Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:5816

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
18-07-2016
Zaaknummer
C/15/243452 / KG ZA 16-367
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige uitingen op Facebook. De voorzieningenrechter acht de wijze waarop genoemde uitlatingen zijn gedaan zeer grievend voor eiseres. Gevorderde verboden toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/243452 / KG ZA 16-367

Vonnis in kort geding van 29 juni 2016

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M. Verkijk te [woonplaats] ,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.J.E.J. Coenraad te Zandvoort.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 15 juni 2016 alwaar [eiseres] is verschenen, bijgestaan door mr. Verkijk, voornoemd. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door mr. F. Pardaan, vervangende mr. Coenraad voornoemd.

  • -

    de pleitnota van mr. Verkijk

  • -

    de pleitnota van mr. Pardaan.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 26 mei 2003 te [huwelijksplaats] , gehuwd.

2.2.

Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen:
- [kind1] , geboren op [geboortedatum, -plaats] ;

- [kind2] , geboren op [geboortedatum, -plaats] ;

- [kind3] , geboren op [geboortedatum, -plaats] .

2.3.

[kind2] en [kind1] hebben hun gewone verblijfplaats bij de moeder. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

2.4.

[kind3] is op [datum] overleden.

2.5.

Op [datum] is [eiseres] op de luchthaven van [plaats] , aangehouden met hasj en cocaïne in haar bagage.

2.6

Op [datum] heeft [gedaagde] onder de naam [Naam] op een openbaar Facebook-profiel de volgende berichten geplaatst:

“Het kind werd gedood en de moordenaar is nog steeds vrij om de geneugten van het leven te genieten”

en:

“toen heb ik gezien dat de vrouw wil dat het kind dood gaat. En ik heb het tegen de huisarts verteld. De huisarts heeft de vrouw toen opgeroepen. Ik was daar ook bij. En hij heeft het ook tegen de vrouw verteld dat het kind dood kan gaan door dat ze hem op de buik laat slapen. En toch deed ze het tot dat het kind dood is gegaan. Ik weet ook wel waarom wilde zij dat het kind dood moet gaan en ik heb aangifte van gemaakt. Duurt te lang met onderzoek bij de politie. Genoeg bewijs dat ze het kind dood gemaakt”.

2.7

Op [datum] heeft [gedaagde] onder de naam [Naam] op een openbaar Facebook-profiel de volgende berichten geplaatst:

“daarbij ze is in behandeling bij een psychiater en zij neemt van him medicijnen, dus…”.

en:

“daarbij Klager heeft op [datum] bij het Politiebureau aangifte gedaan tegen zijn ex-vrouw verder te noemen “de vrouw”, terzake van doodslag/moord op zoontje geboren [datum] en overleden [datum] ”

en:

“Daarbij is de vrouw vorig jaar in [plaats] aangehouden met drugs en wordt zij in [plaats] vervolgd voor drugssmokkel”

en:

“In begin van vorige jaar heb ik verteld dat ik wil scheiden omdat mij vrouw heeft druk in huis met mannen voor seks tegen geld terwijl dat wij twee kinderen hebben en ik heb iedereen laten weten dat mij kinderen doen raar ik bedoel daar mee dat mij kinderen zien en ook doen mee met mij ex vrouw met wat zij doet gewoon seks met mannen zij gebruikt gewoon de kinderen om geld te verdienen van de mannen die zij in huis haalt. Toen heeft … (onleesbaar) gezegd dat het niet kan zo en werk in huis waar rond om bewoners en kinderen wonen

Vorige week toen de rechtzetting voorbij was hoorden ik iets anders dat het wel kan een bedrijf in huis”.

2.8

Bij brief van [datum] heeft de Districtsrecherche van de politie [Politie] – voor zover van belang – het volgende aan [gedaagde] geschreven:

(…)

Op [datum] heeft u bij de politie aangifte gedaan van doodslag, dan wel moord, gericht op uw zoon [kind3] in [jaar]

(…)

Wegens het ontbreken van aanwijzingen met betrekking tot een misdrijf is de beslissing genomen deze aangifte niet verder in behandeling te nemen. (…)

2.9

Op [datum] heeft [gedaagde] onder de naam [Naam] op een openbaar Facebook-profiel het volgende bericht geplaatst:

“Begrijp dit – hoe lang het ook duurt, de belofte van God moet uitgevoerd worden.

Integendeel. Wij treffen de onzin met de waarheid waarmee hij dan verbrijzeld wordt”.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - [gedaagde] te gebieden de onrechtmatige gedragingen te staken en gestaakt te houden in die zin dat [gedaagde] noch mondeling, noch schriftelijk, noch via mail en/of social media beschuldigingen uit jegens [eiseres] en/of haar kinderen dan wel anderszins kwetsende en grievende teksten uit en/of plaatst op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000,- voor elke keer dat gedaagde zich niet aan het in deze te wijzen vonnis houdt, kosten rechtens.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] vordert staking van de onder de feiten (nr 2) opgesomde uitingen omdat zij onwaar, zeer kwetsend, grievend en daarmee onrechtmatig zijn. [eiseres] verwijst daarbij naar de delictsomschrijving van artikel 261 Sr – opzettelijke aanranding van iemands eer of goede naam, te kwalificeren als ‘smaad’ – waar de gebezigde uitingen in passen en waarmee de onrechtmatigheid is gegeven. Zo beschuldigt [gedaagde] [eiseres] niet alleen van drugssmokkel, maar stelt hij ook dat zij verantwoordelijk zou zijn voor het overlijden van [kind3] . De voorzieningenrechter acht de wijze waarop genoemde uitlatingen zijn gedaan zeer grievend voor [eiseres] . [gedaagde] heeft daarover zware beschuldigingen geuit aam het adres van [eiseres] ten aanzien van het overlijden van hun zoon [kind3] , waar [gedaagde] overigens ter zitting het vaderschap van heeft ontkend zonder dat eerder met [eiseres] te hebben besproken. [gedaagde] heeft voorts geen enkel bewijs aangedragen voor zijn beschuldigingen. Vaststaat dat op [datum] de districtsrecherche van de politie [Politie] de beslissing heeft genomen om de aangifte van [gedaagde] niet verder in behandeling te nemen wegens het ontbreken van aanwijzingen met betrekking tot een misdrijf.

Ook het van de zijde van [gedaagde] overgelegde “proces-verbaal delict” van de [plaats] Douanedienst ter zake van de vermeende door [eiseres] begane drugssmokkel kan niet tot een ander oordeel leiden. Gelet op het ter zitting verhandelde kan niet worden uitgesloten dat het [gedaagde] zelf is geweest die de drugs in de koffer van [eiseres] heeft gestopt en de douane van de luchthaven [plaats] hiervan op de hoogte heeft gesteld, zoals [eiseres] ter zitting heeft betoogd. Ook het gegeven dat [eiseres] niet in hechtenis is genomen op de [plaats] luchthaven hoewel er verdovende middelen in haar koffer zijn gevonden, geeft aan dat de luchthavenautoriteiten daar niet de noodzaak van inzagen.

4.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vormt de door [gedaagde] geuite bedreiging dat de belofte van God moet worden uitgevoerd een escalatierisico, hetgeen gelet op de huidige problematiek gestopt moet worden. [eiseres] heeft nog aangevoerd dat het verwijt dat [gedaagde] gemaakt kan worden ernstiger wordt door het gegeven dat hij zich tevens het Facebook-account van [kind1] , de dochter van partijen, heeft toegeëigend. Dit feit maakt dat de gedragingen van [gedaagde] ook schadelijk zijn voor zijn eigen kinderen. Het verweer van [gedaagde] dat [eiseres] niet hoeft te kijken op zijn openbare Facebook-pagina en – naar de voorzieningenrechter begrijpt – de berichten van [eiseres] niet hoeft te lezen, treft kant noch wal. [gedaagde] stelt daarbij dat hij het account alleen gebruikt om in contact te blijven met zijn familieleden in het buitenland. Ook die stelling is steekhoudend noch begrijpelijk. [gedaagde] haalt daarmee de onrechtmatigheid van zijn gedragingen op geen enkele manier weg. Ter zitting heeft [gedaagde] erkend dat de gedane uitlatingen verkeerd zijn geweest. Daarbij heeft [gedaagde] toegezegd dat hij het gehele Facebook-account van [kind1] zal schonen en verwijderen.

4.3.

Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gedane uitingen als onrechtmatig dienen te worden beschouwd en derhalve niet toelaatbaar zijn. Ter zitting heeft [gedaagde] gesteld dat alle uitingen inmiddels van Facebook verwijderd zijn. Nu dit van de zijde van [eiseres] gemotiveerd is betwist, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vorderingen van [eiseres] dienen te worden toegewezen. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat ter zitting is besproken dat de enige manier om de door [gedaagde] op de beide accounts (die van zijn dochter [kind1] en het account onder de naam van [Naam] ) gedane uitingen, alleen verwijderd kunnen worden door het account zelf in zijn geheel te verwijderen van Facebook. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat [gedaagde] beide accounts zal verwijderen.

4.4.

Gelet op de ernst van de onrechtmatige uitlatingen zal de gevorderde dwangsom worden toegewezen. Deze zal worden beperkt als volgt.

4.5.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 96,01

- griffierecht 79,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 991,01

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt [gedaagde] de onrechtmatige gedragingen als omschreven in 2.6., 2.7., en 2.9. van dit vonnis te staken en gestaakt te houden op de manier zoals omschreven als in 4.3, in die zin dat [gedaagde] noch mondeling, noch schriftelijk, noch via e-mail en/of social media beschuldigingen uit jegens [eiseres] en/of haar kinderen dan wel anderszins kwetsende en grieven teksten uit en/of plaatst,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor iedere keer dat hij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 20.000,- is bereikt,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 991,01,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Stefels en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier I.B. Dinkelaar op 29 juni 2016.1

1 type: 736coll: