Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:5935

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
18-07-2016
Zaaknummer
15/820259-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen te Schiphol (afhaler); ongeloofwaardige verklaring; ongeloofwaardig scenario; strafoplegging; onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform de eis van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/820259-16 (P)

Uitspraakdatum: 28 juni 2016

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 juni 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Jamaica),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P. van Lennep en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A. Allersma, advocaat te Groningen, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 december 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Aankomst [medeverdachte/koerier] op Schiphol

Op vrijdag 18 december 2016 is medeverdachte [medeverdachte/koerier] vanuit Curaçao gearriveerd op de luchthaven Schiphol, in de gemeente Haarlemmermeer. Omdat het een vlucht uit een risicoland betreft wordt [medeverdachte/koerier] ter controle overgebracht naar een visitatieruimte. Na enig onderzoek rijst er een verdenking jegens [medeverdachte/koerier] voor het inwendig aanwezig hebben van verdovende middelen.2 Nadat verdachte is voorgeleid en de inverzekeringstelling is afgerond verklaart [medeverdachte/koerier] ongevraagd dat hij 40 bolletjes met cocaïne heeft geslikt.3 Na onderzoek blijkt er sprake te zijn van 61 bolletjes met een totaal nettogewicht van 438,9 gram. De inhoud van de bolletjes wordt getest middels een MMC-test, waarbij een positieve kleurreactie optreedt.4 Als gevolg hiervan worden er monsters naar het douanelaboratorium gestuurd. Na het testen van deze monsters door het douanelaboratorium blijkt dat het inderdaad om cocaïne gaat.5 [medeverdachte/koerier] heeft verklaard dat hij vanuit Curaçao met bolletjes cocaïne naar Nederland zou gaan waar hij herkend zou worden. De tickets waren allemaal geregeld. Hij zou worden opgehaald op de luchthaven, ergens heengebracht worden en dan zijn geld krijgen.6

Onderzoek telefoon [medeverdachte/koerier]

De telefoon van [medeverdachte/koerier] wordt onderzocht en daaruit komen WhatsApp-gesprekken naar voren met ene ‘[nickname verdachte]’. De gesprekken vangen aan op 5 december 2015 en eindigen op 18 december 2015, de datum waarop [medeverdachte/koerier] wordt aangehouden. Het telefoonnummer van ‘[nickname verdachte]’ staat op naam van: [bedrijf], [adres] te Groningen.7 Verdachte heeft verklaard dat dit zijn bedrijf is en dat de berichten met [medeverdachte/koerier] vanaf zijn telefoon zijn ontvangen en verstuurd. 8

Op de telefoon van [medeverdachte/koerier] zijn – onder meer – de volgende WhatsApp gesprekken aangetroffen.

Op 10-12-2015 stuurt [nickname verdachte]: “What is the neem of the airport” en “I am booking now”. Op 11-12-2015 stuurt [medeverdachte/koerier] de berichten: “[nickname verdachte]” en “Send me the number of the ticket”. Op 15-12-2015 vraagt [medeverdachte/koerier] aan [nickname verdachte]: “How much about a kilo [nickname verdachte]?” [nickname verdachte] antwoordt hierop “Can not tack a but that girl” en “but doen your best I wel mike you happy”. Op de dag van vertrek naar Nederland stuurt [medeverdachte/koerier] nog het volgende bericht: “In one hour im going to the airport” en “My stomach its like hahah”. En een paar uur later: “OK im here” en “Im going to take my staff now”. [nickname verdachte] stuurt daarop de tekst: “cool ik Am also here”. Hij stuurt vervolgens een foto van een beker van Starbucks en vraagt omstreeks 12:50 uur “you need also”? 9 Kort hierop om 13:15 uur wordt [medeverdachte/koerier] op Schiphol aangehouden.10

Analyseren camerabeelden Schiphol

Uit de analyse van de camerabeelden van 18 december 2015 op Schiphol blijkt dat omstreeks 12.40 uur verdachte het luchthavengebouw betreedt en zich richting terminal 4 begeeft. Dit is de terminal waar [medeverdachte/koerier] aan zou komen. Hij loopt op enig moment naar de Starbucks en neemt plaats op het terras van waaruit goed zicht is op de douanedeuren.11

Verdachte heeft verklaard dat hij op 18 december 2015 op Schiphol was om [medeverdachte/koerier] op te halen en dat hij eerder een ticket voor hem heeft gekocht. De foto van de Starbucksbeker is door hem verzonden.12

3.3.

Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte betrokken is bij drugssmokkel, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat er onvoldoende bewijs is voor medeplegen. Verdachte heeft zelf ter terechtzitting ontkend te hebben geweten dat [medeverdachte/koerier] cocaïne met zich mee voerde. Hij heeft – kort samengevat – verklaard dat hij door een tante van [medeverdachte/koerier], [tante van medeverdachte/koerier] genaamd, is gevraagd een ticket voor haar neef te kopen en dat deze [tante van medeverdachte/koerier] hem ook heeft gevraagd om [medeverdachte/koerier] van het vliegveld op te halen. Verdachte heeft verder verklaard dat de WhatsApp gesprekken inderdaad vanaf zijn telefoon hebben plaatsgevonden, maar dat deze gesprekken niet door hem, maar door deze [tante van medeverdachte/koerier], een vage kennis van hem, zijn gevoerd. Alleen de WhatsApp gesprekken op 18 december 2015 zijn door hem gevoerd.

Het eerst ter zitting aangevoerde verweer van verdachte dat niet hij degene is met wie [medeverdachte/koerier] voor 18 december 2015 de WhatsApp gesprekken voert, maar dat dit met een tante van [medeverdachte/koerier] is geweest, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig en zal aldus ter zijde worden geschoven. Uit de conversatie volgt op geen enkele wijze dat de persoon die op 18 december 2015 de gesprekken voert een ander is dan de persoon die de eerdere gesprekken voert. Bovendien heeft verdachte geen enkele redelijke verklaring voor het feit dat deze gesprekken met zijn telefoon worden gevoerd en het feit dat de persoon zich [naam] noemt, zijnde de tweede naam van verdachte.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte wist dat [medeverdachte/koerier] cocaïne invoerde. Bovendien volgt uit de bewijsmiddelen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte heeft immers het ticket voor [medeverdachte/koerier] geregeld en hij onderhield contact met hem via de WhatsApp over zijn reis. Hij kwam [medeverdachte/koerier] bovendien ophalen op Schiphol, waarna hij deze ergens heen zou brengen en deze dan zijn geld zou krijgen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 december 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte geen recente veroordelingen heeft en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft een huurhuis en leeft van een uitkering. Omdat deze uitkering is stopgezet vanwege zijn detentie, kan hij al 2 maanden de huur niet betalen. Na 3 maanden achterstand wordt de huur beëindigd en moet verdachte de woning verlaten. Tevens verzoekt de raadsman om de voorlopige hechtenis te schorsen, dan wel geheel op te heffen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van in totaal 438,9 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van, en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf als passende straf in aanmerking komt. Bij het bepalen van de duur van deze straf neemt de rechtbank ten nadele van verdachte in aanmerking dat verdachte is opgetreden als afhaler van een koerier en aldus een zodanige rol in de organisatie vervult, dat hij zelf niet het grootste risico heeft gelopen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen grond is gelegen om ten voordele van verdachte af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd. Daarnaast ziet de rechtbank ook geen reden de voorlopige hechtenis te schorsen dan wel op te heffen.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet;

47 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJF (5) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.E. Kwak, voorzitter,

mr. W. Aardenburg en mr. I.S. Burggraaff, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.J. Meuldijk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 juni 2016.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte] d.d. 18 december 2015.

3 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant], d.d. 18 december 2015.

4 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 21 december 2015.

5 Rapport douanelaboratorium, laboratoriumnummer 12783 X 15 d.d. 22 december 2015 opgemaakt door [deskundige].

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 19 december 2015.

7 Proces-verbaal van bevindingen vaststelling identiteit [verdachte] d.d. 18 februari 2016.

8 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.

9 Proces-verbaal Telecom d.d. 12 februari 2016.

10 Proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte] d.d. 18 december 2015.

11 Proces-verbaal van bevindingen en analyse camerabeelden d.d. 4 januari 2016.

12 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.