Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:6877

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
18-08-2016
Zaaknummer
C/15/244654 / KG ZA 16-449
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het deurwaarderskort geding is niet bedoeld voor het verkrijgen door de deurwaarder ten behoeve van de opdrachtgever van een executoriale titel die de opdrachtgever (nog) niet heeft.

Artikel 444 Rv ziet niet uitsluitend op beslaglegging, maar ook op hetgeen uit de beslaglegging voortvloeit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/244654 / KG ZA 16-449

Vonnis in kort geding van 11 augustus 2016

in de zaak van

1. de vennootschap naar het recht van California, Verenigde Staten van Amerika

RAZ INTERNATIONAL INC.,

gevestigd te San Diego, Verenigde Staten van Amerika,

2. [executerende partij2],

wonende te [woonplaats] ,

executerende partij,

advocaat mr. E.N. Nordmann te Amsterdam,

en

[geëxecuteerde partij1] ,

wonende te [woonplaats] ,

geëxecuteerde partij,

advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam

en

[geëxecuteerde partij2] ,

wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als Raz, [executerende partij2] , [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal ex artikel 438 lid 4 Rv d.d. 16 juni 2016 ingediend door [A.] , gerechtsdeurwaarder te Amsterdam, en [B.] , toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te Rotterdam (hierna gezamenlijk aan te duiden als “de deurwaarder”)

  • -

    de mondelinge behandeling op 28 juli 2016

  • -

    de pleitnota van [executerende partij2] en Raz

  • -

    de pleitnota van [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] .

Ter terechtzitting waren aanwezig:

  • -

    [B.] ,

  • -

    mr. Nordmann namens [executerende partij2] en Raz

  • -

    [geëxecuteerde partij2] , bijgestaan door mr. Loonstein die tevens [geëxecuteerde partij1] vertegenwoordigde.

1.2.

Na sluiting van de mondelinge behandeling is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[executerende partij2] en [geëxecuteerde partij1] zijn broers. [geëxecuteerde partij1] is gehuwd met [geëxecuteerde partij2] . Raz is de onderneming van [executerende partij2] . Bij vonnis van de rechtbank in Californië van 30 december 2011 is [geëxecuteerde partij1] op vordering van [executerende partij2] en Raz veroordeeld tot betaling aan laatstgenoemden van een bedrag van $ 661.114,82.

2.2.

Op 26 februari 2013 hebben [executerende partij2] en Raz conservatoir beslag doen leggen op (onder meer) de woning van [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] aan de [adres] (hierna: de woning) ter verzekering van de onder 2.1 bedoelde vordering. Nadien heeft [geëxecuteerde partij1] zijn aandeel in de woning overgedragen aan [geëxecuteerde partij2] .

2.3.

Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van deze rechtbank van 16 september 2015 is [geëxecuteerde partij1] veroordeeld tot betaling aan [executerende partij2] en Raz van hetgeen waartoe hij bij het vonnis van de rechtbank in Californië is veroordeeld. In de procedure die heeft geleid tot dit vonnis heeft [geëxecuteerde partij1] in reconventie een geldvordering ingesteld. Bij vonnis in incident van 2 juli 2014 heeft deze rechtbank zich onbevoegd verklaard om van die vordering kennis te nemen. [geëxecuteerde partij1] werd veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie ad € 791,00.

2.4.

Op 1 februari 2016 hebben [executerende partij2] en Raz ten laste van [geëxecuteerde partij1] executoriaal beslag gelegd op een aantal roerende zaken in de woning. Het proces-verbaal van inbeslagneming is op 4 februari 2016 aan [geëxecuteerde partij1] betekend, waarbij tevens de executoriale verkoop van de roerende zaken is aangezegd tegen 11 maart 2016, plaats te hebben in de woning. De in beslag genomen zaken betreffen onder meer 298.500,- Noorse kronen in contanten.

2.5.

Op 18 februari 2016 hebben [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] door een notaris een vaststellingsovereenkomst inzake schuldbekentenis (hierna: de vaststellingsovereenkomst) laten opmaken. De vaststellingsovereenkomst houdt, kort gezegd in, dat [geëxecuteerde partij2] aan [geëxecuteerde partij1] een geldlening heeft verstrekt die, inclusief rente, per 1 maart 2016 € 627,954,14 beloopt. De notaris heeft van de vaststellingsovereenkomst een grosse verleden.

2.6.

Op 24 februari 2016 heeft [geëxecuteerde partij2] uit kracht van de onder 2.5 vermelde grosse ten laste van [geëxecuteerde partij1] onder de deurwaarder executoriaal beslag doen leggen op gelden die de deurwaarder ten behoeve van [geëxecuteerde partij1] onder zich mocht hebben, met name doch niet uitsluitend op de op 1 februari 2016 in executoriaal beslag genomen Noorse kronen.

2.7.

Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank d.d. 24 februari 2016 is het verzet van [geëxecuteerde partij2] tegen de aangekondigde executoriale verkoop van roerende zaken ongegrond verklaard en zijn haar vorderingen tot opheffing van de op 1 februari 2016 gelegde beslagen en tot teruggave van de in beslaggenomen Noorse kronen afgewezen.

In dit vonnis overwoog de voorzieningenrechter onder meer het volgende

“(…) Ter zitting hebben [executerende partij2] en Raz bij monde van hun raadsvrouw echter de bereidheid uitgesproken de door [geëxecuteerde partij1] gemaakte schilderijen buiten de executoriale verkoop te houden en hebben zij voorts aangegeven bereid te zijn de verkoop op een andere plaats dan in de woning van [geëxecuteerde partij2] te doen plaatsvinden. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [executerende partij2] en Raz deze toezeggingen gestand zullen doen. (…)”

2.8.

Bij brief van 3 maart 2016 hebben [executerende partij2] en Raz de vernietiging van de onder 2.5 genoemde vaststellingsovereenkomst ingeroepen ex artikel 3:45 lid 1 juncto 3:46 lid 1 sub 3a BW en [geëxecuteerde partij2] gesommeerd het op 24 februari 2016 gelegde beslag op te (doen) heffen.

2.9.

Bij arrest van 8 maart 2016 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis in incident van deze rechtbank van 2 juli 2014 vernietigd voor zover de rechtbank zich daarbij onbevoegd heeft verklaard van de vordering in reconventie van [geëxecuteerde partij1] kennis te nemen en de zaak naar de rechtbank terugverwezen om te worden beslist op de hoofdzaak in reconventie. [executerende partij2] werd veroordeeld in de kosten van het bevoegdheidsincident in eerste aanleg en in de kosten van het geding in hoger beroep.

2.10.

Bij exploit van 9 maart 2016 heeft [geëxecuteerde partij1] de grosse van het arrest d.d. 8 maart 2016 aan [executerende partij2] doen betekenen en executoriaal beslag onder zichzelf gelegd ter incassering van proceskosten ad, inclusief kosten, € 2.002,52.

2.11.

Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 24 maart 2016, met schriftelijke motivering d.d. 4 april 2016, is in conventie de vordering van [executerende partij2] en Raz tot opheffing van het op 24 februari 2016 door [geëxecuteerde partij2] ten laste van [geëxecuteerde partij1] onder de deurwaarder gelegde beslag afgewezen. [geëxecuteerde partij2] en [geëxecuteerde partij1] vorderden in reconventie opheffing van de op 1 februari 2016 door [executerende partij2] en Raz gelegde beslagen op roerende zaken en een verbod c.q. schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis d.d. 16 september 2015. De vorderingen in reconventie werden eveneens afgewezen.

2.12.

De executoriale verkoop van roerende zaken van [geëxecuteerde partij1] in de woning op 11 maart 2016 is niet doorgegaan. In verband met de onder 2.7 genoemde toezegging van [executerende partij2] en Raz om de verkoop niet in de woning te laten plaatsvinden heeft mr. Nordmann mr. Loonstein bij e-mail van 8 maart 2016 verzocht datum en tijdstip door te geven waarop de deurwaarder de roerende zaken bij de woning zou kunnen ophalen om die elders te (doen) verkopen. Mr. Loonstein heeft mr. Nordman daarop bericht dat 24 maart 2016 te 14.00 uur akkoord was.

2.13.

Op 24 maart 2016 heeft toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder [C.] zich in gezelschap van enkele verhuizers naar de woning begeven. Blijkens een door hem opgemaakt proces-verbaal heeft hij bij de woning aangetroffen [D.] die hem meedeelde daar aanwezig te zijn op verzoek van [geëxecuteerde partij1] , [geëxecuteerde partij2] en mr. Loonstein en die hem geen toestemming gaf om de woning te betreden.

2.14.

Naar aanleiding daarvan heeft de deurwaarder het proces-verbaal ex artikel 438 lid 4 Rv bij de rechtbank ingediend en Raz, [executerende partij2] , [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] bij exploot opgeroepen voor de terechtzitting van de voorzieningenrechter.

3 Het bezwaar

3.1.

De deurwaarder verzoekt de voorzieningenrechter

3.1.1.

primair als plaats van verkoop aan te wijzen [adres] , zijnde het woonhuis van geëxecuteerde, en [geëxecuteerde partij2] en geëxecuteerde te veroordelen om medewerking te verlenen aan de veiling en de veilende deurwaarder en gegadigden toe te laten tot voornoemde plaats van verkoop, en voorts in onderhavig geval artikel 444 Rv van toepassing te verklaren op artikel 463 Rv,

3.1.2.

subsidiair geëxecuteerde en [geëxecuteerde partij2] te veroordelen medewerking te verlenen aan het in bewaring geven door de deurwaarder van de roerende zaken aan een door de deurwaarder aan te wijzen gerechtelijk bewaarder, en de deurwaarder en de daarbij benodigde personen toegang te verlenen tot de woning aan de [adres] , dan wel enige andere plaats waar de zaken zich zouden bevinden en voorts ook artikel 444 Rv van toepassing te verklaren op deze gerechtelijke bewaargeving ex artikel 446 Rv,

3.1.3.

zowel primair als subsidiair geëxecuteerde en [geëxecuteerde partij2] te veroordelen ervoor te zorgen dat alle beslagen roerende zaken aanwezig zijn op de dag van verkoop dan wel de dag dat de zaken in bewaring worden gegeven.

3.1.4.

althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter juist zal achten.

3.2.

[geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het deurwaarderskortgeding is een aan een deurwaarder gegeven rechtsmiddel, met name voor het geval de deurwaarder twijfelt aan de door zijn opdrachtgever gewenste wijze van executie van een executoriale titel, maar zich aan zijn ministerieplicht gebonden voelt. Het deurwaarderskort geding is, hoewel het formeel een geding is tussen de opdrachtgever en de geëxecuteerde, niet bedoeld voor het verkrijgen door de deurwaarder ten behoeve van de opdrachtgever van een executoriale titel die de opdrachtgever (nog) niet heeft. Daarvoor zal de opdrachtgever eventueel zelf een kort geding tegen de geëxecuteerde moeten entameren. Om deze reden komen de verzoeken zoals die door de deurwaarder in het inleidend proces-verbaal zijn geformuleerd niet voor toewijzing in aanmerking.

4.2.

Waar het de deurwaarder, naar ter zitting duidelijk is geworden, feitelijk om gaat is de vraag of hij gerechtigd is met de door zijn opdrachtgever verkregen executoriale titel (het vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 16 september 2015), waarmee door hem eerder al executoriaal beslag ten laste van [geëxecuteerde partij1] in diens woning is gelegd, opnieuw die woning binnen te treden, ook al heeft hij daarvoor niet de toestemming van de bewoner.

4.3.

[geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] stellen zich in dit geding bij monde van hun advocaat op het standpunt dat artikel 444 Rv noch enige andere wetsbepaling de deurwaarder het recht geeft om zonder hun toestemming in hun woning binnen te treden voor een ander doel dan om beslag te leggen. Zij voeren aan dat dat ook geldt voor kandidaat-kopers bij een executoriale verkoop van inboedelgoederen.

4.4.

De voorzieningenrechter volgt [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] daarin niet. Artikel 444 Rv bepaalt dat de deurwaarder ter inbeslagneming toegang heeft tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter geeft dit artikel de deurwaarder niet enkel de bevoegdheid tot binnentreden in een woning om beslag te leggen, maar ziet het op de gehele executie. Immers, indien het binnentreden uitsluitend zou zijn toegestaan om executoriaal beslag te leggen, zou artikel 444 Rv een lege huls zijn, want dan zou aan de beslaglegging geen vervolg kunnen worden gegeven. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat artikel 444 Rv ook betrekking heeft op hetgeen uit de beslaglegging voortvloeit, of, zoals verwoord in de MvT voorstel van wet 33747: “Dit artikel regelt het binnentreden in een woning met het oog op executoriaal beslag op roerende goederen”.

4.5.

In de aanvulling op het vonnis in kort geding van 24 maart 2016 heeft de voorzieningenrechter overwogen “Ook neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat al een afspraak is gemaakt om de inboedel uit de woning weg te nemen om elders in het openbaar te verkopen. [geëxecuteerde partij2] c.s. kan daarom door de enkele medewerking aan die afspraak zelf voorkomen dat de openbare verkoop vanuit de woning plaats vindt.” Uit de door de voorzieningenrechter genoemde afspraak volgt, dat het de deurwaarder was toegestaan in de woning binnen te treden om de inboedel uit de woning weg te nemen om die op een andere locatie openbaar te verkopen. Nadien hebben [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] echter dat wegnemen belet door de deurwaarder niet in de woning toe te laten. Aannemelijk is dat de afspraak destijds van de kant van de [executerende partij2] en Raz uit coulance is gemaakt en zulks onder het impliciete beding dat de afspraak niet meer zou gelden, indien [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] geen medewerking zouden verlenen aan het weghalen door de deurwaarder van de inboedel uit de woning in verband met die openbare verkoop elders. Nu zij die medewerking hebben geweigerd kunnen [executerende partij2] en Raz niet langer geacht worden gebonden te zijn aan de toezegging om de roerende zaken elders openbaar te verkopen.

4.6.

Op grond van het bepaalde in artikel 463 lid 1 Rv bepaalt de deurwaarder de plaats waar de verkoop in het openbaar wordt gehouden. Als een openbare verkoop in een woning wordt gehouden, hebben, gezien het openbare karakter daarvan, degenen die voor die verkoop verschijnen met de executerend deurwaarder toegang tot de woning. Zonder die toegang zou een openbare verkoop in de woning immers onbestaanbaar zijn.

4.7.

Met het vorenstaande zijn de rechtsvragen die de deurwaarder met betrekking tot de onderhavige executie in dit deurwaarderskortgeding aan de orde heeft gesteld beantwoord. De voorzieningenrechter zal in het dictum van deze uitspraak dienovereenkomstig beslissen.

4.8.

Mr. Loonstein heeft namens [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] nog een aantal weren buiten vorenstaand kader gevoerd. Die kunnen in het voorgaande geen wijziging brengen.

4.9.

[geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] stellen zich op het standpunt dat de roerende zaken in de woning eigendom zijn van [geëxecuteerde partij2] . Zij voeren aan dat de deurwaarder in het proces-verbaal van 16 juni 2016 ten onrechte vermeldt dat de zaken eigendom zijn van [geëxecuteerde partij1].

4.10.

In het vonnis in kort geding van 24 februari 2016 werd overwogen “(…) [executerende partij2] en Raz mochten ervan uitgaan dat de roerende zaken ten tijde van de beslaglegging in een huwelijkse gemeenschap vielen, aangezien [geëxecuteerde partij2] en [geëxecuteerde partij1] op dat moment gehuwd waren en de zaken in beslag zijn genomen in de gezamenlijk door hen bewoonde woning. Dat brengt mee dat deze goederen als eigen goederen van [geëxecuteerde partij1] kunnen worden uitgewonnen voor een schuld van [geëxecuteerde partij1] (artikel 1:96 BW). (…)” Dit geschilpunt kan in deze procedure niet opnieuw aan de orde worden gesteld.

4.11.

Voorts voeren [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] aan dat [geëxecuteerde partij2] is aan te merken als “een ander” in de zin van artikel 435 Rv. [executerende partij2] en Raz waren op grond van dat artikel gehouden om binnen 8 dagen na beslaglegging het beslagexploot aan [geëxecuteerde partij2] te betekenen. Dat hebben zij nagelaten. [geëxecuteerde partij2] heeft de bevoegdheid zich tegen verhaal op haar zaken te verzetten. Dat heeft zij gedaan bij e-mail aan deurwaarder Spaargaren d.d. 23 maart 2016. Als gevolg daarvan is jegens [geëxecuteerde partij2] uitsluitend sprake van een conservatoir beslag en kan er van executiehandelingen geen sprake zijn.

4.12.

Ook dit betoog kan [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] niet baten, aangezien, zoals de voorzieningenrechter in de aanvulling op het vonnis van 24 maart 2016 (r.o. 4.32) al heeft overwogen, het verzaken van de betekening blijkens de wetsgeschiedenis niet leidt tot nietigheid van de executie, maar de schuldenaar recht geeft op vergoeding van schade die is ontstaan doordat hij niet tijdig maatregelen heeft kunnen nemen.

4.13.

Voorts wijzen [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] erop dat het proces-verbaal waarmee dit geding is ingeleid mede is opgesteld door toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder [B.] , die niet met de executie is belast. Laatstgenoemde moet op die grond, aldus mr. Loonstein, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Deurwaarder [E.] is wel met de executie belast, maar heeft zich niet tot de voorzieningenrechter gewend. De voorzieningenrechter gaat hieraan voorbij, nu toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder [B.] ter zitting heeft toegelicht dat de diverse in de exploten genoemde (toegevoegd kandidaat-) deurwaarders gezamenlijk met de executie zijn belast.

4.14.

Ook stellen [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] zich op het standpunt dat in het onderhavige geval geen onverwijlde voorziening als bedoeld in artikel 438 lid 4 Rv nodig is. De voorzieningenrechter volgt hen hierin niet. Immers, [executerende partij2] en Raz dringen aan op tenuitvoerlegging van het vonnis, maar de deurwaarder twijfelt eraan of de door hen voorgestane wijze van executie geoorloofd is.

4.15.

[geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] hebben nog aangevoerd dat gerechtelijke bewaring als subsidiair door de deurwaarder verzocht, slechts kan worden bevolen in een door de executanten te starten procedure. Ook is er volgens [geëxecuteerde partij1] geen grond voor bewaring. Aan dit verweer gaat de voorzieningenrechter voorbij nu het de deurwaarder zal worden toegestaan de roerende zaken in de woning van [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] te verkopen, zodat gerechtelijke bewaring niet meer aan de orde komt.

4.16.

Voorts voeren [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] aan dat de netto opbrengst van de roerende zaken nihil zal zijn, omdat de zaken weinig waarde hebben en de executieverkoop aanzienlijke kosten met zich brengt. Ter onderbouwing van dit verweer hebben zij een taxatierapport in het geding gebracht van Value & Views te Enschede d.d. 26 juli 2016. De executiewaarde van de beslagen zaken is daarin bepaald op € 2.589,00. [executerende partij2] en Raz voeren aan dat die taxatie onjuist is. Volgens hen is de waarde van de beslagen zaken veel hoger. Zij hebben ter onderbouwing prints overgelegd van websites waar piano’s en vleugels als die van [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] tweede hands te koop worden aangeboden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de stelling van [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] met betrekking tot de waarde van de beslagen zaken tegenover de gemotiveerde betwisting door [executerende partij2] en Raz onvoldoende aannemelijk is geworden.

4.17.

Verder voeren [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] aan dat zolang het op 24 februari 2016 door [geëxecuteerde partij2] onder de deurwaarder ten laste van [geëxecuteerde partij1] gelegde executoriaal derdenbeslag er ligt, [geëxecuteerde partij1] niet bevrijdend kan betalen aan [executerende partij2] en Raz. De vordering van [executerende partij2] en Raz tot opheffing van dat beslag is bij het vonnis van 24 maart 2016 afgewezen. Volgens [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] mogen daarom geen verdere executiemaatregelen worden getroffen.

4.18.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet valt in te zien waarom dit beslag aan executoriale verkoop van de roerende zaken in de weg zou staan, nu, zoals in de aanvulling op het vonnis van 24 maart 2016 al werd overwogen (r.o. 4.18), tussen partijen niet in geschil is dat het door [geëxecuteerde partij2] gelegde derdenbeslag enkel ziet op de Noorse kronen.

4.19.

[geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] voeren aan dat het eigenbeslag dat [geëxecuteerde partij1] op 9 maart 2016 ten laste van [executerende partij2] en Raz heeft gelegd uit hoofde van het arrest van het hof van 8 maart 2016 aan verdere executie in de weg staat. [executerende partij2] en Raz, alsmede de deurwaarder betwisten dat. Zij stellen zich op het standpunt dat het eigenbeslag niet rechtsgeldig is gelegd.

4.20.

De voorzieningenrechter stelt vast dat niet is gebleken dat het eigenbeslag is opgeheven. Zolang het eigenbeslag er ligt kan er niet verder geëxecuteerd worden. De deurwaarder zal daarmee rekening moeten houden. Of het beslag nietig is kan in dit deurwaarderskortgeding niet worden vastgesteld. [executerende partij2] en Raz konden er in ieder geval sedert 4 juli 2016 mee bekend zijn en hebben geen opheffing gevorderd.

4.21.

Al het voorgaande voert tot de navolgende beslissing. [executerende partij2] en Raz zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding, nu die kosten voortvloeien uit de door hen aan de deurwaarder gegeven opdracht. De kosten aan de zijde van [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] worden begroot op € 816,00 aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

bepaalt dat de deurwaarder, met inachtneming van hetgeen onder 4.20 werd overwogen, voor de tenuitvoerlegging van het vonnis van deze rechtbank van 16 september 2015 de woning aan de [adres] mag binnentreden om aldaar de roerende zaken waarop executoriaal beslag is gelegd openbaar te verkopen,

5.2.

veroordeelt [executerende partij2] en Raz in de kosten van het geding aan de zijde van [geëxecuteerde partij1] en [geëxecuteerde partij2] begroot op € 816,00,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 11 augustus 2016.1

Bij afwezigheid van mr. A.J. van der Meer, is dit vonnis ondertekend door

mr. Th.S. Röell, voorzieningenrechter.

1 type: 134 coll: