot stand gekomen. Dientengevolge is evenmin een forumkeuze overeengekomen en kan de bevoegdheid van de rechtbank ook niet worden gebaseerd op artikel 7 lid 1 sub a Herschikte EEX-Vo. Als al een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen zou die bovendien een keuze voor arbitrage hebben bevat. Een rechtsgeldige forumkeuze als bedoeld in artikel 25 Herschikte EEX-Vo is in ieder geval niet overeengekomen. Niet vastgesteld kan worden dat de verbintenis die aan de vorderingen ten grondslag ligt moet worden uitgevoerd in de woonplaats van JFO, omdat het overmaken van een geldbedrag overal kan plaatshebben. Bovendien zou het onderwerp van onderhandeling zijn geweest op welke bankrekening uitbetaling zou hebben plaatsgevonden, waarbij niet ongebruikelijk is dat wordt overeenkomen dat de leningnemer een bankrekening bij de leninggevende bank dient aan te houden. Artikel 7 lid 1 sub a Herschikte EEX-Vo biedt daarom geen grondslag voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de vorderingen die hun grondslag vinden in de door JFO gestelde overeenkomst van geldlening. De rechtbank is evenmin bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen die zijn gebaseerd op onrechtmatig handelen. Artikel 7 lid 2 Herschikte EEX-Vo bepaalt dat een partij kan worden opgeroepen voor het recht van de plaats waar het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan. Uit de rechtspraak volgt dat in een dergelijk geval de rechter bevoegd is van de plaats waar de onderhandelingen zijn afgebroken. In het onderhavige geval is telefonisch meegedeeld dat de gesprekken niet zouden worden voortgezet. Deze telefonische boodschap laat zich niet lokaliseren op een bepaalde plek, zodat niet gezegd kan worden dat het schadetoebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan. Ingevolge de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Herschikte EEX-Vo dient Catella dus voor de Luxemburgse rechter te worden opgeroepen, zodat de Nederlandse rechter onbevoegd is.

3.2.

JFO voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Nu Catella gevestigd is in Luxemburg, zijnde het grondgebied van een verdragsluitende staat, en de dagvaarding is uitgebracht na 10 januari 2015, moet de rechtsmacht worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Herschikte EEX-Vo).

4.2.

Volgens de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Herschikte EEX-Vo dient Catella voor de Luxemburgse rechter te worden opgeroepen, nu zij aldaar haar woonplaats heeft.

4.3.

Naast deze hoofdregel bepaalt artikel 7 lid 1 sub a Herschikte EEX-Vo ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst dat ook kan worden gedagvaard voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. JFO legt aan haar primaire vorderingen een overeenkomst van geldlening ten grondslag. Catella betwist het bestaan van die overeenkomst en stelt dat de bevoegdheid van de rechtbank daarom niet kan worden gebaseerd op artikel 7 lid 1 sub a Herschikte EEX-Vo.

4.4.

De vraag die allereerst moet worden beantwoord is of de rechter bij de beoordeling van de vraag of hij op grond van artikel 7 lid 1 sub a Herschikte EEX-Vo bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen mag uitgaan van de stellingen van eiser of dat ook de betwisting van gedaagde in aanmerking moet worden genomen. In een reeks arresten heeft het Hof van Justitie van de EG/EU zich hierover uitgelaten. In HvJ EG 4 maart 1982, NJ 1983, 508 (Effer/Kantner) heeft het Hof beslist dat de rechter die een uit een overeenkomst ontstaan geschil moet beoordelen, de voornaamste voorwaarden voor zijn bevoegdheid – ook ambtshalve – mag nagaan in het licht van de door de belanghebbende partij verstrekte overtuigende en relevante gegevens waaruit het al dan niet bestaan van de overeenkomst blijkt. Uit dit arrest kan worden afgeleid dat niet doorslaggevend is of gedaagde het bestaan van de aan de eis ten grondslag gelegde overeenkomst betwist en dat het enkele feit dat de gedaagde betwist dat er een overeenkomst is niet voldoende is om tot onbevoegdheid te doen concluderen. Dit blijkt ook uit het arrest van het HvJ EG van 3 juli 1997, ECLI:EU:C:1995:61 (Benincasa) waarin het Hof op vragen van het Oberlandesgericht München over de bepaling inzake forumkeuze heeft geantwoord dat het doel van rechtszekerheid verlangt dat de nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken. De rechtszekerheid zou gemakkelijk in gevaar kunnen komen indien een partij deze bepaling opzij zou kunnen zetten door de enkele bewering dat de overeenkomst nietig is. Deze conclusie strookt volgens het Hof met de oplossing die zij eerder in het arrest Effer/Kantner heeft gekozen en waarin het Hof voor recht verklaarde dat de eiser zich tot het gerecht van de plaats van uitvoering kan wenden, ook wanneer de totstandkoming van de overeenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt, tussen partijen in geschil is.

Recentelijk heeft het Hof in het arrest HvJEU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2016:449 over deze kwestie het volgende overwogen:

“58 Met zijn vierde vraag wenst het verwijzende gerecht in hoofdzaak te vernemen of in het kader van de toetsing van de internationale bevoegdheid overeenkomstig verordening nr. 44/2001, betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn aan een uitgebreide bewijsprocedure moeten

worden onderworpen of dat veeleer voor de beslissing over de bevoegdheidsvraag ervan moet worden uitgegaan dat de beweringen van enkel de verzoekende partij juist zijn.

59 Vast staat dat verordening nr. 44/2001 de omvang van de controleverplichtingen die op de nationale gerechten bij de verificatie van hun internationale bevoegdheid rusten, niet uitdrukkelijk bepaalt.

60 Het betreft hier weliswaar een aspect van intern procesrecht, dat voormelde verordening niet unificeert (zie in die zin arrest G, C-92/10, EU:C:2012:142, punt 44), maar de toepassing van de relevante nationale regels mag geen afbreuk doen aan het nuttig effect van verordening nr. 44/2001 (zie arrest Shevill e.a., C-68/93, EU:C:1995:61, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61 In dit verband heeft het hof geoordeeld dat het doel van rechtszekerheid verlangt dat de nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken (zie arrest Benincasa, C-269/95, EU:C:1997:337, punt 27). Aangaande de toepassing van dit vereiste in het kader van de bijzondere bevoegdheden die in het hoofdgeding aan de orde zijn, heeft het Hof om te beginnen verklaard dat de rechter die een uit een overeenkomst ontstaan geschil moet beoordelen, de voornaamste voorwaarden voor zijn bevoegdheid – ook ambtshalve – mag nagaan in het licht van de door de belanghebbende partij verstrekt overtuigende en relevante gegevens waaruit het al dan niet bestaan van de overeenkomst blijkt (arrest Effer, 38/81, EU:C:1982:79, punt 7).

62 Voorts heeft het Hof, specifiek voor artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001, gepreciseerd dat de aangezochte rechter in de fase van het onderzoek van zijn internationale bevoegdheid, niet de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering volgens de regels van nationaal recht beoordeelt, maar uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat identificeert die zijn bevoegdheid op grond van deze bepaling rechtvaardigen (arrest Folien Fischer en Fofitec, C-133/11, EU:C:2012:664, punt 50). De verwijzende rechter mag dus uitgaan van verzoekers beweringen inzake de voorwaarden voor aansprakelijkheid uit

onrechtmatige daad, zij het enkel om na te gaan of hij krachtens die bepaling bevoegd is (arrest Hi Hotel HCF, C-387/12, FU:C:2014:215, punt 20).

63 Indien reeds in dit stadium van de procedure moest worden overgegaan tot een gedetailleerde bewijsvoering met betrekking tot de zowel voor de bevoegdheid als voor de gegrondheid relevante feiten, zou daarmee vooruit worden gelopen op het onderzoek van de gegrondheid.

64 Wanneer de verweerder de beweringen van de verzoeker betwist, hoeft de nationale rechter dus weliswaar niet in het stadium van de bepaling van de bevoegdheid over te gaan tot een bewijsprocedure, maar zowel het doel van een goede rechtsbedeling – dat aan verordening nr. 44/2001 ten grondslag ligt – als de geboden eerbiediging van de autonomie van de rechter in de uitoefening van zijn functies vereisen dat het aangezochte gerecht zijn internationale bevoegdheid kan toetsen aan alle te zijner beschikking staande gegevens, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de verweerder.

65 Gelet op het voorgaande moet op de vierde vraag worden geantwoord dat in het kader van de toetsing van de bevoegdheid overeenkomstig verordening nr. 44/2001, geen uitgebreide bewijsprocedure hoeft te worden gevoerd met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn.

Het aangezochte gerecht kan zijn internationale bevoegdheid echter toetsen aan alle te zijner beschikking staande gegevens, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de verweerder.”

4.5.

Uit de hiervoor weergeven jurisprudentie leidt de rechtbank af dat bij de beoordeling van de bevoegdheid in beginsel (nog steeds) slechts ter beoordeling voorligt of aan de ingestelde vordering een verbintenis uit overeenkomst ten grondslag is gelegd en of uit de door de eisende partij verstrekte gegevens het bestaan van die overeenkomst voldoende kan blijken. De rechter mag daarbij uitgaan van de stellingen van eiser. Niet doorslaggevend is of gedaagde het bestaan van de aan de eis ten grondslag gelegde overeenkomst betwist. Weliswaar mag de rechter de betwistingen van de gedaagde partij bij de toetsing van zijn bevoegdheid meenemen, maar het is niet de bedoeling dat in deze fase van de procedure reeds wordt overgegaan tot een gedetailleerde bewijsvoering met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn en waarin wordt vooruitgelopen op het onderzoek in de hoofdzaak. De rechter moet zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kunnen uitspreken, zonder dat daarvoor onderzoek ten gronde hoeft te worden gedaan.

4.6.

De rechtbank is op grond van summierlijk onderzoek van oordeel dat JFO in dit stadium van de procedure voldoende heeft gesteld om in het kader van de toetsing van de bevoegdheid voorshands uit te gaan van een overeenkomst van geldlening tussen JFO en Catella. Of het bestaan van die gestelde overeenkomst ook in de hoofdzaak zal komen vast te staan, zal na beoordeling van de stellingen van JFO en de betwisting van Catella ten gronde moeten blijken. Dat laat echter onverlet dat aan de primaire vorderingen een verbintenis uit overeenkomst ten grondslag is gelegd. Dat betekent dat alternatieve bevoegdheid kan worden gebaseerd op artikel 7 lid 1 sub a Herschikte EEX-Vo.

4.7.

Om de plaats te bepalen waar de door JFO gestelde verbintenis uitgevoerd moet worden, dient te worden beoordeeld wat het toepasselijke recht is dat volgens het internationale privaatrecht van de aangezochte rechter op de onderhavige overeenkomst van toepassing is (HvJ EG 6 oktober 1976, NJ 1977, 169 (Tessili/Dunlop). In dit geval moet het toepasselijke recht worden vastgesteld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I).

4.8.

JFO betoogt dat partijen in de Termsheet een rechtskeuze als bedoeld in artikel 3 lid 1 Rome I voor Nederlands recht hebben gedaan. Catella heeft zich hier niet rechtstreeks over uitgelaten. In de incidentele conclusie tot onbevoegdheid stelt Catella zich echter op het standpunt dat de rechter om toe te kunnen komen aan artikel 7 lid 1 Herschikte EEX-Vo eerst moet onderzoeken of de verbintenis waarvan het bestaan wordt betwist wel of niet bestaat. Als wordt uitgegaan van de fictie alsof die overeenkomst wel tussen partijen zou zijn gesloten, moet die vraag volgens Catella naar Nederlands recht worden beantwoord, omdat de Termsheet een keuze voor Nederlands recht bevat. Hieruit leidt de rechtbank af dat tussen partijen in de Termsheet overeenstemming tot stand is gekomen over de keuze voor Nederlands recht. De plaats waar de gestelde verbintenis moet worden uitgevoerd moet derhalve worden bepaald naar Nederlands recht.

4.9.

JFO legt aan haar primaire vorderingen ten grondslag dat tussen partijen een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen op grond waarvan Catella gehouden is een financiering van € 10.000.000 aan JFO ter beschikking te stellen. De vraag die voorligt, is waar die betaling uitgevoerd moet worden. Volgens JFO is dat aan haar woonplaats. Catella betoogt echter dat in het huidige tijdsbestek betalingen niet meer plaats vinden op het kantoor van de schuldeiser, maar door overmaking op een bankrekening en dat de ontvangst dus in beginsel overal kan plaatsvinden. Uit de stellingen van Catella volgt dat tussen partijen niet is afgesproken op welke bankrekening betaling zou hebben plaatsgevonden. Nu de plaats van betaling niet tussen partijen is overeengekomen, moet die plaats worden bepaald aan de hand van de artikelen 6:115 en 6:116 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daaruit volgt dat het geldbedrag moet worden uitbetaald aan de woonplaats van JFO, zijnde Wormerland. Betaling kan weliswaar ook geschieden door overmaking, zoals Catella stelt, maar alleen door overmaking op een bankrekening in Nederland. Ingevolge artikel 6:114 BW kan de schuldenaar de verbintenis voldoen door het verschuldigde bedrag te doen bijschrijven op de bankrekening van de schuldeiser in het land waar de betaling moet geschieden. Nu de betaling moet geschieden in Wormerland, moet de overmaking geschieden op een bankrekening in Nederland. Dat betekent dat de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt hoe dan ook moet worden uitgevoerd in Nederland. Ingevolge artikel 7 lid 1 sub a Herschikte EEX-Vo is de Nederlandse rechter derhalve bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van JFO die de gestelde geldleningsovereenkomst als grondslag hebben. Daaronder valt ook de primaire vordering onder B waarin JFO vordert Catella te gebieden mogelijke leemten in de concept leningdocumentatie uit te onderhandelen. Aan die vordering legt JFO eveneens de hiervoor genoemde geldleningsovereenkomst ten grondslag. Dit wordt niet anders nu Catella deze grondslag betwist en stelt dat aan de vordering feitelijk een andere verbintenis, te weten een verbintenis tot dooronderhandelen, ten grondslag ligt. Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 7 lid 1 Herschikte EEX-Vo is immers bepalend de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt.

4.10.

Volgens Catella is de Nederlandse rechter desondanks niet bevoegd om van de primaire vorderingen kennis te nemen, omdat de overeenkomst van geldlening – als die tot stand zou zijn gekomen – een keuze voor arbitrage zou hebben bevat. JFO betwist dat.

4.11.

Uit punt 12 van de Considerans van de Herschikte EEX-Vo volgt dat indien voor de rechter van een lidstaat een beroep wordt gedaan op een overeengekomen arbitragebeding de rechter kan onderzoeken of het arbitrale beding is vervallen, niet geldig is of niet kan worden toegepast, ‘een en ander in overeenstemming met zijn nationale recht’. Op de vraag of een arbitraal beding materieel geldig is, dient de Nederlandse rechter het recht toe te passen dat door artikel 10:166 BW is aangewezen. Omdat partijen in de Termsheet een rechtskeuze hebben gedaan voor Nederlands recht dient de vraag of een geldige arbitrageovereenkomst tot stand is gekomen te worden beoordeeld naar Nederlands recht. In artikel 1020 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat arbitrage tussen partijen moet worden overeengekomen. Nu JFO een dergelijke overeenkomst betwist, dient de overeenkomst tot arbitrage ingevolge artikel 1021 Rv te worden bewezen door een geschrift. Een dergelijk geschrift is niet overgelegd. Aan de schriftelijkheidseis is dus niet voldaan en het bestaan van een overeenkomst tot arbitrage is daarmee niet bewezen. Het beroep van Catella op onbevoegdheid wegens het overeenkomen van een arbitragebeding slaagt dan ook niet.

4.12.

Aan de subsidiaire vorderingen legt JFO ten grondslag dat Catella de onderhandelingen tussen partijen onrechtmatig heeft afgebroken. Als gevolg daarvan heeft JFO schade geleden, omdat zij overbruggingsfinancieringen heeft moeten afsluiten tegen voorwaarden en condities die ongunstiger zijn dan de voorwaarden en condities waarover overeenstemming werd bereikt met Catella en omdat JFO verplichtingen is aangegaan die vanwege het niet tijdig beschikbaar komen van de financiering van Catella niet gestand gedaan konden worden. De schade heeft zich voorgedaan in Nederland, omdat JFO daar is gevestigd en haar vermogensbestanddelen zich daar bevinden. Om die reden is de Nederlandse rechter bevoegd, aldus JFO.

4.13.

Uit het arrest HvJEG 17 september 2002, NJ 2003,46 (Tacconi/HWS) volgt dat een vordering uit hoofde van precontractuele aansprakelijkheid moet worden gezien als een vordering uit onrechtmatige daad. Artikel 7 lid 2 Herschikte EEX-Vo bepaalt dat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad bevoegd is de rechter van de plaats waar het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan. Deze alternatieve bevoegdheid is gebaseerd op het bestaan van een bijzonder nauwe band tussen de vordering en de rechter van de plaats waar het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan (zie o.a. HvJ EU 16 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:305 en HvJ EU 3 april 2014, ECLI:EU:C:2014:215). Om te voorkomen dat de hoofdregel van artikel 4 Herschikte EEX-Vo al te zeer wordt uitgehold, dient een strikte interpretatie aan deze twee begrippen te worden gegeven (vgl. HvJ EU 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1318).

4.14.

Indien de plaats waar zich het feit heeft voorgedaan dat tot aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan leiden, en de plaats waar als gevolg van dat feit schade is ontstaan, niet samenvallen, moet de in artikel 7 lid 2 Herschikte EEX-Vo bedoelde ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ aldus worden verstaan dat daaronder is begrepen zowel de in een lidstaat gelegen plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (het ‘Handlungsort’) als de in een andere lidstaat gelegen plaats waar de schade is ingetreden (het ‘Erfolgsort’). Hieruit volgt dat de verweerder ter keuze van de eiser kan worden opgeroepen voor de rechter hetzij van de plaats waar de schade is ingetreden, hetzij van de plaats van de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt (zie HvJEG 30 november 1976, ECLI:EU:C:1976:166 (Bier/Mines de potasse d’Alsace)).

4.15.

In het geval van afgebroken onderhandelingen moet de schade geacht zijn te ontstaan op de plaats waar de onderhandelingen zijn afgebroken. Daarvan kan eerst sprake zijn als het besluit tot het afbreken van de onderhandelingen effect sorteert doordat het ten uitvoer wordt gelegd en de wederpartij daarvan op de hoogte raakt (HR 21 september 2001, ECLI:NL:2001:ZC3483).

4.16.

Volgens Catella zijn de gesprekken tussen partijen telefonisch beëindigd en kan – anders dan bij mededelingen die per brief of e-mail zijn gedaan – niet worden gelokaliseerd waar het beweerdelijke schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan. Nu niet kan worden vastgesteld dat het schadetoebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan, is de Nederlandse rechter niet bevoegd.

4.17.

De rechtbank verwerpt ook dit standpunt Catella. Het gaat erom dat en waar de mededeling van Catella door JFO is ontvangen en niet op welke wijze die mededeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet niet in waarom ontvangst van een mededeling per brief of e-mail anders beoordeeld zou moeten worden dan ontvangst per telefoon. Ook een e-mail kan op een willekeurige plaats worden gelezen. Het gaat erom dat Catella de bedoeling had om mededeling te doen aan het in Nederland gevestigde JFO van het stoppen van de gesprekken en dat de mededeling van Catella JFO ook daadwerkelijk bereikt heeft. Of degene die de telefoon opnam en van de mededeling kennis nam zich op dat moment wel of niet fysiek in Nederland bevond, doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake. Een andere opvatting zou in deze tijd van mobiele communicatiemiddelen leiden tot grote rechtsonzekerheid over de bevoegde rechter en bovendien het onwenselijke resultaat hebben dat een partij door iedere mededeling per telefoon of e-mail te doen, ten faveure van zichzelf altijd kunnen aanvoeren dat niet is vast te stellen waar de mededeling is ontvangen. Nederland als plaats van ontvangst van de mededeling kan in het onderhavige geval niet als willekeurig worden beschouwd, nu JFO aldaar is gevestigd en het centrum van haar belangen zich daar bevindt. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de onderhandelingen zijn afgebroken in Nederland, zodat de schade moet zijn geacht daar te zijn ontstaan. Dat betekent dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 lid 2 Herschikte EEX-Vo bevoegd is kennis te nemen van de subsidiaire vorderingen die onrechtmatige daad als grondslag hebben.

4.18.

Samenvattend acht de rechtbank zich bevoegd van alle door JFO ingestelde vorderingen kennis te nemen. Dat betekent dat de vordering van Catella tot onbevoegdverklaring zal worden afgewezen en Catella zal worden veroordeeld in de kosten van dit incident.

4.19.

Catella heeft verzocht tussentijds hoger beroep open te stellen tegen dit incidentele vonnis. De reden die Catella daarvoor aanvoert is een proceseconomische. Als geen tussentijds hoger beroep wordt opengesteld moeten partijen eerst volledig een kostbare bodemprocedure doorlopen alvorens de bevoegdheid van de Nederlandse rechter (nogmaals) te kunnen laten toetsen, aldus Catella.

4.20.

JFO verzet zich tegen dit verzoek. Zij stelt zich op het standpunt dat voor toekenning van het verzoek om tussentijds hoger beroep in te stellen geen redelijke grond bestaat en dat JFO er recht en belang bij heeft om op zo kort mogelijke termijn duidelijkheid te verkrijgen in de hoofdzaak.

4.21.

De rechtbank volgt JFO in haar standpunt. Het verzoek tot het toestaan van tussentijds hoger beroep strekt tot het maken van een uitzondering op de hoofdregel van artikel 337 Rv. De rechter dient daartoe slechts bij uitzondering over te gaan. In dit geval ziet de rechtbank geen grond voor het maken van deze uitzondering. Het eventuele belang van partijen bij het tussentijds kunnen instellen van hoger beroep weegt niet op tegen het nadeel van vertraging van de procedure die van een dergelijk tussentijds hoger beroep het gevolg zal zijn. Voor het aannemen van een bijzonder belang bij het instellen van tussentijds hoger beroep, heeft Catella met de enkele verwijzing naar de kosten die het uitprocederen van de hoofdzaak mee brengt onvoldoende gesteld. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

5 De beoordeling in de hoofdzaak

5.1.

Catella heeft verzocht haar alsnog van antwoord te laten dienen en haar daarvoor de gebruikelijke termijn van zes weken te gunnen.

5.2.

JFO maakt daar bezwaar tegen en stelt zich op het standpunt dat Catella zich in de incidentele conclusie niet heeft beperkt tot de bevoegdheid, maar een nagenoeg integraal verweer tegen de hoofdvorderingen heeft gevoerd. Daarmee heeft zij reeds een conclusie van antwoord genomen, aldus JFO.

5.3.

De rechtbank volgt dit standpunt van JFO niet. Weliswaar heeft Catella in de conclusie in het incident uitvoerig betoogd dat geen overeenkomst tot stand is gekomen, maar dat verweer is gevoerd in het kader van de betwisting van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. De vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad zijn in de conclusie in het incident door Catella (nog) niet uitvoerig betwist. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank Catella in de gelegenheid stellen alsnog een conclusie van antwoord in de hoofdzaak te nemen op de gebruikelijke termijn van zes weken.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

wijst het gevorderde af,

6.2.

veroordeelt Catella in de kosten van het incident, aan de zijde van JFO tot op heden begroot op € 452,00,

in de hoofdzaak

6.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 5 oktober 2016 voor conclusie van antwoord,

6.4.

houdt de beslissing voor het overige aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2016.1

1 Conc.: 977