Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:5889

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
C/15/240359/HA RK 16-43
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Artikel 843a analogisch van toepassing in verzoekschriftprocedure ondanks de in het artikel gebezigde term 'vorderen'. Verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533).

Blijkens dit artikel staat dit enkele feit niet in de weg aan overeenkomstige toepassing van de bepaling op verzoekschriftprocedures. De wet en de aard van de procedure verzetten zich niet tegen die toepassing.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 186
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2017/40 met annotatie van mr. J. Ekelmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie handel & insolventie

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/15/240359 / HA RK 16-43

Beschikking van 30 juni 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BAKKER SEED PRODUCTIONS B.V.,

gevestigd te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster,

verzoekster,

advocaat mr. J.A.A. van de Ven te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SYNGENTA SEEDS B.V.,

gevestigd te Enkhuizen,

verweerster,

gemachtigde mr. M. Schut te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Bakker respectievelijk Syngenta worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 10 maart 2016,

  • -

    het faxbericht van Syngenta d.d. 13 mei 2016,

  • -

    de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 19 mei 2016 en alwaar verschenen zijn: de heer [x] , directeur van Bakker, bijgestaan door mr. Van de Ven voornoemd, en de heer [y] namens Syngenta, bijgestaan door mr. V. van Druenen en mr. C. Jeloschek, kantoorgenoten van mr. Schut voornoemd,

  • -

    de pleitnota van Bakker,

  • -

    de spreekaantekeningen van Syngenta.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Syngenta heeft als bedrijfsactiviteit (onder meer) de ontwikkeling en verkoop van diverse groenterassen.

2.2.

Syngenta doet de haar in eigendom toebehorende planten eerst opkweken op Plantenkwekerij Vreugdenhil (hierna: Vreugdenhil).

2.3.

Bakker verzorgt sinds ongeveer 25 jaar op haar complex van tuinbouwkassen uitsluitend groentegewassen (komkommers, paprika’s en vooral tomaten) die eigendom zijn van Syngenta, nadat Syngenta deze door een vervoerder van Vreugdenhil naar Bakker heeft laten vervoeren.

2.4.

In 2015 is op het bedrijf bij Bakker in een vanaf Vreugdenhil bij haar geplaatste partij tomatenplanten van Syngenta een besmetting met het voor de productietomatenteelt gevaarlijke Pepinomozaiëkvirus geconstateerd (hierna: de besmetting).

2.5.

Begin september 2015 heeft Syngenta onderzoek laten uitvoeren naar de besmetting, door een bedrijf genaamd Scientia Terrae. Ook heeft Syngenta een intern team van deskundigen onderzoek laten doen naar de oorzaken van de besmetting door middel van een zogenaamde Root Cause Analysis (hierna: RCA).

2.6.

Syngenta stelt zich op het standpunt dat de bron van de besmetting bij Bakker ligt en heeft de duurovereenkomst met Bakker opgezegd. Bij e-mail van 30 oktober 2015 aan Bakker maakt [y] van Syngenta in dit verband melding van een ‘seperate risk assessment’ die tot het besluit van opzegging heeft geleid. Ook heeft Syngenta van Bakker terugbetaling verlangd van het voor de afgebroken besmette tomatenteelt reeds aan voorschotten betaalde bedrag van € 700.000,-. Bakker weigert terugbetaling.

2.7.

Bakker stelt zich op het standpunt dat voor de hand ligt dat de bron van de besmetting bij Vreugdenhil ligt. Bakker heeft Syngenta schriftelijk op 9 november 2015 en op 7 december 2015 verzocht om inzage in de test- en onderzoeksresultaten betreffende de bron van de besmetting, aan welk verzoek Syngenta niet heeft voldaan.

2.8.

Bakker heeft bij brief van 26 februari 2016 Syngenta aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van onder meer wanprestatie zijdens Syngenta bestaande uit onbevoegdelijk beëindigen van de duurovereenkomst.

3 De beoordeling

3.1.

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank:

  1. een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen;

  2. verweerster op de voet van artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) zal veroordelen tot afschrift van stukken.

ad a. voorlopig getuigenverhoor

3.2.

Bakker verzoekt als getuigen te doen horen genoemde [y] , werkzaam als ‘Lead Counsel Vegetables & Specialties’ en verder [z] , werkzaam bij Syngenta als ‘Field Production Manager-EAME-Vegetables’. Bakker wil de getuigen doen horen over wat is besproken en gewisseld tussen Syngenta en Vreugdenhil (en/of de transporteur) inzake de oorzaak van de besmetting. Verweerster verzet zich niet tegen toewijzing van het verzochte sub a.

3.3.

De rechtbank constateert dat de oorzaak van de besmetting tussen partijen in geschil is, dat bewijs van de oorzaak (mede) door getuigen toegelaten is en dat bewijs van de oorzaak van belang is voor een beslissing in een mogelijke bodemprocedure tussen partijen (ongeacht door wie van partijen een dergelijke procedure geëntameerd zou worden). Het verzoek is dus op de wet gegrond en zal worden toegewezen.

ad b. afschrift van stukken ex 843a Rv

3.4.

Bakker verzoekt bij verzoekschrift te bepalen dat Syngenta afschrift moet verstrekken van alle (al dan niet tussentijdse en concept-) onderzoeksverslagen, analyses, rapporten, e-mails, faxen, brieven, gespreksverslagen en overige notulen die betrekking hebben op:

  • -

    i) de door of vanwege Scientia Terrae uitgevoerde onderzoeken inzake de besmetting,

  • -

    ii) de RCA,

  • -

    iii) de ‘seperate risk assessment’ genoemd onder 2.6.,

  • -

    iv) teelt-technische informatie en documenten die Syngenta heeft ontvangen van Vreugdenhil inzake de teelten die bij Bakker zijn geplaatst

  • -

    v) hetgeen door of namens Vreugdenhil (en/of de transporteur) is gesteld inzake de (mogelijke) oorzaken van de besmetting en hetgeen Syngenta aan deze beide partijen heeft gesteld daaromtrent.

3.5.

Bij de mondelinge behandeling heeft Bakker haar verzoek als volgt gewijzigd. Hoewel Bakker de RCA inmiddels van Syngenta heeft ontvangen, heeft het verzoek ook betrekking op interim rapporten en tussentijdse rapporten. Voorts beperkt Bakker haar verzoek onder (iv) in die zin dat uitsluitend afschrift wordt verzocht van de teelt-technische informatie en documenten die betrekking hebben op de teelt die uiteindelijk besmet bleek te zijn. Bij het onder (v) gevorderde moet in plaats van ‘gesteld’ worden gelezen ‘geschreven’. Bakker licht haar verzoek als volgt nader toe. Het faxbericht van Syngenta is een schriftelijk stuk dat een verweer bevat en dus ingevolge het rolreglement als verweerschrift aangeduid moet worden. Dat Syngenta er voor heeft gekozen dit zeer beknopt te houden komt voor haar rekening, een herkansing komt Syngenta niet toe. Aan het procedurele verweer van Syngenta, dat een 843a-verzoek niet bij verzoekschrift gedaan zou kunnen worden, moet worden voorbij gegaan. Het enkele gebruik van het woord ‘vorderen’ in genoemd wetsartikel biedt hiervoor geen grondslag, zoals ook volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2000 (NJ 2001/259). Voorts wordt in de jurisprudentie de bepaling van artikel 843a Rv steeds meer, op gelijke voet als een voorlopig getuigenverhoor, gezien als belangrijk instrument voor waarheidsvinding. Ook aan de inhoudelijke vereisten van artikel 843a Rv is voldaan. Syngenta is niet bereid vrijwillig afschrift te verstrekken van de stukken, terwijl de stukken van belang zijn voor de beoordeling of Bakker aansprakelijk gehouden kan worden voor de besmetting. Primair meent Bakker derhalve dat het verzoek moet worden toegewezen. Subsidiair dient de procedure als dagvaardingsprocedure te worden voortgezet.

3.6.

Verweerster verzet zich tegen inwilliging van het verzoek sub b. en voert daartoe het volgende aan. Primair meent zij dat een 843a-verzoek bij dagvaarding moet worden ingesteld en het verzoek daarom niet toewijsbaar is (althans als dagvaardingsprocedure moet worden voortgezet). Subsidiair meent zij dat inhoudelijk niet aan de vereisten voor toewijzing is voldaan. Bakker heeft geen rechtmatig belang bij toewijzing. De verwachting of mogelijkheid van een procedure tussen partijen is daartoe onvoldoende. Bakker heeft met de inmiddels verstrekte RCA al voldoende informatie om zich over haar rechtspositie te beraden, zodat belang bij inzage van overige stukken is komen te vervallen. Verder is door de toe te wijzen voorlopig getuigenverhoren de behoorlijke rechtsbedeling in de zin van artikel 843a lid 4 Rv al gewaarborgd. Syngenta concludeert dat het verzoek sub b. moet worden afgewezen. Verweerster meent verder dat het verzoek te breed en ongespecificeerd is en als fishing expedition moet worden afgewezen.

procedureel

3.7.

De rechtbank stelt vast dat Syngenta gelegenheid heeft gehad verweer te voeren tegen het verzoek. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft zij schriftelijk kunnen reageren. Dit heeft zij ook gedaan door middel van genoemd faxbericht. Daarbij kan in het midden blijven of dit bericht als verweerschrift is aan te merken. Immers, zich bedienen van een verweerschrift is geen plicht maar een recht en vast staat dat Syngenta van dit recht gebruik heeft kúnnen maken. Op de mondelinge behandeling heeft zij haar weren verder kunnen uiteenzetten. Ook dit heeft zij gedaan, onder meer door middel van spreekaantekeningen. De rechtbank concludeert dat is voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor en dat de goede procesorde in acht is genomen. Dat Syngenta meldt onder protest inhoudelijk verweer te voeren – overigens zonder een verzoek tot aanhouding te doen –, maakt dit niet anders. De rechtbank zal de weren thans bespreken.

3.8.

De rechtbank oordeelt dat het bij verzoekschrift ingestelde verzoek ex artikel 843a Rv ontvangen kan worden. Hiertoe is het volgende redengevend. In de literatuur wordt wisselend gedacht over de vraag of een 843a-verzoek alleen bij dagvaarding of ook bij verzoekschrift kan worden ingesteld. Zo vermeldt Tekst & Commentaar bij artikel 843a Rv onder aantekening 10 sub e. dat het wetsartikel ook in verzoekschriftprocedures van toepassing is en dat het gebruik van het woord ‘vordering’ in het wetsartikel daaraan niet in de weg staat. Ook in het Tijdschrift voor de Procespraktijk 2013-6 neemt J.R. Sijmonsma in De Hoge Raad en het inzagerecht van artikel 843a Rv dit standpunt in. Daarentegen acht R.R. Verkerk in Commentaar op Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering art. 843a, onder aantekening C.4. voor de hand te liggen om voor artikel 843a Rv een vordering bij dagvaarding in te stellen. Het in dat commentaar genoemde argument, afkomstig uit de parlementaire geschiedenis aangaande de voorloper van artikel 843a Rv, dat de weg van de dagvaarding ook de mogelijkheid biedt een dwangsom te verbinden aan de vordering, overtuigt evenwel niet (meer). De huidige stand van het recht is dat ook in verzoekschriftprocedures een dwangsom kan worden opgelegd.

Van doorslaggevende betekenis acht de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533). Hierin wordt geoordeeld dat artikel 223 Rv analogisch van toepassing is in verzoekschriftprocedures. Net als in de bepaling van artikel 843a Rv, wordt in deze bepaling de term ‘vorderen’ gebezigd. Blijkens het arrest heeft dit enkele feit niet in de weg gestaan aan overeenkomstige toepassing van de bepaling op verzoekschriftprocedures. Daarbij is overwogen dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zich niet tegen die toepassing verzetten. De rechtbank oordeelt dat dit laatste eens te meer geldt voor de bepaling van artikel 843a Rv. Waar artikel 223 Rv staat in het deel van Rv dat expliciet handelt over de dagvaardingsprocedure (Boek 1, Titel 2, Afdeling 10), staat artikel 843a Rv niet daarin, maar in de afdeling voor “Enige bijzondere rechtsplegingen” (Boek 3, Titel 7, Afdeling 1), zodat eens te minder reden bestaat aan te nemen dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid uit te sluiten om een vordering ex artikel 843a Rv bij verzoekschrift in te stellen. Het verzoek dient dus thans inhoudelijk beoordeeld te worden.

inhoudelijk

3.9.

De rechtbank oordeelt dat is voldaan aan de wettelijke vereisten van rechtmatig belang en van hoedanigheid van partij bij de rechtsbetrekking. Voor het rechtmatig belang is het volgende van belang. Tussen partijen is in geschil of de bron van de besmetting al dan niet bij Bakker ligt, zoals Syngenta meent en Bakker bestrijdt. Naar Bakker bij de mondelinge behandeling onbestreden heeft gesteld, heeft Syngenta zeer recent Bakker terzake formeel aansprakelijk gesteld en een schadeclaim neergelegd van 2 miljoen dollar. Daarmee is reeds Bakkers rechtmatig belang gegeven bij stukken die de oorzaak van de besmetting betreffen. Met het verstrekken van de RCA is dat belang bij verdere stukken niet weggevallen. Bakker hoeft ter bepaling van haar rechtspositie geen genoegen te nemen met de verwijzing in de RCA naar andere stukken of citaten uit andere stukken, maar houdt belang bij die brondocumenten zelf. Ook leidt in dit geval toewijzing van het verzoek tot voorlopig getuigenverhoren niet tot inwerkingtreding van de uitzondering op de verplichting tot afgifte van lid 4 van artikel 843a Rv. Het belang van Bakker bij de gevraagde gegevens wordt niet reeds volledig gediend door de verhoren van de getuigen. De mogelijkheid de getuige te bevragen naar aanleiding van of over de gevraagde gegevens is een belang dat niet aan Bakker ontzegd kan worden. Behoorlijke rechtstoedeling van Bakker eist dat Syngenta afgifte niet mag weigeren met een beroep op lid 4.

3.10.

Het verzoek betreffende teelt-technische informatie en documenten die Syngenta heeft ontvangen van Vreugdenhil inzake de teelt die bij Bakker is geplaatst en uiteindelijk besmet bleek te zijn, moet worden afgewezen. Dit reeds omdat ervan moet worden uitgegaan dat deze stukken niet tot de beschikking van Syngenta staan, zoals zij onbetwist heeft aangevoerd, maar tot de beschikking van Vreugdenhil. De toelichting van Bakker bij de mondelinge behandeling, te weten dat het hier gaat om gegevens betreffende klimaatafstelling en dergelijke, doet aan het voorgaande geen afbreuk.

3.11.

Betreffende de ‘separate risk assessment’ heeft Syngenta bij de mondelinge behandeling gesteld dat deze term verwijst naar een interne bespreking en dat mogelijk - maar niet zeker - een verslag van deze bespreking is gemaakt. Indien dit verslag bestaat, oordeelt de rechtbank het verzoek op dit punt toewijsbaar. Het rechtmatig belang van Bakker is gegeven, omdat het stuk blijkens het onder 2.6. weergegeven bericht tot de opzegging heeft geleid, waarvan de besmetting het startpunt is geweest.

3.12.

De rechtbank zal ook bepalen dat afschrift verstrekt moet worden van hetgeen door of namens Vreugdenhil (en/of de transporteur) is geschreven inzake de (mogelijke) oorzaken van de besmetting en hetgeen Syngenta aan deze beide partijen heeft geschreven daaromtrent. Enerzijds heeft Syngenta niet bestreden dat dergelijke schriftelijke communicatie bestaat, zodat (vooralsnog) van het bestaan ervan wordt uitgegaan. Anderzijds kan van Bakker niet een meer bepaalde omschrijving gevergd worden, nu Syngenta op eerdere verzoeken van Bakker om stukken niet heeft gereageerd en voor Bakker niet duidelijk is kunnen worden welke stukken tot de beschikking van Syngenta staan. Bakker verzoekt enkel om stukken - te weten (al dan niet tussentijdse en concept-) onderzoeksverslagen, analyses, rapporten, e-mails, faxen, brieven, gespreksverslagen en overige notulen - die betrekking hebben op de in geschil zijnde besmetting. Het verzoek is daarmee voldoende bepaald.

3.13.

Uit al het vorenstaande volgt dat van een fishing expedition geen sprake is en van het door Syngenta (onder 3.15 van de spreekaantekeningen) enkel daaraan gekoppelde misbruik van recht evenmin. Het verzoek zal worden toegewezen als hierna onder “ad b.” vermeld en voor het overige worden afgewezen. Syngenta zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van Bakker, tot op heden begroot op € 1.523,-, bestaande uit € 619,- aan griffierecht en € 904,- (2x tarief II) aan salaris van de advocaat.

4 De beslissing

De rechtbank:

ad a.

4.1.

beveelt een voorlopig getuigenverhoor,

4.2.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Alkmaar aan Kruseman van Eltenweg 2, ten overstaan van een nader te benoemen rechter-commissaris,

4.3.

bepaalt dat verzoekster binnen twee weken na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de rekestenadministratie van de afdeling privaatrecht - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op maandagen, donderdagen en vrijdagen in de maanden augustus tot en met oktober 2016 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

ad b.

4.4.

veroordeelt Syngenta om binnen drie weken na betekening van dit vonnis aan Bakker afschrift te verstrekken van:

alle (al dan niet tussentijdse en concept-) onderzoeksverslagen, analyses, rapporten, e-mails, faxen, brieven, gespreksverslagen en overige notulen die betrekking hebben op:

  • -

    de door of vanwege Scientia Terrae uitgevoerde onderzoeken inzake de besmetting;

  • -

    de RCA;

  • -

    de ‘seperate risk assessment’, voor zover daarvan verslag is opgemaakt;

  • -

    hetgeen door of namens Vreugdenhil (en/of de transporteur) is geschreven inzake de (mogelijke) oorzaken van de besmetting en hetgeen Syngenta aan deze beide partijen heeft geschreven daaromtrent.

4.5.

wijst het verzoek voor het overige af,

ad a. en b.

4.6.

veroordeelt Syngenta in de proceskosten, aan de zijde van Bakker begroot op

€ 1.523,-.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.E. van der Veen en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2016.