Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:5851

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
04-08-2016
Zaaknummer
4775042
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte. Faillissement huurder (B.V.). Dient (ex) bestuurder hiervan mededeling te doen aan verhuurder? Geen sprake van een spreekplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2016-0291
AR 2016/2316
RVR 2016/102
prof. mr. A.W. Jongbloed annotatie in UDH:TvCu/13590

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 4775042

Uitspraakdatum: 3 augustus 2016

Vonnis in de zaak van:

[naam eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [de verhuurder]

gemachtigde: mr M.M. Kroone

tegen

[naam gedaagde]

wonende te [plaats]

gedaagde

verder te noemen: [X]

gemachtigde: mr E. Doornbos

1 Het procesverloop

1.1.

[de verhuurder] heeft bij dagvaarding van 18 januari 2016 een vordering tegen [X] ingesteld. [X] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 30 juni 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [de verhuurder] bij brieven van 23 en 28 juni 2016 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Op 21 mei 2010 is een huurovereenkomst gesloten terzake van een bedrijfsruimte in Schagen tussen de Belgische vennootschap Qimar BVBA (hierna Qimar) en [de verhuurder] . [X] heeft deze overeenkomst als directeur van Qimar getekend.

2.2.

De eerste drie maanden is de huur betaald door Qimar, doch sinds september 2010 is de huur betaald door en vanaf de bankrekening van [X] met als omschrijving “huur loods Qimar”. [X] heeft het bedrijfspand ook steeds feitelijk gebruikt.

2.3.

Bij brief van 23 maart 2015 heeft [X] de huurovereenkomst opgezegd en aangekondigd op 1 juni 2015 op te leveren.

2.4.

Per 1 juli 2015 huurt [Y] de bedrijfsruimte van [de verhuurder] tegen een lagere huurprijs.

3 De vordering

3.1.

[de verhuurder] vordert dat de kantonrechter [X] veroordeelt tot betaling van € 25.000,- en subsidiair tot betaling van € 4.750,42. Hij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [X] zonder recht en titel gebruik is blijven maken van de bedrijfsruimte nu Qimar op 19 februari 2013 failliet is gegaan. [X] had daarvan mededeling moeten doen, als bestuurder en gebruiker van de bedrijfsruimte had hij op dat punt een spreekplicht jegens [de verhuurder] . Nu hij heeft nagelaten melding te doen van dit faillissement en het pand is blijven gebruiken, is sprake van een onrechtmatige daad jegens [de verhuurder] . [de verhuurder] heeft schade geleden aangezien in 2013 een andere huurder interesse had in het pand en bereid was een hogere huur te betalen. De schade aan gemiste huurinkomsten bedraagt € 24.324,00.
Subsidiair vordert [de verhuurder] de schade die hij heeft geleden doordat [X] de bedrijfsruimte heeft gebruikt in de maanden april en mei 2015 zonder een vergoeding te betalen. Daarnaast is sprake van schade aan de overheaddeur waar [X] aansprakelijk voor is. De schade bedraagt
€ 1.974,42 .

4 Het verweer

4.1.

[X] betwist de vordering grotendeels. Hij voert aan – samengevat – dat [de verhuurder] al sinds 2013 op de hoogte is van het faillissement van Qimar. Bovendien geldt dat het faillissement van Qimar niet automatisch een einde van de huurovereenkomst met zich brengt, of betekent dat de vennootschap niet meer bestaat. Daarnaast is er geen sprake van een spreekplicht. Verder voert [X] aan dat de huurder die in 2013 interesse toonde in het pand, slechts geïnteresseerd was in het huren van een gedeelte.
Voorts betoogt [X] dat alle huurtermijnen zijn betaald, nu hij terecht overgegaan is tot verrekening van de laatste twee maanden met de borg van drie maanden huur die is betaald door Qimar. In ieder geval lijdt [de verhuurder] geen schade. [X] heeft aangegeven bereid te zijn het bedrag dat wordt gevorderd voor het herstel van de overheaddeur te betalen aan [de verhuurder] , hoewel het nog overgebleven gedeelte van de betaalde borgsom deze kosten grotendeels dekt.

5 De beoordeling

5.1.

De eerste vraag die in deze zaak beantwoording behoeft is de vraag of sprake is van een onrechtmatige daad van [X] . [de verhuurder] heeft in dat kader aangevoerd dat [X] als bestuurder van Qimar en als gebruiker van de bedrijfsruimte verplicht was [de verhuurder] op de hoogte te stellen van het faillissement van deze vennootschap. Ook verwijt [de verhuurder] [X] dat hij de curator niet op de hoogte heeft gebracht van het bestaan van de huurovereenkomst, hetgeen overigens is betwist door [X] .
Gezien het feit dat beide partijen er blijkens hun stellingen en het verhandelde ter zitting vanuit gaan dat ook in het geval van een faillissement van een Belgische vennootschap een curator wordt benoemd, en de bestuurder(s) geen rechtshandelingen meer kunnen verrichten, is de stelling van [de verhuurder] dat sprake is van een onrechtmatige daad naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende feitelijk onderbouwd en strandt deze. [de verhuurder] voert immers zelf aan dat na het faillissement [X] niet meer bevoegd was te handelen namens de vennootschap en dat wanneer de curator op de hoogte was geweest van de overeenkomst hij deze direct zou hebben opgezegd. Hieruit blijkt dat ook [de verhuurder] ervan uit gaat dat [X] niet bevoegd was om Qimar te vertegenwoordigen, en dat de huurovereenkomst niet automatisch eindigde met het faillissement. Ook heeft [de verhuurder] niet betwist het verweer van [X] dat de vennootschap nog bestaat en de huurovereenkomst door Qimar nimmer is beëindigd.

5.2.

Gezien het voorgaande kan de vraag of [X] al dan niet mededeling deed aan [de verhuurder] omtrent het faillissement van Qimar, buiten beschouwing blijven aangezien onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld door [de verhuurder] om te concluderen dat voor [X] een spreekplicht bestond zoals [de verhuurder] beweert. Ook indien zou komen vast te staan dat [de verhuurder] in de periode na het faillissement aan [X] een verzoek zou hebben gedaan –hetgeen is betwist door [X] - om de huurovereenkomst met Qimar tussentijds te beëindigen zodat hij aan een derde partij kon gaan verhuren tegen een hogere huurprijs, kan dat feit geen spreekplicht in het leven roepen voor [X] .

5.3.

De conclusie is dat de kantonrechter de primaire vordering van [de verhuurder] zal afwijzen.

5.4.

De subsidiaire vordering is gebaseerd op de stelling dat [X] voor de maanden april en mei 2015 een (schade)vergoeding verschuldigd is ter hoogte van twee maal de maandelijkse huur. [X] heeft aangevoerd dat hij gerechtigd was deze te verrekenen met de door Qimar gestorte borgsom ter hoogte van drie maanden huur en voorts dat [de verhuurder] – gezien de betaalde borgsom – geen schade lijdt. In de dagvaarding betwist [de verhuurder] dat [X] gerechtigd is tot verrekening met de door Qimar aan [de verhuurder] betaalde borgsom, aangezien schuldeiser en schuldenaar verschillende juridische entiteiten zijn. Eerst ter zitting heeft [de verhuurder] het standpunt ingenomen dat deze borg nimmer is betaald. Gezien het feit dat in de dagvaarding de betaling door Qimar van de borgsom uitdrukkelijk is erkend, zal de kantonrechter aan dat standpunt voorbijgaan. Weliswaar voert [de verhuurder] in de akte van 30 juni 2016 aan dat in de brief van de advocaat van [de verhuurder] van 31 maart 2015 reeds is aangegeven dat geen borg is voldaan, deze brief dateert van vóór de dagvaarding en met deze brief wordt duidelijk bedoeld dat door [X] geen borg is voldaan, hetgeen door [X] ook niet wordt betoogd.
Nu [de verhuurder] bij aanvang van de huurovereenkomst een borgsom ter hoogte van drie maanden huur heeft ontvangen van Qimar, kan inderdaad zoals [X] stelt zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet worden vastgesteld dat [de verhuurder] schade lijdt als gevolg van het feit dat [X] over twee maanden geen vergoeding heeft betaald. Dit gedeelte van de subsidiaire vordering zal daarom worden afgewezen.

5.5.

[de verhuurder] heeft tenslotte gevorderd dat [X] wordt veroordeeld tot betaling van € 1.974,42 inclusief BTW. Dit bedrag is gebaseerd op een offerte voor de reparatie van de overheaddeur. Aangezien [X] ter zitting uitdrukkelijk heeft aangegeven dit bedrag aan [de verhuurder] te willen betalen, zal de kantonrechter dit gedeelte van de vordering toewijzen. Nu dit bedrag is onderbouwd met een offerte, zal de kantonrechter de wettelijke rente toewijzen met ingang van twee weken na betekening van dit vonnis, omdat ervan uitgegaan moet worden dat deze kosten door [de verhuurder] nog niet zijn gemaakt.

5.6.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [X] tot betaling aan [de verhuurder] van € 1.974,42 inclusief BTW te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf twee weken na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr A.E. Merkus en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter