Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:5963

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-06-2016
Datum publicatie
19-07-2016
Zaaknummer
15/821172-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; bekennende verdachte; bewezenverklaring invoer verdovende middelen (cocaïne) te Schiphol/in Nederland; strafoplegging; deels voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van bijzondere voorwaarden waaronder reclasseringstoezicht en een klinische behandelverplichting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/821172-15 (P)

Uitspraakdatum: 13 juni 2016

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 mei 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te 's-Gravenhage,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Overijssel, PIV Zwolle.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Sarian en van wat verdachte en haar raadsman, mr. D. Fontein, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 22 december 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 4.410,0 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich met betrekking tot de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevinding en overdracht d.d. 22 december 2015 (dossierpagina 10);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 23 december 2015 (dossierpagina’s 11-13);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 23 december 2015 met fotobijlage (dossierpagina’s 21-31);

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Douane Laboratorium d.d. 28 december 2015 met kenmerk 12860 X 15, opgemaakt door drs. [deskundige] (los opgenomen).

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 22 december 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 4.410 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – met inachtneming van de problematiek van verdachte, haar IQ en de omstandigheid dat zij enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is – gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) maanden waarvan tien (10) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden te worden verbonden, te weten: een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een klinische opname en een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke omvang.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om verdachte – gelet op haar problematiek, beïnvloedbaarheid, naïviteit en het feit dat zij enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is – een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van maximaal twee jaren. Daarvan dient een aanzienlijk deel voorwaardelijk te worden opgelegd, zodat spoedig met het hulptraject kan worden gestart. De raadsman kan zich vinden in de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank tevens acht geslagen op de door Reclassering Nederland opgemaakte voorlichtingsrapporten omtrent verdachte d.d. 1 april 2016 en 3 mei 2016, alsmede op de door GZ-psycholoog drs. [psycholoog] opgestelde psychologische rapportage Pro Justitia betreffende verdachte d.d. 15 maart 2016.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 4.410 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Op grond van de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat – uit een oogpunt van normhandhaving en preventie – alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt.

De rechtbank heeft kennis genomen van bovengenoemde Pro Justitia rapportage, waaruit – samengevat – onder meer blijkt dat verdachte is gediagnosticeerd met een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een angststoornis NAO en alcoholafhankelijkheid. Daarnaast is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van verbale zwakbegaafdheid en een Borderline persoonlijkheidsstoornis, met antisociale en afhankelijke trekken. Verdachte functioneert op zwakbegaafd tot beneden-/laaggemiddeld intelligentieniveau. Door de psycholoog wordt geadviseerd om verdachte bij een bewezenverklaring enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op voormelde reclasseringsrapporten alsmede de toelichting daarop ter terechtzitting door [reclasseringswerker], reclasseringsmedewerker, waaruit – samengevat – volgt dat verdachte op vrijwel alle leefgebieden problemen ervaart. Zo heeft zij geen huisvesting, forse schulden en geen werk of andere nuttige dagbesteding. Daarnaast bestaan aanwijzingen voor een negatief/crimineel sociaal netwerk en is sprake van – vrijwel dagelijks – fors alcoholgebruik. Verder heeft verdachte in haar jeugd traumatische ervaringen meegemaakt. Door haar persoonlijkheids/psychische problematiek is verdachte niet in staat haar leven vorm en inhoud te geven. Zij zal langdurige hulpverlening nodig hebben om haar leven op orde te krijgen en te houden, aldus de reclassering. Daarbij wordt opgemerkt dat een ambulant kader niet toereikend is om verdachte te motiveren tot gedragsverandering. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Gelet op het voorgaande adviseert de reclassering een fors voorwaardelijk strafdeel op te leggen, zodat verdachte zo snel mogelijk in een kliniek kan worden behandeld voor haar problematiek, waaraan de volgende bijzondere voorwaarden dienen te worden verbonden: een meldplicht, een klinische behandeling voor de duur van maximaal negen maanden, een ambulante behandeling met de mogelijkheid van een kortdurende klinische crisisopname voor de duur van maximaal zeven weken en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke omvang.

De rechtbank ziet in de persoon van verdachte, zoals hiervoor beschreven, aanleiding om af te wijken van hetgeen in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een fors gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd onder koppeling aan de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, teneinde verdachte ervan te doordringen dat zij haar leven op orde moet stellen en haar ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan en daarbij langdurige intensieve begeleiding mogelijk te maken.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht;

artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

8 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) maanden;

beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot twintig (20) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren;

stelt daarbij als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt daarbij als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich – na daartoe te zijn uitgenodigd – gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland en zich hierna zal blijven melden, zolang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd zal laten opnemen in FPA Zuidlaren voor de duur van maximaal negen maanden, althans een soortgelijke intramurale instelling, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

- zich, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van een instelling voor ambulante forensische zorg – daaronder begrepen de mogelijkheid van een kortdurende klinische opname voor maximaal zeven weken – zulks ter beoordeling van de reclassering, teneinde zich te laten behandelen voor haar psychische- en/of verslavingsproblematiek, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling/opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- na haar klinische opname zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten een RIBW of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. van der Heijden, voorzitter,

mr. C.A.M. van der Heijden en mr. R. Kuiper, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T. Kaandorp,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 juni 2016.