Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:6693

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
15-09-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4285
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Gebrek niet hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/4285

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.J. van der Veen),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: J. Knufman).

Procesverloop

De rechtbank heeft op 28 april 2016 een tussenuitspraak gedaan. Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit van 28 augustus 2015 te herstellen.

Verweerder heeft bij brieven van 10 mei 2016 en 17 juni 2016 gereageerd op de tussenuitspraak.

Eiseres heeft hierop op 27 juni 2016 een schriftelijke zienswijze gegeven.

De rechtbank heeft vervolgens, met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

2. Verweerder heeft de rechtbank in de brief van 10 mei 2016 laten weten gebruik te maken van de gelegenheid om het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. In de brief van 17 juni 2016 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld na overleg met de verzekeringsarts Bezwaar en Beroep en de arbeidsdeskundige Bezwaar en Beroep te hebben besloten geen nadere motivering op te stellen daar zij van mening zijn dat het bestreden besluit met de eerdere reacties op hetgeen namens eiser is aangevoerd voldoende gemotiveerd is. De rechtbank begrijpt dit standpunt van verweerder zo dat hij geen gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. De rechtbank kan, zoals al overwogen onder 1, behalve in zeer uitzonderlijke gevallen niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Uit wat verweerder in dit verband heeft opgemerkt in zijn reactie op de tussenuitspraak volgt niet dat zich hier zo'n zeer uitzonderlijk geval voordoet dat rechtvaardigt dat de rechtbank terugkomt van haar tussenuitspraak.

3. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. De reden daarvoor is nu juist dat verweerder geen poging heeft ondernomen het gebrek te herstellen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.240,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 28 augustus 2015;

- draagt verweerder op binnen acht weken nadat deze uitspraak gezag van gewijsde heeft gekregen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- aan eiseres te vergoeden.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.240,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.