Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:6710

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
C/15/222812 / HA ZA 15-127
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Afwikkeling samenlevingsovereenkomst. Vergoedingsrechten. Tussenvonnis waarbij de man inzage moet gaan geven in besteding van lening van (schoon)moeder. Gevolgen van niet-nakomen opdracht in tussenvonnis. Relatie tussen art 843a Rv en art. 22 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/222812 / HA ZA 15-127

Vonnis van 3 augustus 2016

in de zaak van

[Voornamen eiseres] [Achternaam Eiseres],

wonende te [Woonplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.A. van Hapert te Amsterdam,

tegen

[Voornaam gedaagde] [Achternaam gedaagde],

wonende te [Woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M.L. Molenaar te Noord-Scharwoude.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 19 februari 2015 met 14 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met 8 producties;

  • -

    het tussenvonnis van 29 april 2015;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met 6 producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 7 september 2015 met de daarin genoemde stukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 juni 2016 met de daarin genoemde stukken, waaronder een akte vermeerdering van eis van de vrouw en de akte eisvermeerdering van de man.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn ex-partners. Zij hebben samengewoond en zij hebben de afspraken over hun samenwoning vastgelegd in een notarieel vastgelegde samenlevingsovereenkomst d.d. 24 november 1995 (hierna: de samenlevingsovereenkomst).

2.2.

De samenlevingsovereenkomst bevat, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen:

GEMEENSCHAP EN VERGOEDINSRECHTEN

Artikel 1.

1. Hoewel tussen hen geen wettelijke gemeenschap van goederen bestaat, kunnen goederen krachtens erfstelling, legaat, schenking of een rechtshandeling gezamenlijk worden verkregen en tot een tussen hen bestaande gemeenschap gaan behoren.

2. Verkrijgt één van hen een goed tegen een contraprestatie, welke geheel of gedeeltelijk door de ander is betaald, dan heeft die ander een recht op vergoeding voor het nominale bedrag, dat ten laste van zijn vermogen is gekomen. Het bedrag van de vergoeding is eerst opeisbaar indien en zodra deze overeenkomst eindigt en is niet rente dragend.

VASTSTELLINGSOVEREENKOMST

Artikel 2.

1. Tenzij uitdrukkelijk anders schriftelijk is overeengekomen, zijn gemeenschappelijk eigendom van partijen:

A. de tot de inboedel behorende zaken als bedoeld in artikel 3:5 van het Burgerlijk Wetboek met uitzondering

van:

a. voorwerpen van persoonlijke aard;

b. voorwerpen, welke op grond van verknochtheid of anderszins in redelijkheid niet bedoeld kunnen zijn aan hen samen te zullen gaan toebehoren;

c. voorwerpen welke staan vermeld op een door hen bijgehouden lijst waarop voor elk door beiden voor akkoord dient te worden getekend;

d. de kleding de sieraden en de accessoires welke bij één van hen in gebruik zijn of tot uitsluitend gebruik door één van hen bestemd zijn.

B. al hetgeen gezamenlijk in eigendom is verkregen of zal worden verkregen waaronder met name ook gezamenlijk in eigendom verkregen registergoederen;

C. de gelden, bestemd voor de gemeenschappelijke huishouding als hierna bedoeld;

D. de saldi van giro- of bankrekeningen, voorzover deze op naam beiden zijn gesteld;

E. ongeacht hun formele tenaamstelling de auto( s), motorfiets(en), (brom)fiets(en), caravan(s) boot of boten en dergelijke vervoermiddelen en/of vaartuigen.

2. Tot de gemeenschap behoren niet die goederen, welke geen registergoederen zijn en behoren tot het bedrijfs- of beroepsvermogen van één van hen.

3. Partijen stellen zich bij deze uitdrukkelijk op het standpunt dat uit hun rechtsverhouding tot elkaar voortvloeit dat ieder van hen slechts met toestemming van de ander bevoegd is Over zijn/haar aandeel in de gemeenschap of haar onderdelen te beschikken, tenzij uit deze akte anders blijkt

GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING

Artikel 4

1. Over en weer wordt volmacht verleend tot het verrichten van rechtshandelingen ten behoeve van de gewone gang van de gemeenschappelijke huishouding

2. De kosten van de huishouding in een kalenderjaar komen naar evenredigheid ten laste van de inkomens van partijen in dat jaar.

Onder inkomens worden hier verstaan het ‘onzuiver inkomen’ in de zin van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964.

3. Zodra een jaar is verlopen sedert het kalenderjaar waarover één van de partijen deze bijdrage in de kosten van de huishouding was verschuldigd doch niet of niet geheel heeft voldaan, vervalt het recht van de ander om de bijdrage alsnog te vorderen

4. Hetgeen op grond van het vorenstaande moet worden bijgedragen wordt gestort op een gemeenschappelijke bank- of girorekening of gestort in een gemeenschappelijke kas. Deze rekening wordt op naam van beiden gezet en ieder is daarin voor de helft gerechtigd. Ieder van hen is zelfstandig bevoegd te beschikken over het tegoed op de gemeenschappelijke rekening en de gelden in de gemeenschappelijke kas.

5. Tot de kosten van de gewone gang van de huishouding worden voor zover hierna niet anders is bepaald ondermeer gerekend: de eventuele huurpenningen de uit het gebruik van de gemeenschappelijke woning voortvloeiende lasten en kosten, de premies voor schade- en/of ziektekostenverzekeringen, de kosten van geneeskundige behandeling en verpleging, de kosten van gezamenlijke vakanties, de auto- en andere kosten van vervoer, de kosten ter voorziening in het dagelijks levensonderhoud alsmede de kosten van klein onderhoud van de gezamenlijk bewoonde woning en de meubilering en stoffering daarvan.

6. Is er een geldlening aangegaan ter financiering van zaken aangeschaft voor de gewone gang van de gemeenschappelijke huishouding, dan behoort ook de rente van deze lening tot de kosten van de gewone gang van de gemeenschappelijke huishouding.

AANSCHAF MEUBILERING, AUTO EN DERGELIJK

Artikel 5.

1. De kosten van aanschaf van meubilering, stoffering, huishoudelijke apparaten, geluids- en beeldapparatuur of een auto en dergelijke roerende zaken behoren niet tot de kosten van de gewone gang van de gemeenschappelijke huishouding en worden tezamen ieder voor de helft gedragen en betaald.

Mocht betaling via de hiervoor vermelde huishoudrekening worden voldaan dan zal eventueel verrekening tussen partijen dienen plaats te vinden.

2. Partijen zien er op toe, dat de nota van dergelijke aankopen op naam van hen beiden wordt gesteld.

3. De in dit artikel bedoelde zaken zullen partijen ieder voor de onverdeelde helft toebehoren. Voor zover nodig leveren partijen over en weer aan elkaar de onverdeelde helft in bovenbedoelde toekomstige zaken en aanvaarden zij die levering reeds nu voor alsdan.

4. Het vorens taande is niet van toepassing voor zover de desbetreffende zaken worden vermeld op een lijst als in artikel 2 bedoeld.

AANBRENGSTEN EN GEMEENSCHAP

Artikel 16.

Partijen hebben met elkaar geruild en aan elkaar overgedragen de onverdeelde helft in ieders tot de inboedel behorende zaken en vervoermiddelen voor zover hiervoor niet uitgezonderd en privé eigendom gebleven.

De geruilde zaken zijn niet evenveel waard doch partijen stellen geen prijs op enige specificatie daarvan.

Als gevolg van deze ongelijke inbreng, mede in verband met het feit dat de comparante sub 2 meer uit eigen middelen heeft voldaan bij de aankoop van het pand aan de [Adres 1] , verklaarde de comparante sub 2 een bedrag groot vierenvijftigduizend gulden (f. 54.000) te vorderen te hebben van de wederpartij die dit bedrag derhalve aan de ander schuldig erkent. Op deze vordering is het gestelde in artikel 1 lid 2 van deze akte van toepassing.

…”

2.3.

Op 9 oktober 2014 heeft de man de gezamenlijke woning verlaten. Op 17 oktober 2014 heeft de vrouw de samenlevingsovereenkomst opgezegd.

3 Het geschil

in conventie en in reconventie

3.1.

Na haar eis gewijzigd te hebben, vordert de vrouw in conventie, bij vonnis, één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. partijen te bevelen tot afwikkeling van de samenlevingsovereenkomst over te gaan;

II. de man te verplichten uitvoering te geven aan het beding ex artikel 1 lid 2 (vergoedingsrecht) van de samenlevingsovereenkomst, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat de man niet aan dit bevel voldoet met een maximum van € 25.000,-;

III. de man te gebieden om binnen vijf dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis een afschrift te verstrekken aan de vrouw van de navolgende bescheiden dan wel afschriften van door de rechtbank te bepalen bescheiden, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat de man niet aan dit bevel voldoet met een maximum van € 25.000,-:

• de stukken (onder meer koopovereenkomsten , leveringsakten, eventuele hypotheekakten, bankafschriften en nota’s van afrekening van de aangekochte woningen) ter zake van de financiering van de navolgende onroerende zaken:

- een woonhuis gelegen te [postcode, woonplaats, adres en kadastergegevens 2] ;

- een woonhuis met bedrijfspand gelegen te [postcode, woonplaats, adres en kadastergegevens 3] ;

- een bedrijfspand gelegen te [postcode, woonplaats, adres en kadastergegevens 4] ;

- een bedrijfspand gelegen te [postcode, woonplaats, adres en kadastergegevens 5] ;

- een bedrijfspand gelegen te [postcode, woonplaats, adres en kadastergegevens 6] ;

- een bedrijfspand gelegen te [postcode, woonplaats, adres en kadastergegevens 7] ;

- een ligplaats voor een boot gelegen te [Woonplaats, adres en kadastergegevens 8] ;

- een bedrijfspand gelegen te [Woonplaats, adres en kadastergegevens 9] .

- een vakantiewoning gelegen aan [adres, woonplaats en kadastergegevens 10] ;

• de koopovereenkomsten en betalingsbewijzen ter zake de verkoop van de gemeenschappelijke auto’s van partijen, de [Auto 1] ( [kenteken 1] ) en de [Auto 2] ( [Kenteken 2] );

IV. een deskundigenbericht te bevelen om de hoogte en omvang van het vergoedingsrecht ex artikel 1 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst te bepalen per 9 oktober 2014, althans per een door de rechtbank in goede justitie te bepalen peildatum;

V. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van het vergoedingsrecht dat de te benoemen deskundige heeft vastgesteld;

VI. de man te veroordelen tot (terug)betaling van € 79.411,54 (ƒ 175.000,-) aan de vrouw ter zake van de verstrekte geldlening, te vermeerderen met de wettelijke rente;

VII. de man te veroordelen tot (terug)betaling van € 24.504,13 (ƒ 54.000,-) aan de vrouw ter zake van de verstrekte geldlening, te vermeerderen met de wettelijke rente;

VIII. de man te veroordelen tot betaling € 1.043,48 aan de vrouw ter zake van de resterende de man, te vermeerderen met de wettelijke rente;

IX. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van de helft van de verkoopwaarde van de auto van het merk [Auto 1] , met het [kenteken 1] en de helft van de verkoopwaarde van de auto van het merk [Auto 2] , met het [Kenteken 2] ;

X. de man te verplichten de opgenomen bedragen van de spaarrekeningen van de kinderen van partijen aan te zuiveren;

XI. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief de kosten van het deskundigenbericht, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis tot de dag van volledige betaling;

XII. de man te veroordelen in de nakosten.

3.2.

De man heeft de vorderingen betwist. Zijnerzijds vordert hij in reconventie, zakelijk weergegeven, veroordeling van de vrouw tot betaling van een bedrag van

Є 713.602,88.

3.3.

Harerzijds heeft de vrouw de vordering van de man betwist. Op de stellingen van partijen wordt voor zover van belang hierna teruggekomen.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Het gaat in deze zaak om de afwikkeling van de samenwoning van partijen. De vorderingen van partijen gaan, verkort en zakelijk weergegeven over het volgende:

  1. de wijze waarop de 1 miljoen euro die de moeder van partijen aan hen heeft uitgeleend, door de man is besteed en de hoogte van hetgeen de man in verband hiermee aan de vrouw moet voldoen;

  2. de gemeenschappelijke auto’s van partijen, de [Auto 1] ( [kenteken 1] ) en de [Auto 2] ( [Kenteken 2] );

  3. de door de vrouw aan de man verstrekte geldlening van € 24.504,13 (ƒ 54.000,-);

  4. e door de vrouw aan de man verstrekte lening van € 79.411,54 (ƒ 175.000,-);

  5. door de vrouw betaalde hypotheekrente ad € EUR 1.043,48 aan eiseres ter zake van de resterende hypotheekrente, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  6. de door de man opgenomen bedragen van de spaarrekeningen van de kinderen van partijen;

  7. de afrekening inboedel wegens onderbedeling van de man;

  8. de gezamenlijke woning van partijen aan de [Adres 2] ;

  9. de eigenaarslasten van de woning aan de [Adres 2] ;

  10. de vordering van de man op de vrouw van, minimaal, € 183.147,50 wegens diverse zaken die volgens de samenlevingsovereenkomst bij helfte voldaan hadden moeten worden door de vrouw;

  11. de vordering van de man op de vrouw van € 500.000,- uit hoofde van het regresrecht dat de man heeft op de inzake de lening van € 1.000.000,- die partijen hebben gesloten bij de moeder van de vrouw;

  12. de vordering van de man in verband met betaalde rente.

4.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben de vermogensrechtelijke aspecten van hun samenwoning vormgegeven in de samenlevingsovereenkomst. Die bevat een aantal regelingen. Artikel 1 van de samenlevingsovereenkomst voorziet in het geval een partij een zaak verwerft en de andere partij daaraan heeft bijgedragen. Bovendien geeft de samenlevingsovereenkomst een regeling voor goederen die gemeenschappelijk zijn, waarbij tevens een regeling is opgenomen betreffende de bijdrageplicht van partijen. Gedurende hun samenleving, bijna 20 jaar, heeft de man, kennelijk met instemming van beide partijen, de administratie van partijen gevoerd. Hoewel de bepalingen van de samenlevingsovereenkomst naar hun aard meebrengen dat partijen hun financiële verplichtingen jegens elkaar bijhouden, hebben zij dat feitelijk nooit gedaan. Het is daarom ondoenlijk om achteraf te reconstrueren wie over de periode van 20 jaar precies wat van de ander te vorderen heeft. Dat neemt niet weg dat er wel een aantal grote posten is waarover moet worden afgerekend. De rechtbank zal de diverse posten hierna langslopen.

4.3.

Ad a. de besteding van de 1 miljoen euro

4.3.1.

Niet in geschil is dat partijen gezamenlijk een bedrag van 1 miljoen euro hebben geleend van de moeder van de vrouw. Evenmin is in geschil dat zij ieder voor de helft tot dat bedrag gerechtigd waren. Volgens de vrouw is het hele bedrag van 1 miljoen euro door de man besteed aan zaken die hem in eigendom toebehoren. De man erkent dat van die 1 miljoen euro € 500.000,- door hem is aangewend voor de aankoop van onroerende zaken die hem toebehoren. De andere € 500.000,- is door partijen gezamenlijk uitgegeven, onder meer aan een boot, zo stelt hij.

4.3.2.

Voor zover het betreft de wijze waarop de 1 miljoen euro is besteed, beoogt de vrouw met haar vorderingen van de vrouw onder I-V kennelijk (i) dat de man meewerkt aan het vaststellen van de vordering van de vrouw uit hoofde van de samenlevingsovereenkomst, (ii) dat de rechtbank vaststelt welk bedrag de vrouw in verband hiermee van de man te vorderen heeft en (iii) dat de man wordt veroordeeld tot betaling van dat bedrag. Hoewel de vrouw dit niet expliciet vordert, komt die laatste vordering er op neer dat zij aanspraak maakt op € 500.000,-.

4.3.3.

De rechtbank stelt voorop dat de wet geen grondslag biedt partijen te bevelen tot afwikkeling van de samenlevingsovereenkomst over te gaan. Die vordering is overigens ook te onbepaald om te kunnen worden toegewezen. Dat neemt niet weg dat de man de verplichting heeft om, mede door het overleggen van schriftelijke bescheiden, inzichtelijk te maken op welke wijze de 1 miljoen euro is besteed. Dit om voor de vrouw inzichtelijk te maken of zij ter zake daarvan een vordering op de man heeft. Maar ook om de rechtbank in staat te stellen een beslissing te nemen op de vorderingen van de vrouw. Hoewel de man krachtens artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verplicht is de onder III. gevorderde stukken aan de vrouw te overleggen, leidt toewijzing van die vordering er niet toe dat de rechtbank de beschikking over die stukken krijgt. Uit proceseconomisch oogpunt zal de rechtbank daarom gebruik maken van de haar in artikel 22 Rv gegeven bevoegdheid om de man te bevelen bepaalde stukken in het geding te brengen.

4.3.4.

Indien de man zonder gerechtvaardigde reden weigert die stukken over te leggen, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Reeds nu kondigt de rechtbank de man aan dat die gevolgtrekking mogelijk zal zijn dat de vordering van de vrouw op de man in verband met de besteding van de lening van 1 miljoen euro € 500.000,- zal bedragen.

4.3.5.

Ervan uitgaande dat de man wel de benodigde stukken in het geding brengt, zal de rechtbank daarna hoogstwaarschijnlijk een deskundigenbericht gelasten. Reeds nu mogen partijen zich uitlaten over het aantal te benoemen deskundigen en mogen zij een voorstel doen over de persoon van de deskundige(n) en het specialisme van de deskundige(n). Voorts kunnen partijen zich uitlaten over de aan de deskundige(n) te stellen vragen. De rechtbank geeft partijen in overweging, na overleg over een en ander, tot een gezamenlijk voorstel te komen. Partijen kunnen zich tevens uitlaten over de hoogte van het voorschot van de deskundige(n). Bij gebreke van een dergelijke uitlating, zal de rechtbank in overleg met de te benoemen deskundige(n) de hoogte van het voorschot van laatstgenoemde(n) vaststellen.

4.4.

Ad b. de gemeenschappelijke auto’s van partijen, de [Auto 1] ( [kenteken 1] ) en de [Auto 2] ( [Kenteken 2] ).

4.4.1.

Volgens de vrouw behoren deze auto’s partijen gezamenlijk toe. Nu de man de auto’s heeft verkocht maar de opbrengst onder zich heeft gehouden, dient hij de helft van de verkoopopbrengst aan de vrouw te voldoen. Ondanks zijn toezegging dat te doen, heeft de man dit niet gedaan.

4.4.2.

De man betwist dat de [Auto 1] van de man privé was (en daarmee geacht wordt gemeenschappelijk te zijn). De [Auto 1] was van [Naam bedrijf] B.V. en kan daarom niet in de verrekening worden meegenomen worden. De man erkent wel dat de [Auto 2] gemeenschappelijk is. Hij stelt dat deze is verkocht voor € 23.000,-, zodat de vrouw recht heeft op de helft van de verkoopopbrengst € 11.500,-). Hij stelt echter dat hij dat bedrag mag verrekenen met de vordering die hij in verband met de aanschaf van de [Auto 2] op de vrouw heeft. De man heeft de [Auto 2] gekocht voor € 40.000,-. Krachtens artikel 5 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst dient de vrouw voor de helft van dat bedrag bij te dragen in de aankoopkosten, derhalve voor € 20.000,-. Na verrekening resteert er in verband hiermee een vordering van de man op de vrouw van Є 8.500,-.

4.4.3.

De rechtbank overweegt dat de vrouw onder III. vordert de vrouw dat de man krachtens artikel 843a Rv wordt veroordeeld om de koopovereenkomst en betalingsbewijzen ter zake van de verkoop van deze twee auto’s in het geding te brengen. Zoals hiervoor reeds overwogen, leidt toewijzing van die vordering er niet toe dat de rechtbank de beschikking over die stukken krijgt. Uit proceseconomisch oogpunt zal de rechtbank daarom ook hier gebruik maken van de haar in artikel 22 Rv gegeven bevoegdheid om de man te bevelen bepaalde stukken in het geding te brengen.

4.4.4.

Als productie 16 van de man is overgelegd een inkoopverklaring van Bossen & De Bakker B.V. betreffende de [Auto 2] . Daaruit blijkt een verkoopwaarde van € 23.500,-. De man dient bescheiden over te leggen waaruit blijkt welk bedrag de [Auto 2] uiteindelijk is verkocht (inclusief eventueel betalingsbewijs of bewijs van inruil). Op die door de man gestelde vordering op de vrouw wegens de aankoop van de [Auto 2] , zal de rechtbank hierna terugkomen.

4.4.5.

Betreffende de [Auto 1] overweegt de rechtbank dat uit productie 5 van de vrouw blijkt deze op 7 november 2014 op naam van de man stond. Als productie 29 van de man is echter overlegd een factuur van [Naam bedrijf] B.V. aan Bossen & De Bakker B.V. waaruit blijkt dat de [Auto 1] voor € 44.000,- inclusief BTW aan Bossen & De Bakker is verkocht en geleverd. De man zal bescheiden in het geding moeten brengen waaruit blijkt wie op de peildatum, 9 oktober 2014, eigenaar van de [Auto 1] was. Voor het geval dat de rechtbank tot de conclusie moet komen dat de [Auto 1] aan partijen gezamenlijk toebehoorde, zal de man schriftelijke bescheiden in het geding moeten brengen waaruit blijkt wat de verkoopprijs van de [Auto 1] is geweest.

4.5.

Ad c. De door de vrouw aan de man verstrekte geldlening van € 24.504,13

(ƒ 54.000,-).

4.5.1.

In artikel 16 van de samenlevingsovereenkomst hebben partijen verklaard dat de vrouw een bedrag van ƒ 54.000,- (€ 24.504,13) van de man te vorderen heeft. Nu de samenwoning is geëindigd, is deze vordering opeisbaar geworden, aldus de vrouw. De man heeft verweer gevoerd.

4.5.2.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen. In de dagvaarding heeft de vrouw meegedeeld voor deze vordering reeds te beschikken over een executoriale titel, reden waarom dit bedrag oorspronkelijk niet werd gevorderd. De vrouw heeft, ondanks daarover uitdrukkelijk te zijn bevraagd, niet kunnen aangeven waarom zij belang heeft bij het verkrijgen van een tweede executoriale titel voor deze vordering. De rechtbank gaat er daarom van uit dat zij geen belang heeft bij het gevorderde op dit punt.

4.6.

Ad d. De door de vrouw aan de man verstrekte lening van € 79.411,54

(ƒ 175.000,-).

4.6.1.

Bij akte van 8 november 2001 heeft de man schuldig aan de vrouw erkend een bedrag van ƒ 175.000,- (€ 79.411,54). De vrouw vordert betaling van dat bedrag. De man betwist dit bedrag verschuldigd te zijn, onder meer stellende dat hij zich hiervan niets kan herinneren. Dat verweer van de man faalt. Niet betwist heeft de man immers dat de handtekening op de akte van hem afkomstig is. Aan de inhoud van de onderhandse akte komt daarom dwingende bewijskracht toe. Dit behoudens door de man te leveren tegenbewijs, maar voordat de rechtbank aan bewijslevering toekomt, mocht van de man worden verwacht dat hij concreet zou onderbouwen waarom de inhoud van de akte onjuist is. Dat heeft hij niet gedaan. Zijn twijfel over de juistheid, is daarvoor onvoldoende. Deze vordering is derhalve toewijsbaar. De wettelijke rente wordt afgewezen omdat uit de genoemde akte blijkt dat de man geen rente verschuldigd is.

4.7.

Ad e. Door de vrouw betaalde hypotheekrente ad € 1.043,48

4.7.1.

De vrouw stelt dat zij over 2014 de volledige hypotheekrente ter zake van de lening van haar moeder aan haar moeder € 6.879,75 heeft voldaan. Zij heeft voor de helft van dat bedrag een regresrecht op de man. In verband met dat regresrecht stelt de vrouw nog een bedrag van € 1.034,48 van de man te vorderen te hebben. De man betwist deze vordering. Zo heeft hij onder meer aangevoerd dat de vrouw helemaal geen rente aan haar moeder heeft betaald maar dat haar moeder de verschuldigde rente heeft kwijtgescholden dan wel deze heeft verrekend met giften aan de vrouw.

4.7.2.

De vrouw heeft, hoewel zij daartoe wel de gelegenheid had en de rechtbank partijen ter comparitie van 7 september 2015 uitdrukkelijk had opgedragen een compleet en met stukken onderbouwd overzicht van de bezittingen en schulden per 9 oktober 2014 aan de rechtbank te doen toekomen. Partijen hadden moeten begrijpen dat onder die bezittingen begrepen zijn de vorderingen die zij op elkaar menen te hebben. De vrouw heeft vervolgens nagelaten bewijsstukken ter onderbouwing van haar vordering op dit punt in het geding te brengen. Zij heeft haar vordering ter zake onvoldoende onderbouwd. Deze wordt afgewezen.

4.8.

Ad f. De door de man opgenomen bedragen van de spaarrekeningen van de kinderen van partijen.

4.8.1.

Volgens de vrouw heeft de man een bedrag van in totaal € 12.000,- opgenomen van de spaarrekeningen van de kinderen. Deze bedragen behoren de kinderen toe en hun spaarrekeningen behoren te worden aangezuiverd, aldus de vrouw. De man heeft zich beroepen op de onbevoegdheid van de rechtbank. Volgens hem volgt uit de artikelen 1:253i en 253a Burgerlijk Wetboek (BW) dat de kantonrechter bevoegd over dit geschilpunt te beslissen. De vrouw acht de rechtbank uit proceseconomische redenen bevoegd over dit punt te oordelen.

4.8.2.

De rechtbank zal zich op dit punt onbevoegd verklaren. Ouders hebben het gezamenlijk gezag over de kinderen. Uit artikel 1:253i BW blijkt dat zij daarom gezamenlijk het bewind over het vermogen van de (minderjarige) kinderen voeren en hen gezamenlijk vertegenwoordigen. Op geschillen hierover is de geschillenregeling van artikel 1:253a BW van toepassing met dien verstande dat in plaats van de rechtbank de kantonrechter bevoegd is. De aard en inhoud van de geschillenregeling laat zich niet rijmen met de onderhavige dagvaardingsprocedure.

4.9.

Ad g. Onderbedeling van de man ter zake van de inboedel.

4.9.1.

Niet in geschil is dat de inboedel van partijen feitelijk is verdeeld. Volgens de man is de vrouw daarbij overbedeeld. De vrouw voert daartegen aan dat partijen de inboedel al hadden verdeeld en, zo begrijpt de rechtbank, dat er geen ruimte is om daarop in het kader van een vordering uit onderbedeling op terug te komen. Bovendien, zo stelt de vrouw, had de inboedel lang niet de waarde als door de man gesteld.

4.9.2.

De rechtbank zal de vordering van de man op dit punt afwijzen. Zoals hiervoor reeds overwogen heeft de rechtbank partijen uitdrukkelijk opgedragen voorafgaand aan de laatst gehouden comparitie een compleet en met stukken onderbouwd overzicht van de bezittingen en schulden per 9 oktober 2014 aan de rechtbank te doen toekomen. Van de man mocht worden verwacht dat hij een compleet overzicht zou verstrekken van alle inboedelgoederen, hun waarde ten tijde van de verdeling van de inboedel en naar wie het betreffende inboedelgoed is gegaan. Dat heeft de man niet gedaan. Zijn vordering op dit punt ligt voor afwijzing gereed.

4.10.

Ad h. De gezamenlijk bewoonde woning van partijen aan de [Adres 2] .

4.10.1.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat de woning aan de [Adres 2] moet worden verkocht. De man had gevorderd dat de woning aan hem wordt toebedeeld. Die vordering kan derhalve worden afgewezen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen gezamenlijk tot verkoop van de woning zullen komen. Een daartoe strekkende vordering ligt ook niet aan de rechtbank voor.

4.11.

Ad i. De eigenaarslasten van de woning aan de [Adres 2] .

4.11.1.

De man stelt zich op het standpunt dat degene die in de woning aan de [Adres 2] woont, de vrouw, ook de eigenaarslasten van de woning dient te voldoen. Voor het geval de man de helft van de eigenaarslasten dient te betalen, verzoekt hij te bepalen dat de vrouw de helft van de huurkosten van de man voor haar rekening neemt. Meer subsidiair vindt de man dat de vrouw voor het gebruik van de woning een vergoeding van € 500,- per maand moet betalen. De vrouw betwist dit.

4.11.2.

De rechtbank zal de vorderingen van de man op dit punt afwijzen. Daarbij stelt zij voorop dat partijen in hun samenlevingsovereenkomst geen afspraken op dit punt hebben gemaakt. Nu de woning aan de [Adres 2] hen ieder voor de onverdeelde helft in eigendom toebehoort, dienen zij ook ieder de zakelijke lasten die daarop betrekking hebben te betalen. Er is geen grond om te beslissen dat de vrouw moet meebetalen aan de huur die de man betaalt. Op zichzelf zou er wel grond kunnen zijn om te beslissen dat de vrouw voor het exclusief gebruik van de woning een vergoeding aan de man dient te betalen. Voor het bepalen van de hoogte van die gebruiksvergoeding wordt over het algemeen aangesloten bij een percentage van de overwaarde van de betreffende woning. Op de woning rust een hypotheek van € 550.000,- aan de moeder. Naar de rechtbank begrijpt in verband met een lening van de moeder voor de aanschaf van de woning. Dat de woning bij verkoop meer zal opbrengen dan die € 550.000,- heeft de man niet onderbouwd. De woning heeft derhalve geen overwaarde. Ook overigens is er geen reden de vrouw een gebruiksvergoeding te laten betalen.

4.12.

Ad j. De vordering van de man wegens diverse zaken die volgens de samenlevingsovereenkomst bij helfte voldaan hadden moeten worden door de vrouw

4.12.1.

De man heeft een aantal zaken genoemd waarvan hij stelt dat de die gezamenlijk zijn/waren en waartoe de vrouw krachtens artikel 5 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst voor de helft dient bij te dragen. Het gaat daarbij om:

- de boot die is aangeschaft voor € 480.000,- en drie jaar later is verkocht voor

€ 165.000,-. De man heeft op grond hiervan een vordering op de vrouw van

€ 157.500,-;

  • -

    de aanschaf van de [Auto 2] . De man heeft een vordering op de vrouw van € 8.500,-;

  • -

    de geluidsinstallatie die de man heeft gekocht voor € 16.000,-. De vrouw dient de man uit dien hoofde nog een bedrag van € 8.000,- te betalen;

  • -

    de zonnepanelen die zijn geplaatst op de woning ad € 10.294,99 . De vrouw heeft hier niet aan bijgedragen. De man heeft uit dien hoofde een vordering op de vrouw van

€ 5.147,50;

- de door de man gekochte inboedelgoederen van circa € 6.000,-. De vrouw dient hem uit dien hoofde nog € 3.000,- te betalen.

4.12.2.

Voor al deze zaken geldt dat de man zijn aanspraken onvoldoende heeft onderbouwd. Van de man mocht, zeker na de comparitie van 7 september 2015, worden verwacht dat hij inzichtelijk zou maken op welke wijze de door hem genoemde zaken zijn betaald en gefinancierd. Dit temeer omdat er tussen de diverse bankrekeningen van partijen maar ook tussen die van partijen en de ondernemingen van de man werd geschoven met geldbedragen. Deze vordering ligt in beginsel voor afwijzing gereed.

4.13.

Ad k. De regresvordering van de man van € 500.000,-.

4.13.1.

Volgens de man heeft hij een vordering op de vrouw van Є 500.000,- in verband met de lening van € 1.000.000,- van partijen bij de moeder van de vrouw. De moeder van de vrouw is een procedure gestart tot terugbetaling van die lening door de man. Dit terwijl zij de vrouw daarbuiten laat. Volgens de man heeft het gerechtshof te Amsterdam bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van een zaak tussen de man en de moeder van de vrouw meegedeeld dat, indien de vordering van de moeder van de vrouw tegen de man wordt toegewezen, de man per direct een (regres)vordering op de vrouw krijgt. De vrouw betwist dit.

4.13.2.

De rechtbank zal de vordering van de man op dit punt afwijzen. Wat het gerechtshof daarover ook gezegd mogen hebben; uit de artikelen 6:10 en 6:12 BW vloeit voort dat dat de hoofdelijke schuldenaar die meer aan de schuldeiser heeft betaald dan het gedeelte dat hem aangaat, voor dat meerdere regres kan nemen op de andere hoofdelijke schuldenaar/-schuldenaren. Nu vast staat dat op de lening van de moeder van de vrouw nog niet is afgelost, laat staan dat de man hierop de helft of meer heeft afgelost, heeft hij (nog) geen vordering ter zake op de vrouw.

4.14.

Ad l. De vordering van de man in verband met door de man betaalde rente

4.14.1.

De man heeft oorspronkelijk in verband hiermee gevorderd dat de vrouw een bedrag van € 6.455,38 dient te voldoen in verband met door de man betaalde rente over de lening van 1 miljoen euro van de moeder van de vrouw. Ter comparitie van 9 juni 2015 heeft de man zijn eis op dit punt vermeerderd in die zin dat hij stelt dat hij aan rente en aflossing op de schuld van 1 miljoen euro aan de moeder van de vrouw een bedrag van

€ 117.871,63 heeft betaald, waardoor hij een regresvordering van € 58.935,82 op de vrouw heeft.

4.14.2.

De rechtbank dient eerst te beslissen of deze vermeerdering van eis toelaatbaar is. Dat is niet het geval. Artikel 2.9 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken bepaalt dat een partij die bij gelegenheid van een comparitie nog een proceshandeling wenst te verrichten deze uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties aan de rechtbank en aan de wederpartij toezendt. Dat heeft de man niet gedaan. Door ter comparitie in strijd met deze bepaling alsnog haar eis te vermeerderen, handelt zij in strijd met de normen van een redelijke procesorde. Dit te meer omdat het niet gaat om een eiswijziging op een ondergeschikt onderdeel of een eiswijziging die logischerwijs uit het verloop van de procedure voortvloeit. Bovendien dateren de vorderingen waarop de eisvermeerdering ziet van ruim voor de datum van de comparitie zodat er ook op dat punt geen enkele noodzaak eerst ter comparitie met het verzoek tot eiswijziging te komen.

4.14.3.

Aan de rechtbank ligt derhalve voor de vraag of de man een regresvordering op de vrouw heeft van € 6.455,38 in verband met door de man betaalde rente ad € 12.910,75. De vrouw heeft daarop gereageerd door te stellen dat het bedrag van € 12.910,75 dient te worden verrekend met de bedragen die de vrouw nog van de man te vorderen heeft. Nu de vrouw de vordering van de man ad € 6.455,38 heeft erkend, zal de rechtbank die verrekenen met hetgeen de man aan de vrouw verschuldigd is.

4.15.

De slotsom

4.15.1.

Het voorgaande leidt tot het volgende. In conventie zal zich onbevoegd verklaren kennis te nemen van de vordering van de vrouw betreffende de spaarrekening van de kinderen. Wel toewijsbaar zijn in beginsel de gevorderde veroordeling van de man tot (terug)betaling van € 79.411,54 (post d.) aan de vrouw. Na verrekening daarvan met de vordering van de man ad € 6.455,38 (post l.) resteert per saldo door de man aan de vrouw te betalen een bedrag van € 72.956,16. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de man geen andere verrekenposten heeft, zal de rechtbank op dit punt een eindvonnis wijzen. Voor het overige zal de rechtbank de man bevelen de in de rechtsoverwegingen 4.3.3, 4.4.3 en 4.4.5 bedoelde bescheiden in het geding te brengen en iedere verdere beslissing in conventie aanhouden.

4.15.2.

In reconventie is gebleken dat de man, na de verrekening in conventie van zijn vordering van € 6.455,38 met de vordering van de vrouw, niets meer van de vrouw te vorderen heeft. Zijn vorderingen zullen integraal worden afgewezen. De proceskosten in reconventie zullen worden gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart zich onbevoegd ter zake van de vordering van de vrouw betreffende de spaarrekening van de kinderen,

5.2.

veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 72.956,16 (tweeenzeventigduizendnegenhonderdzesenvijftig euro en zestien cent),

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 31 augustus 2016 voor het nemen van een akte door de man over hetgeen is vermeld onder 4.3.3, 4.4.3 en 4.4.5, waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af,

5.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2016.1

1 type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. coll: HP