Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:5930

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
18-07-2016
Zaaknummer
15/710147-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; vrijspraak 6 Wegenverkeerswet 1994; bewezenverklaring 5 Wegenverkeerswet 1994; schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel ex artikel 9a Wetboek van Strafrecht; schending redelijke termijn ex artikel 6 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710147-14 (P)

Uitspraakdatum: 24 juni 2016

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 juni 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.M. Lengers en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Velserbroek, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 10 september 2013 in de gemeente Haarlem als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto

merk Volkswagen, type Golf, kenteken [kenteken]), daarmede heeft gereden over de

weg, de Amerikaweg ter hoogte van de kruising op splitsing van die Amerikaweg

en de Boerhaavelaan, en zich daarbij zodanig heeft gedragen dat een aan zijn

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend,

aldaar te rijden op de rijbaan van die Amerikalaan en naderende de met een

driekleurige verkeerslichteninstallatie geregelde kruising of splitsing van

die Amerikaweg en de Boerhavelaan,

gezien zijn, verdachtes, rijrichting, linksaf te slaan, teneinde de

Boerhaavelaan in te rijden, op een moment dat een voor zijn rijrichting

bestemd verkeerslicht rood licht uitstraalde en de bestuurder van een

bromfiets, rijdende over de (brom)fietsstrook van die Boerhaavelaan, na groen

licht, het kruisingsvlak van die Boerhaavelaan en de Amerikaweg was opgereden,

waarna er een botsing of aanrading is ontstaan tussen het door hem, verdachte,

bestuurde motorrijtuig en die bromfiets, waardoor een ander, te weten de

bestuurder van die bromfiets (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, (te weten een gebroken sleutelbeen en een scheur in de schedel) of

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair

hij op of omstreeks 10 september 2013 te Haarlem als bestuurder van een

voertuig (personenauto, merk Volkswage, type Golf, kenteken [kenteken]), daarmee

rijdende op de weg, de Amerikaweg, ter hoogte van de kruising of splitsing van

die Amerikaweg en de Boerhaavelaan,

geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod

inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd

driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, waarbij letsel aan

personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht,

door gezien zijn rijrichting, linksaf te slaan, teneinde de Boerhaavelaan in

te rijden op een moment dat het voor zijn rijrichting bestemd verkeerslicht

rood licht uitstraalde en de bestuurder van een bromfiets, rijdende over de (brom)fietsstrook van die Boerhaavelaan, na groen licht, het kruisingsvlak van

die Boerhaavelaan en de Amerikaweg was opgereden, waarna er een botsing of

aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en

die bromfiets,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, met dien verstande dat het slachtoffer door de aanrijding zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Door en namens verdachte is integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat er gelet op alle feiten en omstandigheden van dit geval onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor een strafrechtelijk verwijt jegens verdachte.

3.3.

Vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Bij de beoordeling of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) komt het volgens de rechtspraak van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet valt in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onachtzaamheid. Ook uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan niet worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

Uit de tenlastelegging volgt dat verdachte wordt verweten dat hij verantwoordelijk is voor het ontstane ongeval, omdat hij de kruising van de Amerikaweg en de Boerhaavelaan is opgereden terwijl het voor zijn rijrichting bestemde verkeerslicht rood licht uitstraalde. Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte inderdaad door rood is gereden, terwijl het verkeerslicht voor het slachtoffer [slachtoffer] groen licht uitstraalde. Door het rode verkeerslicht te negeren, heeft verdachte een verkeersfout gemaakt. In die zin is het ongeval aan de schuld van verdachte te wijten.

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW, zoals primair is ten laste gelegd, is naast een schuldverwijt vereist dat sprake is van ‘aanmerkelijke schuld’ aan het ongeval, in dier voege dat de aanrijding is ontstaan door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag, hetgeen de rechtbank dient te beoordelen in het licht van de omstandigheden van het onderhavige geval.

Verdachte heeft verklaard dat hij nagenoeg zeker weet dat het verkeerslicht voor linksaf groen licht uitstraalde toen hij dat passeerde. Gelet op de hierna onder 3.4. opgesomde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat dit niet het geval was. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat het verkeerslicht voor zijn rijbaan op groen stond, maar niet goed heeft opgelet en daardoor op het verkeerslicht voor rechtdoor – dat pal naast het verkeerslicht voor linksaf is gesitueerd – heeft gereageerd. De rechtbank is van oordeel dat het enkele niet waarnemen van het rode verkeerslicht weliswaar een verkeersfout is die grote gevolgen voor het slachtoffer heeft gehad, maar deze verkeersfout acht de rechtbank onder de gegeven omstandigheden van onvoldoende gewicht voor het aannemen van ‘aanmerkelijke schuld’ in de zin van artikel 6 WVW. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte niet bewust het rode licht heeft genegeerd. Verdachte zal daarom van het primaire verwijt worden vrijgesproken.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 10 september 2013, omstreeks 13:20 uur2, reed verdachte in een personenauto (Volkswagen Golf, kenteken [kenteken]) vanuit noordelijke richting over de Amerikaweg te Haarlem. Ter hoogte van de kruising van de Amerikalaan met de Boerhaavelaan was verdachte voornemens linksaf de Boerhaavelaan in te slaan. Na stil te hebben gestaan voor het op rood staande verkeerslicht om linksaf te slaan, trok verdachte met zijn personenauto op. Ter hoogte van de kruising met het (brom)fietspad – dat parallel is gelegen aan de hoofdrijbaan – kwam de links afslaande verdachte in aanrijding met een hem vanuit zuidelijke richting tegemoetkomende bromfiets, bestuurd door [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), die rechtdoor over het (brom)fietspad reed. Verdachte reed daarbij met de rechterzijde van de voorbumper van zijn personenauto tegen het voorwiel van de bromfiets aan, waarna deze uiteindelijk met beide opzittenden omsloeg.3 [slachtoffer] heeft door het ongeval een gebroken sleutelbeen, een kleine schedelbreuk, een hersenschudding en schaafwonden opgelopen.4 Daarnaast is de bromfiets beschadigd.5

[slachtoffer] heeft verklaard dat het verkeerslicht van het (brom)fietspad groen licht uitstraalde toen hij dat passeerde.6 Verdachte stond vooraan bij het verkeerslicht om linksaf te slaan.7 [getuige 1], die achter het voertuig van verdachte stond te wachten bij de verkeerslichten, zag dat het verkeerslicht voor rechtdoor op groen sprong en het verkeerslicht voor linksaf op rood bleef staan. Deze twee verkeerslichten staan naast elkaar. Op het moment dat het verkeerslicht voor rechtdoor op groen sprong, zag hij dat verdachte door het rode verkeerslicht reed en linksaf sloeg.8 [getuige 2], die voor de verkeerslichten stond te wachten op de rijbaan in tegenovergestelde richting van verdachte, zag dat het verkeerslicht voor zijn rijbaan – rechtdoor op de Amerikaweg – op groen sprong. Toen hij de kruising op reed, zag [getuige 2] dat verdachte zijn rijbaan kruiste, waardoor hij en de auto’s om hem heen hard moesten remmen teneinde een aanrijding met verdachte te voorkomen.9 Verder is de verkeerslichtinstallatie van de onderhavige kruising zo ingericht, dat de rijrichtingen van verdachte en [slachtoffer] conflicterende fases betreffen, waardoor de verkeerslichten van beide rijrichtingen niet gelijktijdig groen licht kunnen uitstralen.10

Verdachte heeft verklaard dat het mogelijk is dat hij met zijn gedachten bij zijn partner was, omdat zij net was ontslagen.11

3.5.

Bewijsoverweging

De rechtbank acht op grond van het voorgaande voldoende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich door zijn handelen schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde overtreding. In dat verband acht de rechtbank van belang dat verdachte omstreeks 13:20 uur ’s middags door een rood verkeerslicht de kruising van de Amerikaweg en de Boerhaavelaan is opgereden en linksaf is geslagen, waardoor meerdere hem tegemoetkomende auto’s, die groen licht hadden, hard moesten remmen teneinde een aanrijding met verdachte, die hun rijbaan kruiste, te voorkomen. Door de verkeersfout van verdachte is een reële kans op een ongeval ontstaan, welk gevaar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt door de aanrijding met de bromfiets. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat sprake is van verwijtbare gevaarzetting in de zin van artikel 5 WVW.

3.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 september 2013 te Haarlem als bestuurder van een

voertuig (personenauto, merk Volkswagen, type Golf, kenteken [kenteken]), daarmee

rijdende op de weg, de Amerikaweg, ter hoogte van de kruising van

die Amerikaweg en de Boerhaavelaan,

geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod

inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd

driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, waarbij letsel aan

een persoon is ontstaan en schade aan een goed is toegebracht,

door gezien zijn rijrichting, linksaf te slaan, teneinde de Boerhaavelaan in

te rijden op een moment dat het voor zijn rijrichting bestemd verkeerslicht

rood licht uitstraalde en de bestuurder van een bromfiets, rijdende over de (brom)fietsstrook van die Boerhaavelaan, na groen licht, het kruisingsvlak van

die Boerhaavelaan en de Amerikaweg was opgereden, waarna een

aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en

die bromfiets,

door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Toepassing artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht

Bij de beantwoording van de vraag of en zo ja welke straf en/of maatregel moet worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen en uit het daar besproken adviesrapport d.d. 29 oktober 2015 van Reclassering Nederland omtrent verdachte.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 10 september 2013 een verkeersfout gemaakt. Doordat hij niet goed heeft opgelet en reageerde op het verkeerde verkeerslicht, is verdachte door het rode verkeerslicht de kruising van de Amerikalaan met de Boerhaavelaan opgereden en is daarna linksaf geslagen. Bij het kruisen van het (brom)fietspad is verdachte vervolgens in aanrijding gekomen met de bromfiets van [slachtoffer], ten gevolge waarvan [slachtoffer] een gebroken sleutelbeen, een kleine schedelbreuk, een hersenschudding en schaafwonden heeft opgelopen.

Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 verbiedt gevaarlijk gedrag in het verkeer en een eventueel op te leggen straf dient dan ook met name gerelateerd te zijn aan de mate van verwijtbaarheid, en niet aan de ernst van de gevolgen.

De rechtbank heeft verder bij haar oordeel laten meewegen dat verdachte meermalen contact heeft gezocht met het slachtoffer en dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ook is het feit dat verdachte beschikt over een blanco strafblad meegewogen, alsmede de omstandigheid dat verdachte heeft laten blijken dat het verkeersongeval een flinke impact op hem heeft gehad.

Gelet op al deze omstandigheden, in onderling verband bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat het opleggen van een straf of maatregel in deze zaak passend noch geboden is. Verdachte zal daarom wel schuldig worden verklaard, maar er zal geen straf of maatregel worden opgelegd.

7 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

bepaalt dat GEEN straf of maatregel wordt opgelegd.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. B.C. Swier, voorzitter,

mr. E.C. Smits en mr. C.A.M. van der Heijden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T. Kaandorp,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 juni 2016.

mr. B.C. Swier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal Aanrijding misdrijf d.d. 7 maart 2014 (dossierpagina 2).

3 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 21 februari 2014 (dossierpagina’s 3b, 3c en 3k).

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een Aanvraagformulier medische informatie d.d. 1 november 2013, opgesteld door: naam onleesbaar, arts (dossierpagina 11).

5 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 21 februari 2014 (dossierpagina 3i).

6 Proces-verbaal van verhoor benadeelde d.d. 16 september 2013 (dossierpagina 6a).

7 De op 10 juni 2016 ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 17 september 2013 (dossierpagina 8) en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris d.d. 15 december 2015 (los opgenomen).

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 28 oktober 2013 (dossierpagina 7).

10 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 21 februari 2014 (dossierpagina 3j).

11 De op 10 juni 2016 ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte.