Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:6554

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
15-09-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5770
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WGA-vervolguitkering. Motiveringsgebrek. 6:22 Awb van toepassing. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/5770

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (districtskantoor Alkmaar), verweerder

(gemachtigde: J. Knufman).

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de loongerelateerde WGA-uitkering van eiser beëindigd per 22 september 2015, en eiser aansluitend een WGA-vervolguitkering toegekend.

Bij besluit van 8 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van de uitspraak verlengd.

Overwegingen

1.1

Eiser is werkzaam geweest als medewerker in een drukkerij voor 36 uur per week (maatgevende arbeid), en raakte per 23 oktober 2010 wegens een faillissement werkeloos. Eiser ontving daarop een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 8 maart 2011 meldde eiser zich ziek vanwege gehoorproblemen. Eiser heeft fors gehoorverlies aan beide zijden. Hij gebruikt hoortoestellen, wat betekent dat hij veel hinder heeft van harde geluiden. Eiser heeft links een gehoorverlies van 50dB en rechts van 70dB. Ook heeft eiser last van oorsuizen (tinnitus). Daarnaast heeft eiser knieklachten (gonartrose), lage rugklachten en psychische klachten (spanningen, verwerkingsproblemen). Eiser ontving een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Na het einde van de wachttijd op 5 maart 2013, wordt eiser in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) voor 35-80% (36,39%) arbeidsongeschikt bevonden, waarna eiser een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangt. Bij onveranderde omstandigheden loopt deze loongerelateerde uitkering tot 22 september 2015.

1.2

Op 6 maart 2015 meldt eiser bij verweerder dat zijn gezondheid verslechterd is. Eiser wordt daarop herbeoordeeld door een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 15 april 2015 overwogen dat de toename van de klachten eruit bestaat dat eiser last heeft van oorsuizen en dat eiser zich niet erkend voelt met deze klachten. Voor zijn gehoorproblemen staat eiser onder controle bij KNO-arts [naam 1] . Een second opinion bij KNO-arts [naam 2] eind december 2014 leidde niet tot andere bevindingen dan de reeds bekende aandoeningen. Er zijn geen nieuwe medische aandoeningen bijgekomen. De gonartrose en de lage rugklachten zijn onveranderd. De verzekeringsarts ziet geen aanleiding de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 6 december 2012 te wijzigen, wel wordt de FML gedateerd op 6 maart 2015. De prognose is dat de medische situatie noch de functionele mogelijkheden wezenlijk zullen veranderen.

1.3

Op 7 mei 2015 stelt de arbeidsdeskundige aan de hand van de FML van 6 maart 2015 een arbeidsdeskundig rapport op. De arbeidsdeskundige concludeert dat eiser ongeschikt is voor zijn maatgevende arbeid (medewerker drukkerij), maar geschikt kan worden geacht voor de functies machinebediende inpak-/verpakkingsmachine, magazijn-/expeditiemedewerker en productiemedewerker. Het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt vastgesteld op 45,39%.

1.4

Bij besluit van 7 mei 2015 (het primaire besluit) beëindigt verweerder per 22 september 2015 de loongerelateerde WGA-uitkering en kent eiser een WGA-vervolguitkering toe. De hoogte van de uitkering is 35% van het minimumloon, omdat eisers 45-55% arbeidsongeschiktheid is. Tegen dit besluit gaat eiser in bezwaar. Hij stelt toenemende oorklachten, een rughernia en ernstige slijtage aan de knieën te hebben en geen werk of vrijwilligerswerk te kunnen vinden. Eiser stelt 60-80% arbeidsongeschikt te zijn.

1.5

In het kader van de bezwaarprocedure heeft op 6 oktober 2015 een verzekeringsarts bezwaar & beroep (bva) eiser onderzocht. In zijn rapportage van 8 oktober 2015 concludeert de bva dat er ten aanzien van de gehoor-, knie- en rugklachten geen objectiveerbare toename van klachten is aan te nemen. De bva stelt dat de FML van 6 maart 2015 voldoende tegemoet komt aan de geobjectiveerde beperkingen, en hij ziet geen aanleiding om van het oordeel van de verzekeringsarts af te wijken.

1.6

De arbeidsdeskundige stelt in zijn rapportage van 26 november 2015 vast dat de geduide functie van machinebediende inpak-/verpakkingsmachine niet geschikt is vanwege het opleidingsniveau van eiser. Bij raadpleging van het Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) duidt de arbeidsdeskundige in bezwaar de functies productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (pluimveeslachterij), medewerker intern transport en productiemedewerker industrie (samensteller). Dit leidt tot een hogere verdiencapaciteit; het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt 38,83%. Dit percentage valt in de klasse 35-45% arbeidsongeschiktheid en de hoogte van de WGA-vervolguitkering bedraagt dan 28% van het minimumloon.

1.7

Verweerder stuurt eiser op 1 december 2015 het voornemen om de WGA-vervolguitkering met ingang van 2 februari 2016 te verlagen naar 28% van het minimumloon. In reactie daarop geeft eiser aan het ermee oneens te zijn en in beroep te gaan. Bij het bestreden besluit van handhaaft verweerder het primaire besluit onder wijziging van de motivering door de uitkering te verlagen naar 28% van het minimumloon.

2. In beroep stelt eiser dat zijn medische klachten door de bva zijn onderschat, nu zijn oren achteruit zijn gegaan en het oorsuizen is toegenomen. Eiser stelt dat het onderzoek door de bva onzorgvuldig is, daar hij heeft nagelaten informatie op te vragen bij de behandelend sector. Eiser voegt vijf brieven van de behandelend sector toe uit de periode 20 mei 2009 tot 1 december 2014. Ook voegt eiser een brief van zijn huisarts van 26 januari 2016 toe.

Eiser stelt voorts dat er te weinig beperkingen in de FML zijn ogenomen met betrekking tot met name de gehoorproblemen en de taalachterstand. Met betrekking tot de geduide functies stelt eiser dat deze niet geschikt zijn. Er is in productieomgevingen met 80dB teveel geluidsbelasting en door zijn taalachterstand mist eiser de bekwaamheden om de functies uit te voeren. Ter onderbouwing dient eiser het eindrapport van het re-integratietraject van 23 mei 2014 in. Daarin wordt gesteld dat eiser niet voldeed aan de functie-eisen bij vacatures die werden gevonden aan de hand van de FML. Ook vormen de gehoorklachten een grote belemmering bij het vinden van passend werk. Tot slot stelt eiser dat er sprake is van schending van het verbod op reformatio in peius, nu verweerder in het bestreden besluit een lager arbeidsongeschiktheidspercentage heeft aangenomen dan in het primaire besluit.

3. Verweerder laat in de medische rapportage van de bva van 22 maart 2016 als reactie op de beroepsgronden weten dat de toelichting op geluidsbelasting in de FML (3.7) wordt uitgebreid met de opmerking dat het geluidsniveau in een productieomgeving (80dB) een overschrijding van de belastbaarheid is. Voor het overige stelt de bva dat er geen medische gronden zijn aangevoerd voor eisers stelling dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen.

De arbeidsdeskundige beoordeelt aan de hand van de op punt 3.7 gewijzigde toelichting in de FML van 6 maart 2015 de geduide functies. Bij de functie productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (pluimveeslachterij) komt een overschrijding van de belastbaarheid voor, vanwege het geluidsniveau van (meer dan) 80dB. De arbeidsdeskundige stelt, na consultatie van de bva, dat voor eiser het gebruik van gehoorbescherming niet gecontraïndiceerd is. Bij de geduide functie van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (pluimveeslachterij) kan eiser gebruik maken van gehoorbescherming. Daardoor is de functie volgens de arbeidsdeskundige nog steeds passend.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Het bestreden besluit berust op rapporten die aan verweerder zijn uitgebracht door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Eiser betwist de juistheid van de in die rapporten getrokken conclusies. De rechtbank moet dan ook beoordelen of deze rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen en of er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

5.1

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat 80dB in een productieomgeving een te grote geluidsbelasting voor hem oplevert en dat dit ten onrechte niet als beperking in de FML is opgenomen. Verweerder heeft hierin aanleiding gezien de FML aan te passen door de toelichting op de geluidsbelasting aan te vullen. De rechtbank stelt vast dat de informatie waarop de uitbreiding op de toelichting is gebaseerd reeds bekend was bij verweerder, bijvoorbeeld met het eindrapport van Werkpad van 18 juni 2014. Nu eerst in beroep deze toelichting aan de FML is toegevoegd, bevat het bestreden besluit op dit punt een motiveringsgebrek.

5.2

De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In de medische rapportage van 22 maart 2016 betrekt de bva de beroepsgronden bij zijn overwegingen en stelt op grond daarvan dat het geluidsniveau van 80dB in een productieomgeving een overschrijding van de belastbaarheid is. Uit de hierop aangepaste FML, zoals die geldig is vanaf 6 maart 2015, volgt volgens de arbeidsdeskundige geen ander mate van arbeidsongeschiktheid dan vastgesteld bij het bestreden besluit. De geduide functies blijven volgens verweerder geschikt, nu het voor eiser mogelijk moet zijn om gehoorbescherming te dragen, wat bij een van de geduide functies (productiemedewerker pluimveeslachterij) aangewezen zou zijn. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan verweerders standpunt. De rechtbank beoordeelt de medische rapportage van 22 maart 2016 op dit punt als zorgvuldig. Uit de arbeidsdeskundige rapportage blijkt voorts dat de mogelijkheid voor eiser om gehoorbescherming te dragen medisch gezien niet gecontraïndiceerd is. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit aldus correct aangevuld. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren, nu aannemelijk is dat eiser door deze ontoereikende motivering niet processueel of materieel in zijn belangen is geschaad.

6.1

Met inachtneming van de aangevulde toelichting in 3.7 van de FML, heeft de rechtbank in dit geval onvoldoende redenen om te oordelen dat het medisch onderzoek overigens onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de bva de dossiergegevens heeft bestudeerd, informatie van de behandelend sector heeft meegenomen in zijn beoordeling en eiser zowel lichamelijk als psychisch heeft onderzocht op 6 oktober 2015. Het dossier biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende gegevens om op een verantwoorde wijze tot een afgewogen medisch oordeel te kunnen komen en een inschatting van de belastbaarheid van eiser te kunnen maken.

6.2

Evenmin bestaan aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de rapportages. De rechtbank is van oordeel dat de bva voldoende rekening heeft gehouden met de klachten van eiser die voornamelijk bestaan uit de gehoorproblemen, de knieklachten en rugklachten. Ook met eisers taalbarrière is rekening gehouden. In hetgeen door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerders conclusies voor onjuist te houden.

6.3

De rechtbank merkt nog op dat de door eiser ondervonden klachten niet leidend zijn voor het aannemen van beperkingen. Dat eiser klachten ondervindt en daardoor beperkt wordt in haar functioneren wordt ook door verweerder niet betwijfeld, maar op grond van de WIA kan slechts rekening gehouden met beperkingen die objectiveerbaar het gevolg zijn van ziekte of gebrek. In het geval van eiser bestaat voor een deel van de ervaren beperkingen een medische verklaring, maar niet voor de volle omvang ervan. De door eiser ervaren toename van de gehoorproblemen (oorsuizen) is vooralsnog niet medisch geobjectiveerd.

7. De rechtbank is van oordeel dat, nu de arbeidsdeskundige bij het duiden van de functies is uitgegaan van een juiste medische grondslag, geen aanleiding bestaat diens beoordeling voor onjuist te houden. Bovendien is de bva in zijn rapportage van 26 november 2015 ingegaan op de beperkingen van eiser ten aanzien van de geduide functies. Ook is de arbeidsdeskundige ingegaan op de gehoorbelasting bij de functie productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (pluimveeslachterij). Met gebruikmaking van gehoorbescherming is de functie nog steeds passend. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze argumentatie van de arbeidsdeskundige te twijfelen.

8. Met betrekking tot eisers stelling dat verweerder met het bestreden besluit het verbod op reformatio in peius heeft geschonden oordeelt de rechtbank als volgt. Verweerders toetsing van de FML aan het CBBS in de bezwaarfase leidde tot een ander arbeidsongeschiktheidspercentage dan in het primaire besluit. Verweerder heeft de wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage op twee maanden na het bestreden besluit gesteld. Daarmee is er geen sprake van wijziging van het primaire besluit met terugwerkende kracht en is er van schending van het verbod op reformatio in peius evenmin sprake. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Gelet op al het bovenstaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van I.M. Wijnker-Duiven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.