Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:6810

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
15/800194-16 en 15/154783-14 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

diefstal in een woning en diefstal van een auto, toepassing jeugdstrafrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/800194-16 en 15/154783-14 (TUL) (P)

Uitspraakdatum: 11 augustus 2016

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 juli 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.M. van den Berg en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.G.C. Bocxe, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 8 mei 2016 te Warmenhuizen, gemeente Schagen, omstreeks 04.30 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S5) en/of (auto)sleutel(s) en/of een of meer andere goed(eren) van zijn gading, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Feit 2

Primair

hij op of omstreeks 8 mei 2016 te Warmenhuizen, gemeente Schagen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (nabij een woning gelegen aan [adres] ) heeft weggenomen een Peugeot personenauto voorzien van [kenteken] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte die weg te nemen Peugeot personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, hebbende hij, verdachte, middels een wedderechtelijk weggenomen autosleutel voornoemd voertuig ontsloten en/of (vervolgens) voornoemd voertuig gestart en daarmee weggereden;

Subsidiair

hij op of omstreeks 08 mei 2016 te Warmenhuizen, gemeente Schagen, een goed te weten een personenauto en/of een mobiele telefoon en/of een autosleutel heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

[aangever] lag op 8 mei 2016 omstreeks 04:15 uur te slapen in haar woning aan [adres] te Warmenhuizen, gemeente Schagen, toen zij wakker schrok en een lichtbundel heen en weer zag bewegen in de trappenhal. Toen zij naar beneden liep, zag zij dat de schuifpui aan de achterzijde van haar woning open stond. Deze was dicht, maar niet op slot, toen zij naar bed ging. Aangeefster zag dat haar sleutels niet meer op het aanrecht lagen. Onmiddellijk daarna hoorde zij een auto starten. Zij liep via de voordeur naar de straat en zag haar Peugeot voorzien van [kenteken] nog net wegrijden.2

[verbalisanten] kregen op 8 mei 2016 omstreeks 04:33 uur de melding dat er een woningbraak had plaatsgevonden, waarbij een Peugeot 107 voorzien van voornoemd kenteken was weggenomen. Verbalisanten zagen vervolgens op de N9 een voertuig rijden, gelijkend op het weggenomen voertuig. Verbalisanten reden achter het voertuig aan en collega’s gaven het voertuig een stopteken. De bestuurder van het voertuig verhoogde zijn snelheid en haalde de dienstauto in. Na enige tijd reed de bestuurder met 160 kilometer per uur op een in het midden van de weg geplaatst verkeersbord af. Verbalisanten zagen het voertuig crashen tegen een lantaarnpaal en het verkeersbord. De bestuurder van de auto stapte uit en rende weg in de richting van een weiland. Toen werd geroepen dat er een politiehond werd ingezet gooide de bestuurder zijn handen omhoog en stopte hij met rennen. De bestuurder werd aangehouden en bleek te zijn: verdachte.3

In de voornoemde auto werd een Samsung Galaxy S5 telefoon aangetroffen, die door aangeefster werd herkend als haar telefoon. Aangeefster verklaarde dat zij dacht dat haar telefoon op het aanrecht in de keuken lag.4 Tevens werden in de auto een bos sleutels en een sleutel met een sleutelhanger aangetroffen welke aangeefster herkende als haar eigendom.5

In de woning gelegen aan [adres] werd een forensisch onderzoek naar sporen verricht. Op de vloer van de woonkamer en op de trap naar de eerste verdieping werden schoensporen veiliggesteld.6 Een paar schoenen van het merk Nike, aangetroffen bij verdachte, werden vergeleken met de aangetroffen schoensporen. Daarbij is gebleken dat de sporen zijn veroorzaakt door de schoenen van verdachte.7

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1

hij op 8 mei 2016 te Warmenhuizen, gemeente Schagen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten en tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S5) en (auto)sleutel(s) en andere goederen van zijn gading, toebehorende aan [aangever] ;

Feit 2

Primair

hij op 8 mei 2016 te Warmenhuizen, gemeente Schagen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (nabij een woning gelegen aan [adres] ) heeft weggenomen een Peugeot personenauto voorzien van [kenteken] , toebehorende aan [aangever] , waarbij verdachte die weg te nemen Peugeot personenauto onder zijn bereik

heeft gebracht door middel van een valse sleutel, hebbende hij, verdachte, middels een wedderechtelijk weggenomen autosleutel voornoemd voertuig ontsloten en vervolgens voornoemd voertuig gestart en daarmee weggereden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten en tegen de wil van de rechthebbende bevindt

Feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van een valse sleutel

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte – met toepassing van het jeugdstrafrecht – zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij vordert zij dat de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport, met uitzondering van de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de eis van de officier van justitie te matigen in die zin dat het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie gelijk zal zijn aan de duur van het voorarrest, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals gevorderd. Daarbij heeft de raadsvrouw opgemerkt dat ook De Waag het middelengebruik van verdachte in de gaten kan houden. De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte zeer beïnvloedbaar en kwetsbaar is, en zijn detentie tot nu toe reeds als een grote straf heeft ervaren.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 8 mei 2016 schuldig gemaakt aan diefstal in een woning in de nachtelijke uren. Terwijl de bewoonster thuis was heeft verdachte zich via de onafgesloten schuifpui de toegang verschaft tot de woning en in de woning diverse goederen weggenomen. Een dergelijk misdrijf maakt niet alleen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de bewoner, het draagt ook bij aan de in de samenleving levende gevoelens van onrust en onveiligheid. Daarnaast leert de ervaring dat de gedupeerden zich na een insluiping onveilig voelen in hun eigen huis, terwijl dit bij uitstek de aangewezen plek is waar iemand zich volledig veilig moet kunnen voelen. Dit blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de benadeelde partij, waarin zij aangeeft dat zij door het gebeuren wantrouwend is geworden, angstig is en zich slecht kan concentreren op haar werk. Daarnaast heeft verdachte bij de diefstal een autosleutel weggenomen en zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een personenauto. Verdachte heeft geen rijbewijs en is vervolgens met de auto gecrasht. Diefstal is een ergerlijk feit dat veel overlast veroorzaakt bij de betrokkenen. De verdachte heeft met zijn handelen blijk gegeven van een gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van anderen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 28 juni 2016, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld;

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 21 juli 2016 van V. Römers, werkzaam bij GGZ reclassering Palier. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

Het UJD van betrokkene kenmerkt zich door een delictpatroon inzake vermogensdelicten, waarbij er een toename wordt waargenomen in de frequentie van delictgedrag. (…) GGZ Reclassering Palier vindt het zorgelijk dat er gezien de jonge leeftijd van betrokkene reeds sprake is van een delictpatroon.

GGZ reclassering Palier vindt dat er sprake is van problematisch middelengebruik. Betrokkene kan onvoldoende maat houden ten aanzien van zijn alcoholgebruik en zijn middelengebruik hangt samen met delictgedrag. Tevens heeft GGZ het vermoeden dat betrokkene gezien de geheugenproblematiek die betrokkene rapporteert en gezien het feit dat hij momenteel verdacht wordt van handel in ecstasy, zijn middelengebruik bagatelliseert. Betrokkene toont een ambivalente houding ten aanzien van het minderen/stoppen met middelen. (…)

Het ontbeert betrokkene reeds langdurig aan de benodigde begeleiding en ondersteuning vanuit zijn gezinssysteem, waardoor betrokkene reeds lange tijd op zichzelf is aangewezen. (…) betrokkene lijkt (…) ondersteuning te zoeken in een negatief sociaal netwerk. De hoge mate van beïnvloedbaarheid, het niet kunnen overzien van gevolgen alsmede het niet kunnen organiseren van zijn gedrag lijken daarbij het risico op recidive te verhogen. Hoewel er in deze zin sprake lijkt van een hoog niveau van onmacht, lijkt er tevens ook sprake van een toenemende pro-criminele houding. (…) GGZ reclassering Palier acht het risico op recidive hoog.

Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen. Hierbij worden de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd:

  • -

    Meldplicht

  • -

    Behandelverplichting;

- het psychologisch rapport van R.J.L. Keulers, GZ-psycholoog, gedateerd 18 juli 2016 houdt onder meer het volgende in:

Er zijn in het psychologisch onderzoek aanwijzingen gevonden voor ADHD, echter, door het ontbreken van een heteroanamnese kan deze diagnose niet officieel worden vastgesteld. De intelligentie van betrokkene wordt vastgesteld op gemiddeld niveau. Hoewel er zorgen bestaan over zijn persoonlijkheidsontwikkeling, zijn gedragsproblemen niet in die mate aanwezig dat van een stoornis kan worden gesproken. Er zijn aanwijzingen voor misbruik van cannabis, maar de diagnose kan niet met zekerheid worden vastgesteld.

Indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, wordt geadviseerd betrokkene als volledig toerekeningsvatbaar te achten.

Continuering van begeleiding door Reclassering Palier wordt geadviseerd.

Toepassing adolescentenstrafrecht

Ten aanzien van het toepasselijke recht stelt de rechtbank voorop dat verdachte ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten de leeftijd van negentien jaren had bereikt. Uit het psychologisch rapport volgt dat de psycholoog van mening is dat verdachte jonger overkomt dan zijn kalenderleeftijd. Verdachte kan zijn gedrag moeilijk organiseren en heeft weinig zicht op de consequenties en risico’s van zijn handelen. Uit het reclasseringsrapport volgt dat de reclassering van mening is dat verdachte onvoldoende in staat is de gevolgen van zijn gedrag in te schatten, zijn gedrag nauwelijks lijkt te kunnen organiseren en beïnvloedbaar is. Tevens is verdachte door zijn kwetsbaarheid gebaat geweest bij de ondersteunende begeleiding van een Justitiële Jeugdinrichting. De rechtbank vindt op grond van het voorgaande alsmede gelet op de persoonlijkheid van verdachte – evenals de officier van justitie heeft gevorderd – aanleiding om artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht toe te passen, inhoudende dat ten aanzien van verdachte het jeugdstrafrecht moet worden toegepast.

De rechtbank ziet in de ernst en aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, grond om af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie gevorderd, in die zin dat de rechtbank oplegging van een langere voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf passend en geboden acht, om verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank acht een verplicht contact van verdachte met de (volwassenen)reclassering noodzakelijk en zal dit als voorwaarde verbinden aan de op te leggen voorwaardelijke straf. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om aan verdachte de door de reclassering tevens geadviseerde bijzondere voorwaarde van behandeling bij forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling op te leggen. Daarbij zal de rechtbank tevens de mogelijkheid van een kortdurende klinische opname opnemen, zoals door de reclassering wordt geadviseerd, nu niet voldoende duidelijk is geworden in hoeverre sprake is van misbruik van middelen door verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat daarnaast een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 506,04 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit een bedrag van € 156,04 voor het eigen risico van de autoverzekering en reiskosten. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde feiten. Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 4 december 2014 in de zaak met parketnummer 15/154783-14 heeft de kinderrechter te Haarlem verdachte ter zake van poging tot diefstal veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Tevens zijn bijzondere voorwaarden bepaald. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 2 januari 2015 aan verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 19 december 2014 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 100 (honderd) dagen.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 60 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich zal houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde, ook als dit inhoudt meewerken aan urinecontroles en het opgeven van referenten. Daartoe met veroordeelde zich binnen 5 dagen na onherroepelijk worden van dit vonnis melden bij GGZ reclassering Palier op de Zijlweg 148c te Haarlem. Hierna moet hij zich gedurende de proeftijd blijven melden zo frequent als GGZ reclassering Palier nodig acht;

  • -

    zich voor zijn verslavingsproblematiek (ambulant) zal laten behandelen bij de forensische polikliniek De Waag te Amsterdam of een soortgelijke instelling, ook als dat inhoudt een kortdurende klinische opname voor maximaal zeven weken ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek.

Geeft opdracht aan GGZ reclassering Palier tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 60 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 dagen jeugddetentie.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangever] geleden schade tot een bedrag van € 506,04, bestaande uit € 156,04 voor de materiële en
€ 350,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangever] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangever] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 506,04, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 10 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/154783-14 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 40 uren, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter d.d. 4 december 2014.

De taakstraf wordt vervangen door 20 dagen jeugddetentie als deze niet goed wordt uitgevoerd.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.S. van Leeuwen, voorzitter,

mr. M.S. Lamboo en mr. M. Malsch, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. de Roo,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2016.

Mr. M. Malsch is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] d.d. 8 mei 2016, p. 58 en 59.

3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 mei 2016, p. 13 en 14.

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 mei 2016, p. 62.

5 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 mei 2016, p. 20.

6 Het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 8 mei 2016, p. 22 en 23.

7 Het proces-verbaal uitslag sporenonderzoek d.d. 10 mei 2016, p. 24 en 25.