Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:6515

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-07-2016
Datum publicatie
04-08-2016
Zaaknummer
5103085 \ OA VERZ 16-166
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wwz. Terecht gegeven ontslag op staande voet omdat de werknemer nieuwsbrieven, die deels verzonnen en/of suggestieve berichten bevatten over collega’s, voor een zieke collega heeft vervaardigd en verzonden? Ontbinding arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0875
AR 2016/2326
AR 2016/2327
Onder redactie van Tina van der Linden en Kea Kroeks – de Raaij annotatie in IR 2016/135, UDH:IR/13688
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 5103085 \ OA VERZ 16-166 (PA)

Uitspraakdatum: 18 juli 2016

Beschikking in de zaak van:

[naam] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek

verder te noemen: [de werknemer]

gemachtigde: mr. J.G.H. Borgdorff

tegen

de vennootschap onder firma Nuclear Research and Consultancy Group (NRG),

gevestigd te Petten

verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek

verder te noemen: NRG

gemachtigde: mr. N. Sluis

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

1.1.

[de werknemer] heeft een verzoekschrift ingediend. NRG heeft een verweerschrift ingediend en tegenverzoeken gedaan.

1.2.

Op 23 juni 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunt op de zitting toegelicht, [de werknemer] mede aan de hand van pagina 5 en 6 van haar pleitnotities. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft NRG bij brief van 22 juni 2016 een leesbaar exemplaar van productie 10 toegezonden.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

2.1.

[de werknemer] , geboren [datum] , is op 24 mei 2012 in dienst getreden bij NRG. De laatste functie die [de werknemer] vervulde, is die van Management Assistent Business Support, met een salaris van € 2.083,66 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en 6,3% eindejaarsuitkering.

2.2.

Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO ECN/NRG (hierna: de Cao).

2.3.

Op 10 maart 2016 is [de werknemer] vrijgesteld van werkzaamheden nadat in de e-mailbox van [de werknemer] meerdere e-mailberichten van haar zijn aangetroffen over NRG medewerkers. Bij brief van 10 maart 2016 is deze vrijstelling van werkzaamheden bevestigd. In de brief is onder meer vermeld:

Aan mij is gerapporteerd dat er door u, door middel van uw NRG emailadres, met gebruikmaking van bedrijfsmiddelen, mogelijk in bedrijfstijd, meerdere berichten zijn verzonden en/of zijn ontvangen, met beledigende en/of aanstootgevende inhoud over andere NRG medewerkers. Op grond van de inhoud van de e-mails staat het zwaarwegende vermoeden dat er een regelmatige uitwisseling van dergelijke e-mails plaatsvindt, dan wel heeft plaatsgevonden.

Op grond van de Gedragscode Gebruik ICT-middelen, internet, email en social media zijn bovengenoemde activiteiten/handelingen niet toegestaan. Dat is iedere NRG medewerker bekend. Bovengenoemde activiteiten/handelingen zijn bovendien in strijd met goed werknemerschap.

Het plaatsgevonden hebbende nader vooronderzoek heeft aanleiding om een nader vooronderzoek in te stellen. (…)

Het nader vooronderzoek zal aanvangen met een interview, dat door een door NRG ingeschakelde externe adviseur zal worden afgenomen. Het interview zal op basis van vrijwilligheid worden afgenomen. (…)

Hoewel de deelname aan het interview op vrijwillige basis zal plaatsvinden, verwachten wij dat u gedurende het onderzoek volledig meewerkt en openheid van zaken geeft, waarna NRG een definitief standpunt omtrent uw juridische positie zal innemen.

2.4.

[de werknemer] heeft samen met een collega, mevrouw [x] (hierna: [X] ), vanaf medio januari tot begin maart 2016 een aantal nieuwsbrieven vervaardigd en verzonden aan een zieke collega, mevrouw [y] (hierna: [Y] ). De nieuwsbrieven hebben de naam “Sherlock [Y] ’s Dagboek”. Op de eerste pagina van iedere editie staat het volgende: “Gebaseerd op waargebeurde verhalen & berichtgevingen echter volledig uit zijn verband getrokken en niet meer betrouwbaar als naslagwerk. Dusss… puur bruikbaar voor amusement en vermaak”.

In het voorwoord van de nieuwsbrief staat onder meer vermeld: “In dit dagboek zullen alle zin en onzin welke de redacteurs ter ore komt op levendige wijze worden beschreven. Voorzien van dikke anekdotes en doorspekt met humor en aangevuld met onwaarheden. Kortom je kunt alleen concluderen dat er misschien een kern van waarheid aan de grondslag van het verslag heeft gezeten.

2.5.

Op 15 maart 2016 zou het interview, zoals vermeld in de brief van 10 maart 2016, met Bedrijfsrecherche Hoffmann (hierna: Hoffmann) plaatsvinden. Het interview heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden.

2.6.

Op 23 maart 2016 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden. Het doel van het gesprek was om de kant van het verhaal van [de werknemer] te horen en te verifiëren of de resultaten uit het vooronderzoek op waarheid berusten. NRG heeft op 31 maart 2016 een gespreksverslag verstuurd aan [de werknemer] .

2.7.

Per mail van 4 april 2016 laat [de werknemer] weten dat zij zich niet in de inhoud van het verslag kan vinden.

2.8.

Op 4 april 2016 heeft Hoffmann haar onderzoeksrapport opgeleverd.

2.9.

Bij brief van 7 april 2016 heeft NRG haar bevindingen aan [de werknemer] bevestigd. NRG stelt in haar brief dat het handelen van [de werknemer] een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert, maar dat zij bereid is om eenmalig een voorstel te doen om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling overleg te komen. NRG geeft [de werknemer] één week na 7 april 2016 de tijd om te berichten of zij akkoord gaat met het door NRG voorgestelde beëindigingsvoorstel. In de brief staar verder:

Indien u hiermee niet akkoord gaat, dan zult u direct na het verstrijken van deze termijn wegens een dringende reden op staande voet worden ontslagen.

2.10.

Op 8 april 2016 heeft NRG intern een bericht verspreid waarin staat dat de afgelopen weken een onderzoek heeft plaatsgevonden naar het gedrag van drie medewerkers van NRG. Verder staat in dit bericht dat er een vermoeden was dat de drie medewerkers correspondentie hebben verspreid met daarin beledigende en/of aanstootgevende inhoud van nadere NRG medewerkers. Uit onderzoek blijkt dat het hierbij niet ging om een incident. Het bericht sluit af met de zin dat de omvang en de ernst van de inhoud van de correspondentie dusdanig zijn dat de directie tot haar spijt heeft moeten besluiten het dienstverband met de drie medewerkers te beëindigen.

2.11.

Bij brief van 13 april 2016 heeft [de werknemer] NRG medegedeeld dat zij de vaststellingsovereenkomst niet accepteert.

2.12.

Bij brief van 19 april 2016 heeft NRG [de werknemer] per 15 april 2016 op staande voet ontslagen.

3 Het verzoek

3.1.

[de werknemer] verzoekt de kantonrechter primair het ontslag op staande voet te vernietigen en NRG te veroordelen tot doorbetaling van loon. Tevens vordert [de werknemer] wedertewerkstelling. Aan dit verzoek legt [de werknemer] ten grondslag – kort weergegeven – dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en dat dit ontslag niet onverwijld is gegeven. [de werknemer] stelt dat achteraf bezien de ludiek bedoelde actie ongelukkig is te noemen, maar dat een ontslag op staande voet een te zware sanctie is. Ten aanzien van de onverwijldheid stelt [de werknemer] het volgende. [de werknemer] stelt dat NRG al op 15 maart 2016 op de hoogte was van de inhoud van alle nieuwsbrieven en dat [de werknemer] pas op 15 april 2016 ontslag op staande voet heeft gekregen. Daarnaast stelt [de werknemer] dat zij op 13 april 2016 NRG heeft laten weten niet akkoord te gaan met het voorstel van NRG. NRG heeft desondanks nog drie dagen gewacht met het geven van een ontslag op staande voet.

3.2.

Nu er geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, is NRG gehouden tot loondoorbetaling aan en wedertewerkstelling van [de werknemer] .

3.3.

[de werknemer] heeft subsidiair ook een verzoek gedaan om het ontslag op staande voet te vernietigen, om NRG te veroordelen tot doorbetaling van loon, om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, om ten laste van NRG een billijke vergoeding toe te kennen van € 25.000,- bruto, en een transitievergoeding te betalen. Ten aanzien van de verzochte ontbinding stelt [de werknemer] dat, ondanks dat sprake is van een onterecht op staande voet gegeven ontslag, het onmogelijk voor haar is om terug te keren naar NRG, omdat NRG deze weg heeft afgesloten.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

NRG verweert zich tegen het verzoek. Zij voert aan – samengevat – dat sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en dat het ontslag op staande voet ook onverwijld is gegeven.

4.2.

In de zaak van het tegenverzoek wordt door NRG verzocht de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, primair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e en subsidiair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g. Het verzoek is voorwaardelijk, namelijk voor het geval het ontslag op staande voet vernietigd wordt, dan wel voor het geval NRG in hoger beroep wordt veroordeeld om de arbeidsovereenkomst te herstellen. Daarnaast vordert NRG betaling van gemaakte kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en kosten voor juridisch advies ten bedrage van € 14.783,78 incl. btw, alsmede de gefixeerde schadeloosstelling ex artikel 7:677 lid 2 en 3 BW ter hoogte van twee bruto maandsalarissen, inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering.

4.3.

[de werknemer] heeft daartegen verweer gevoerd.

5 De beoordeling

in de zaak van het verzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet door NRG moet worden vernietigd en of NRG moet worden veroordeeld tot doorbetaling van loon.

5.2.

[de werknemer] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande niet rechtsgeldig. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.4.

De kantonrechter laat in het midden of sprake is van onverwijldheid gelet op het volgende.

5.5.

De kantonrechter is namelijk van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een dringende reden op grond waarvan NRG bevoegd was de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.6.

Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van de partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.7.

Bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet dient de kantonrechter alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking te nemen. Hij moet hierbij de aard en ernst van de aangevoerde dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij zijn aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Ook indien de gevolgen van een ontslag op staande voet ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd was. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden, de onverwijldheid van de opzegging en de gelijktijdige mededeling liggen in dit geval bij de werkgever. Voor de beoordeling van de vraag of het door NRG aan [de werknemer] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zijn de aan [de werknemer] opgegeven redenen zoals vermeld in de brief van 7 april 2016 maatgevend en wordt het geschil afgebakend door de daarin genoemde verwijten.

5.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat [de werknemer] samen met [X] in de periode half januari tot 10 maart 2016 vijf nieuwsbrieven heeft vervaardigd en heeft verzonden aan een zieke collega, [Y] . Eveneens staat vast dat de nieuwsbrieven (deels) verzonnen en/of suggestieve berichten bevatten over collega’s bij NRG en de organisatie. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [de werknemer] hiermee de grenzen van het goed werknemerschap opgezocht en zelf op enkele punten overschreden. Zo staan er bijvoorbeeld berichten over de heer [z] , algemeen directeur van NRG, in de nieuwsbrieven, die schadelijk voor hem en de organisatie kunnen zijn indien de berichten door derden zouden worden gelezen. Ook heeft [de werknemer] in de nieuwsbrieven gebruik gemaakt van foto’s van collega’s. Weliswaar stelt [de werknemer] dat zij enkel de nieuwsbrieven aan haar zieke collega heeft verzonden (per post en per e-mail), maar [de werknemer] miskent daarmee dat met het verzenden van de nieuwsbrieven het risico van bestaat dat ook anderen kennis kunnen nemen van de inhoud daarvan. Immers uit het overgelegde rapport van Hoffmann blijkt dat [Y] heeft verklaard dat de nieuwsbrieven bij haar thuis op de schoorsteenmantel stonden. Daar komt bij dat ter zitting onbetwist door NRG is gesteld dat een collega die op ziekenbezoek was bij [Y] de nieuwsbrieven heeft gezien.

5.9.

De kantonrechter is derhalve van oordeel dat [de werknemer] verwijtbaar heeft gehandeld, omdat zij eraan voorbij is gegaan dat de roddels, met name over de directeur, leesbaar waren voor derden en dat risico heeft aanvaard. Aan de stelling van [de werknemer] dat in elk bedrijf geroddeld wordt, gaat de kantonrechter voorbij. Dat is immers iets anders dan roddels op papier zetten en verspreiden.

5.10.

Van de zijde van NRG is echter niet gesteld dat [de werknemer] zich vaker op deze wijze heeft uitgelaten en daarvoor persoonlijk is gewaarschuwd. Weliswaar heeft [de werknemer] niet juist gehandeld door nieuwsbrieven te vervaardigen zoals zij heeft gedaan, maar gesteld noch gebleken is dat [de werknemer] hiermee de bedoeling had collega’s of de organisatie te beschadigen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [de werknemer] onvoldoende bewust gehandeld, maar niet opzettelijk het bedrijf van haar werkgever beschadigd. Zonder een waarschuwing te geven, is de kantonrechter van oordeel dat een ontslag op staande voet een te zwaar middel is voor een dergelijke overschrijding van het betamelijke dan wel schending van het goed werknemerschap. NRG had andere, voor [de werknemer] minder verstrekkende, disciplinaire maatregelen kunnen treffen. Dit geldt te meer omdat [de werknemer] tot januari 2016 steeds goed gefunctioneerd heeft en niet is gebleken dat derden daadwerkelijk kennis hebben genomen van de inhoud van de nieuwsbrieven en de reputatie van NRG is geschaad.

5.11.

Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van [de werknemer] de opzegging van de arbeidsovereenkomst door NRG kan vernietigen, indien NRG heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, zal het verzoek van [de werknemer] om vernietiging van dat ontslag worden toegewezen. Er is immers sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, zodat er grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW.

5.12.

Nu het ontslag op staande voet wordt vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst voort en heeft [de werknemer] recht op loon. Ter zitting heeft [de werknemer] gezegd dat zij per 1 juli 2016 een andere baan heeft en dat er een mondelinge arbeidsovereenkomst met haar nieuwe werkgever tot stand is gekomen. [de werknemer] wacht echter nog op een schriftelijke bevestiging daarvan. Ter zitting is afgesproken dat partijen gezamenlijk uiterlijk 29 juni 2016 de kantonrechter zullen berichten, hetgeen zij hebben nagelaten. Omdat het onduidelijk is of [de werknemer] per 1 juli 2016 in verband met het verrichten van werkzaamheden elders nog aanspraak kan maken op haar loon bij NRG vanaf die datum en het vooral op haar weg lag om de kantonrechter hierover nader te informeren, zal de kantonrechter voor wat betreft het salaris ervan uitgaan dat [de werknemer] per 1 juli 2016 elders werkzaam is. Dit betekent dat [de werknemer] per 1 juli 2016 niet meer beschikbaar is voor het verrichten van werkzaamheden voor NRG. De vordering van [de werknemer] tot loonbetaling zal daarom worden toegewezen tot 1 juli 2016. De gevorderde wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW zal ook worden toegewezen, omdat NRG te laat heeft betaald, waarbij de wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 20%.

5.13.

Met betrekking tot de gevorderde wedertewerkstelling wordt overwogen dat [de werknemer] ter zitting haar vordering op dit punt heeft ingetrokken. Gelet hierop behoeft deze vordering geen bespreking meer.

5.14.

[de werknemer] stelt dat, ondanks dat er geen terecht ontslag op staande voet is gegeven, terugkeer voor haar onmogelijk is. Zij verzoekt daarom ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

5.15.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:671c lid 1 BW kan de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van omstandigheden als vorenbedoeld. Ook partijen hebben beiden ter zitting uitgesproken dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de rede ligt.

5.16.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [de werknemer] zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671c lid 1 en lid 2 onder a BW zal worden ontbonden en wel met ingang van 1 september 2016.

5.17.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of er in deze zaak aanleiding is voor toekenning van de transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 lid 1 onder b BW en

toekenning van een billijke vergoeding aan [de werknemer] ten laste van NRG als bedoeld in artikel 7:671c lid 2 onder b BW en zo ja, op welk bedrag deze vergoedingen moet worden vastgesteld.

5.18.

Aan het ernstig verwijtbaar handelen heeft [de werknemer] ten grondslag gelegd dat NRG de kwestie rondom de nieuwsbrieven zodanig heeft opgeblazen dat terugkeer niet meer mogelijk is. NRG had kunnen volstaan met een waarschuwing. Daarnaast heeft NRG haar integriteit in het openbaar ter discussie gesteld.

5.19.

Gelet op artikel 7:671c lid 2 onder b BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier naar het oordeel van de kantonrechter niet voor. Er is immers geen sprake van een situatie waarbij NRG het vergaande middel van ontslag op staande voet heeft aangegrepen om een onwerkbare situatie te creëren. Ook indien NRG een verwijt te maken valt over de wijze waarop zij de zaak heeft aangepakt omdat zij relatief laat in gesprek is gegaan met [de werknemer] , alternatieven (waarschuwing, berisping) niet lijkt te hebben overwogen en intern op 8 april 2016 een bericht heeft verspreid dat genuanceerder van inhoud had mogen zijn, dan levert dit nog geen ernstig verwijt op.

5.20.

De kantonrechter komt op basis van het vorenstaande tot het oordeel dat van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door NRG geen sprake is. Dit leidt ertoe dat de gevorderde transitievergoeding en de gevorderde billijke vergoeding zullen worden afgewezen.

5.21.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:686a lid 7 BW zal [de werknemer] in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken als bedoeld in artikel 7:686a lid 6 BW binnen de hierna genoemde termijn.

5.22.

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

in de zaak van het tegenverzoek

5.23.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen (voorwaardelijk) moet worden ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 BW.

5.24.

Hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet moet worden vernietigd. Dat betekent dat de voorwaarde waaronder NRG het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft gedaan, is vervuld, zodat dit verzoek zal worden beoordeeld. NRG heeft ook belang bij de verzochte ontbinding, omdat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd door het ontslag op staande voet. Daarnaast kan NRG ook belang hebben bij haar verzoek, omdat [de werknemer] de mogelijkheid heeft om haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te trekken.

5.25.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [de werknemer] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

5.26.

NRG verzoekt de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdelen e (primair) en g (subsidiair) BW, een en ander zonder inachtneming van een opzegtermijn en zonder toekenning van enige vergoeding.

5.27.

Uit de standpunten van partijen en het verhandelde ter zitting is genoegzaam gebleken dat de arbeidsverhouding tussen partijen ernstig verstoord is geraakt en dat een voortzetting –te meer nu [de werknemer] reeds per 1 juli 2016 elders in dienst is getreden - door geen der partijen, hoe dan ook, wordt geambieerd. Partijen hebben dit ook ter zitting aangegeven. Daarmee ligt het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de subsidiaire grond voor onmiddellijke inwilliging gereed. De arbeidsovereenkomst zal met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW worden ontbonden met ingang van 1 september 2016. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. De arbeidsovereenkomst wordt onvoorwaardelijk ontbonden, omdat het ontslag op staande voet in deze beschikking vernietigd wordt en de arbeidsovereenkomst dus niet al is geëindigd door dat ontslag.

5.28.

Gezien de grond voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ligt herplaatsing niet in de rede. Dit klemt temeer nu ervan uit moet worden gegaan dat [de werknemer] per 1 juli 2016 niet meer beschikbaar is voor werkzaamheden omdat zij elders werkzaam is.

5.29.

NRG vordert daarnaast kosten tot het betalen van kosten onderzoek ad € 11.616,00, primair op grond van artikel 7.5. van de ICT Gedragscode en subsidiair op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW.

5.30.

[de werknemer] heeft daartegen aangevoerd dat de kosten niet in redelijkheid zijn gemaakt, omdat NRG [de werknemer] eerst om een uitleg had kunnen vragen en NRG deze kosten niet had hoeven te maken. Daarnaast stelt [de werknemer] dat het onderzoek niet alleen betrekking had op haarzelf, maar ook op het handelen van twee andere collega’s, te weten [X] en [Y] .

5.31.

Gezien het oordeel in de zaak van het verzoek dat geen sprake is geweest van een dringende reden voor het ontslag op staande voet, is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van redelijke kosten ter vaststelling van schade en/of aansprakelijkheid. Daarnaast staat vast dat [Z] [b] , de manager corporate security, (hierna: [B] ) de opdracht heeft gegeven om naar aanleiding van de door [A] verstrekte informatie een onderzoek te verrichten. Eveneens staat vast dat [B] diverse mails heeft gevonden, die zijn uitgewisseld tussen [de werknemer] en [X] . Voorts heeft [B] geconstateerd dat er vijf nieuwsbrieven zijn verstuurd c.q. overhandigd aan [Y] . Gesteld noch gebleken is welke meerwaarde het onderzoek van Hoffmann heeft gehad. Naar het oordeel van de kantonrechter had NRG toen kunnen besluiten een gesprek te laten plaatsvinden met [de werknemer] . De gevorderde kosten zullen derhalve worden afgewezen. Hetzelfde heeft te gelden voor de gevorderde kosten ad € 3.167,78 ten aanzien van het juridisch advies.

5.32.

De vordering tot betaling van de gefixeerde schadeloosstelling ex artikel 7:677 lid 2 en 3 sub a BW ten bedrage van twee bruto maandsalarissen is eveneens niet toewijsbaar, nu geen sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 BW.

5.33.

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

6.1.

vernietigt het ontslag op staande voet;

6.2.

veroordeelt NRG tot doorbetaling aan [de werknemer] van het gebruikelijke loon, waaronder vakantietoeslag, vanaf 15 april 2016 tot 1 juli 2016, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 20% vanaf de dag van verschuldigdheid tot aan de dag van de gehele betaling;

6.3.

stelt partijen in kennis van het voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden, zonder toekenning van een transitievergoeding en/of een billijke vergoeding;

6.4.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen [de werknemer] het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met 29 juli 2016.

Voor het geval [de werknemer] het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet binnen die termijn intrekt:

6.5.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 september 2016;

6.6.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.7.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Voor het geval [de werknemer] het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst binnen die termijn intrekt:

6.8.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.9.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

in de zaak van het tegenverzoek

6.10.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 september 2016;

6.11.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.12.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. A.K. Korteweg, kantonrechter en op 18 juli 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter