Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:5714

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-07-2016
Datum publicatie
19-10-2020
Zaaknummer
AWB - 15 _ 637
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omkering van de bewijst: blh heeft over het in geding zijnde jaar geen administratie overgelegd, doch heeft zich beperkt tot blote stellingen waarom volgens hem het door verweerder vastgestelde belastbaar inkomen te hoog is. Eiser heeft hiermee hoogstens enige twijfel gezaaid over door verweerder ingenomen standpunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 15/637 en 15/871

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juli 2016 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.125 (inkomen € 60.000 en te verrekenen verliezen € 38.775). Bij beschikking is een verzuimboete opgelegd van € 226.

Verweerder heeft aan eiser een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd op basis van een bijdrage-inkomen van € 60.000.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag ib/pvv 2012 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.225 (inkomen € 40.000 en te verrekenen verliezen € 38.775) en de boete verminderd tot € 49.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag Zvw 2012 verminderd tot een uitgaande van een bijdrage-inkomen van € 40.000.

Eiser heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2015 te Haarlem.

Eiser is verschenen, alsmede zijn gemachtigde [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] .

De rechtbank heeft op 8 augustus 2015 een stuk van eiser ontvangen. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

Bij brief van 14 augustus 2015, door de rechtbank ontvangen op 29 maart 2016, heeft verweerder op de brief van eiser van 8 augustus 2015 gereageerd. Deze brief is aan eiser doorgezonden.

Op 1 juli 2016 heeft een nader onderzoek ter zitting plaatsgevonden.

Eiser is verschenen, bijgestaan door [A] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is in 2007 gestart met een juwelierszaak in [C] , met de naam [D] . Op 28 januari 2011 heeft een overval op de juwelierszaak plaats gevonden. In verband daarmee is aan eiser in 2011 door de verzekeringsmaatschappij [E] U.A. een schadevergoeding ten bedrage van € 39.187,50 ex BTW uitgekeerd.

Ten tijde van de overval vertegenwoordigde de handelsvoorraad een inkoopwaarde van

€ 120.000.

Eiser heeft in de loop van de maand januari 2012 zijn activiteiten met betrekking tot de juwelierszaak in [C] beëindigd.

2. In het derde kwartaal van 2012 is eiser onder de naam [F] een eenmanszaak gestart in de [G] in [H] .

3. Verweerder heeft eiser bij brief van 28 februari 2013 uitgenodigd tot het doen van aangifte ib/pvv 2012. Op 19 juli 2013 is een herinneringsbrief verzonden en met dagtekening 22 augustus 2013 heeft verweerder een aanmaning verstuurd waarin eiser in de gelegenheid is gesteld uiterlijk 5 september 2013 aangifte 2013 te doen.

4. Omdat geen aangifte 2012 werd ontvangen, heeft verweerder ambtshalve een aanslag ib/pvv over 2012 opgelegd.

Geschil
6. In geschil is de hoogte van het vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning.

7. Eiser heeft stukken overgelegd waaruit volgt dat de schadevergoeding van de verzekering in het jaar 2011 is ontvangen. Niet in geschil is dat deze vergoeding niet in het in geding zijnde jaar 2012 kan worden belast.

8. Verweerder beroept zich op omkering en verzwaring van de bewijslast nu eiser voor het in geding zijnde jaar geen aangifte heeft gedaan.

Verweerder stelt dat eiser niet overtuigend heeft aangetoond dat de uitspraak op bezwaar onjuist is en wijst daartoe op de volgende punten:

- Volgens de bankgegevens over de maanden juli-september 2012 is sloopgoud verkocht voor een bedrag van € 79.339. De inkoopwaarde van het sloopgoud is volgens de door eiser verstrekte gegevens gelijk aan de inkoopwaarde, hetgeen niet aannemelijk is aangezien een aanzienlijke marge pleegt te worden gemaakt op sloopgoud.

- Niet bekend is uit welke middelen eiser de inkoopwaarde van het sloopgoud heeft betaald, aangezien eiser volgens de bij de Belastingdienst bekende gegevens niet over middelen beschikte deze te betalen. Dit doet vermoeden dat in de periode tot 10 september 2012 met activiteiten winst is behaald die niet is verantwoord door eiser.

- De vervangingswaarde van de handelsvoorraad van eiser bedroeg blijkens het schaderapport van de verzekeringsmaatschappij per 28 januari 2011 € 120.000. In 2011 zou volgens de gegevens van eiser een bruto-omzet zijn behaald van € 39.359 en als eindvoorraad ultimo 2011 is door eiser een bedrag van nihil vermeld. Op basis hiervan concludeert verweerder dat de jaarstukken 2011 en 2012 niet correct zijn daar verkoop van een belangrijk deel van de op 28 januari 2011 aanwezige handelsvoorraad nadien niet is verantwoord.

- Het eigen vermogen van de onderneming in [H] is van de start tot ultimo 2012 negatief en ook uit de aangifte 2012 blijkt van een verlies. Blijkens de bankafschriften van de [I] bank zijn per saldo gelden voor privédoeleinden onttrokken aan de onderneming, zodat een positief resultaat moet zijn behaald.

- Gelet op het te hanteren brutowinstpercentage en de waarde van de inkopen, acht verweerder het geschatte belastbaar inkomen van € 40.000 niet te hoog.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

10. Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) - voor zover hier van belang - is een ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte gehouden aangifte te doen door de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de AWR wordt met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, de aangifte gedaan bij de inspecteur binnen een door hem gestelde termijn van tenminste een maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte.

11. Niet in geschil is dat eiser eerst in de bezwaarfase, op 13 oktober 2014, aangifte ib/pvv 2012 heeft gedaan. Evenmin wordt door eiser bestreden dat verweerder eiser heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte. Hieruit volgt dat niet is voldaan aan de verplichting zoals geformuleerd in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de AWR. Dit betekent dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De rechtbank zal daarom overeenkomstig artikel 27e van de AWR het beroep ongegrond verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de bestreden uitspraak onjuist is. Het is derhalve aan eiser om overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de (bij de bestreden uitspraak gehandhaafde) correcties van verweerder onjuist zijn.

12. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Eiser heeft over het in geding zijnde jaar geen administratie overgelegd, doch heeft zich beperkt tot blote stellingen waarom volgens hem het door verweerder vastgestelde belastbaar inkomen te hoog is. Eiser heeft hiermee hoogstens enige twijfel gezaaid over door verweerder ingenomen stellingen en standpunten, maar daarmee hij heeft hiermee niet overtuigend aangetoond dat de uitspraak op bezwaar onjuist is.

13. Het ambtshalve vaststellen van de omvang van de inkomsten - met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast - ontslaat verweerder evenwel niet van de verplichting de aanslag te baseren op een redelijke schatting en daartoe de nodige feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken (Hoge Raad 28 maart 2003, nr. 38.039, ECLI:NL:HR:AF6486).

14. De rechtbank overweegt dat blijkens de tot de gedingstukken behorende bankafschriften de opbrengst van de verkoop van sloopgoud in 2012 € 79.339 heeft bedragen. Eiser heeft dienaangaande geen winst verantwoord terwijl aannemelijk is dat hierop een winst kan worden gemaakt. Ook heeft eiser geen inzicht gegeven in de herkomst van (het inkoopbedrag van) het sloopgoud. De enkele verklaring van de zuster van eiser dat het goud afkomstig is uit een erfenis acht de rechtbank niet toereikend. In het licht van de overige onduidelijkheden die de jaarstukken 2011 en 2012 van eiser oproepen - met name het feit dat de inkoopwaarde van de voorraden de dag vóór de overval in januari 2011

€ 120.000 bedroeg, hetgeen niet valt niet de rijmen met de door eiser verantwoorde omzet over 2011 en 2012 -, is de rechtbank van oordeel dat de schatting van verweerder van een belastbaar inkomen van € 40.000, niet willekeurig is.

15. De omstandigheid dat de verzekeringsuitkering aanvankelijk door verweerder mede was genoemd ter onderbouwing van de redelijke schatting en nu is komen vast te staan dat deze uitkering buiten de heffing in 2012 valt, maakt niet dat de schatting daardoor onredelijk of willekeurig is. Verweerder heeft voldoende aangevoerd ter onderbouwing van de schatting van € 40.000 en had deze punten overigens ook al in een eerder stadium van de procedure naar voren gebracht, voordat bekend werd dat de schadevergoeding niet aan het jaar 2012 moet worden toegerekend. Niet kan worden gezegd dat verweerder hiermee heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of een van de andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

16. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

Bij deze uitkomst van de procedure heeft de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.