Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:5562

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-05-2016
Datum publicatie
07-07-2016
Zaaknummer
C/15/231068 / HA ZA 15-581
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Geen overeenkomst tot stand gekomen tussen eiseres en gedaagde strekkende tot overgang C1000 supermarkt naar Albert Heijn supermarkt. Geen voldoende bepaalbaar aanbod. Geen sprake van onrechtmatig door gedaagde afgebroken onderhandelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/231068 / HA ZA 15-581

Vonnis van 11 mei 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] FOOD B.V.,

gevestigd te Enschede,

eiseres,

advocaat mr. R.A.M. Schram te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALBERT HEIJN FRANCHISING B.V.,

gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad,

gedaagde,

advocaat mr. drs. A.M.A. Canta te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] Food en AHF genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 oktober 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 maart 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] Food exploiteerde sinds 2005 een supermarkt onder de C1000 formule aan de [adres]. Zij deed dat op basis van een zogenoemde “formule-overeenkomst” met C1000 (voorheen Schuitema Groothandel B.V.) De winkelruimte waarin [eiseres] Food haar supermarkt dreef, huurde zij van Schuitema Vastgoed B.V. en vervolgens van C1000 Vastgoed B.V.

2.2.

Eind 2011 heeft Jumbo Groep Holding B.V. met de aandeelhouder van C1000 overeenstemming bereikt over de overname van C1000.

2.3.

Ingevolge een besluit van de Nederlandse Mededingingsautoriteit van 21 februari 2012 was het Jumbo niet toegestaan om alle verworven C1000 vestigingen volgens haar formule te gaan exploiteren. Gelet daarop zou een deel van de C1000 supermarkten worden doorgeleid naar Ahold, waarvan AHF een onderdeel is, of naar Coop.

2.4.

De supermarkt van [eiseres] Food in Enschede is ingevolge het voorgaande terecht gekomen op de lijst van vestigingen waarvan overgang naar Ahold werd beoogd.

2.5.

Bij brief van 23 augustus 2012 heeft Ahold aan [eiseres] Food laten weten: “Zoals u weet is er tussen Ahold en Jumbo overeenstemming bereikt ten aanzien van de overgang van 82 C1000/Jumbo locaties. U bent ondernemer van de winkel in het bovengenoemde pand. Inmiddels is de transactie afgerond. Dit betekent, gelet op de transactiestructuur, dat de locatie per 14 augustus 2012 aan u wordt verhuurd door Valk Vastgoed II BV. Dit is een concernvennootschap van Koninklijke Ahold N.V. en een dochteronderneming van Ahold Europe Real Estate & Construction B.V. Dit staat geheel los van de voorgenomen overgang naar de Albert Heijn formule. Hierover wordt u zeer binnenkort nader geïnformeerd. (…)”

2.6.

Op 18 september 2012 heeft een eerste gesprek tussen [eiseres] Food en AHF over overgang naar de Albert Heijn formule plaatsgevonden. Daarbij zijn aan [eiseres] Food overhandigd een vestigingsplaatsonderzoek van juli 2012, een lange termijn prognose (LTP) met toelichting van 14 september 2012 en een standaard franchiseovereenkomst.

2.7.

Op 11 maart 2013 is tussen AHF en de Vereniging C1000 (een vereniging van franchisenemers van de C1000 formule) een overgangsregeling gesloten. Daarin staat onder meer:
(…) Overwegingen

(A) In aansluiting op de overname door Jumbo Groep Holding B.V. van C1000, heeft Koninklijke Ahold N.V. of een aan haar gelieerde vennootschap (hierna gezamenlijk Ahold) met C1000 een overeenkomst gesloten op grond waarvan AH de verhuurrechten met betrekking tot 78 C1000 vestigingspunten van C1000 heeft overgenomen. Voorts heeft AH daarbij de inspanningsverplichting op zich genomen om met de C1000 ondernemers die de desbetreffende C1000 supermarkten exploiteren (Ondernemers) tot overeenstemming te geraken ter zake van een nieuw af te sluiten franchise overeenkomst (FO).
(B) In het licht daarvan wensen partijen in deze overeenkomst raamwerk afspraken vast te leggen waaronder Ondernemers kunnen overgaan naar de AH formule (de Overeenkomst of inhoudelijk de Overgangsregeling).
(C) Als uitgangspunt voor de Ondernemer voor de Overgangsregeling geldt dat (i) de Ondernemer onder de AH Formule op basis van een realistisch haalbaar en genormaliseerd exploitatieprofiel (gecorrigeerd voor buitengewone baten en lasten en gecorrigeerd voor Marktomstandigheden) en (ii) het eigen vermogen van de Ondernemer vijf jaar na de overgang naar de C1000 Formule gelijk is aan het eigen vermogen voor het moment van overgang (gecorrigeerd voor de onverdeelde winst en privémutaties).
(D) Als uitgangspunt voor AH voor de Overgangsregeling geldt dat de Ondernemer onder de AH formule op basis van het bijbehorend verdienmodel vastgelegd in een Lange Termijn Plan (LTP) in staat wordt gesteld een extern financierbare AH winkel te exploiteren, rekening houdend met de regelingen in deze overeenkomst.
(…)


2. De overeenkomst
2.1. Deze overeenkomst behelst een raamwerk van afspraken waarop door iedere individuele Ondernemer jegens AH een beroep kan worden gedaan in het kader van de overgang naar AH. In dat opzicht dienen de bepalingen in deze Overeenkomst ten aanzien van de individuele Ondernemer te worden beschouwd als een derdenbeding, met dien verstand dat iedere Ondernemer vrij is om te bepalen of en zo ja onder welke voorwaarden hij bereid is over te gaan naar AH.
2.2. Deze regeling verplicht geen enkele Ondernemer bij voorbaat om mee te werken aan een overgang naar AH. Iedere Ondernemer zal, onder het voorbehoud van het bereiken van overeenstemming tussen hem en AH, individueel en overeenkomst met AH sluiten waarbij ruimte is voor individueel passend maatwerk in aanvulling op of afwijking van de in deze overeenkomst neergelegde afspraken. (…)

In de overeenkomst is voorts bepaald dat aan iedere ondernemer de standaard franchise overeenkomst zou worden aangeboden, waarop individuele aanpassingen mogelijk waren en dat per vestiging een LTP zou worden opgesteld waarin onder meer de exploitatie- en investeringsbegroting was opgenomen. Door AHF te verstrekken commerciële bijdrages, ombouwbijdrages en overige bijdrages alsmede de hoogte daarvan, waren onder meer afhankelijk van de cijfers uit het LTP.

2.8.

Op 5 april 2013 heeft een tweede gesprek plaatsgevonden. Een derde gesprek heeft op 6 juni 2013 plaatsgevonden. In het gespreksverslag daarvan staat onder meer: (…) De ondernemer heeft geen behoefte om op voorhand een vervolg gesprek te plannen om de gesprekken met betrekking tot de huidige locatie voort te zetten. De ondernemer wil de ontwikkelingen afwachten en zal als hij de tijd daar rijp toe acht contact met AHF opnemen omtrent een vervolg gesprek. (…)” Een eerstvolgend gesprek tussen [eiseres] Food en AHF heeft op 29 augustus 2014 plaatsgevonden.

2.9.

Bij e-mail van 22 oktober 2014 heeft AHF aan [eiseres] Food een concept aanbieding gezonden. In de e-mail staat onder meer: “(…) Ik ga er vanuit dat er nog het nodige te bespreken valt om tot een definitieve aanbieding te komen. In elk geval zijn dan financiële gegevens van de exploitatie BV zoals jaarcijfers (2013) en een tussentijdse rapportage (periode 8 2014) noodzakelijk. Ik hoop dat er ook zo snel mogelijk duidelijkheid komt mbt de vastgoedzaken, zodat we daar in de aanbieding ook rekening mee kunnen houden. (…)”

2.10.

In reactie daarop heeft [eiseres] Food bij brief van 14 november 2014 laten weten: “(…) Vanzelfsprekend staan we er voor open om (verder) met U in gesprek te gaan omtrent (de voorwaarden voor) het aangaan van een Albert Heijn franchiseovereenkomst. (…) Hoewel we bereidwillig zijn om (verder) met u in gesprek te gaan over de maatwerkafspraken, geven we er de voorkeur aan om de gesprekken met Albert Heijn op te schorten (…)”

2.11.

Daarop heeft AHF op 19 november 2014 aan [eiseres] Food bericht: “(…) Op 22 oktober 2014 hebben wij u een aanbiedingsbrief gestuurd voor het aangaan van een Albert Heijn franchiseovereenkomst, u heeft op 14 november j.l. schriftelijk te kennen gegeven dat u vooralsnog niet (verder) in gesprek wenst te gaan over de voorwaarden voor een overeenkomst. Wij respecteren dat besluit, echter in eerdere gesprekken hebben wij aangegeven dat de tijd voor het ombouwproces, van aanloop en voorbereiding tot ombouw, ruim 30 weken is.
Gezien het feit dat Jumbo heeft aangegeven dat de C1000 formule na het tweede kwartaal 2015 niet langer ondersteund wordt, willen wij u graag de mogelijkheid geven om alvast de voorbereidingen voor een ombouwproces op te starten en deze voorbereidingen voorlopig los te koppelen van de gesprekken over een Franchiseovereenkomst. (…)”

[eiseres] Food is hiermee akkoord gegaan.

2.12.

Op 4 december 2014, 6 en 27 januari 2015 hebben partijen wederom met elkaar gesproken over de ombouw van de vestiging van [eiseres] Food naar een Albert Heijn filiaal. Daarbij zijn meerdere onderwerpen aan de orde gekomen. In het gespreksverslag van 27 januari 2015 staat: “(…) De aanbieding is verwoord in de toelichting op de LTP. Dit is nog een praatplaatje waarvoor wij nog geen mandaat van de directie hebben. De Lening van AHF hebben wij opgenomen omdat wij inschatten dat financiering van de investeringen (mede gezien de huidige ontwikkelingen en uitkomsten van de LTP) wel eens moeilijk kunnen worden. (…)”

2.13.

In het gespreksverslag van 19 februari 2015 is vermeld dat bij een volgende bespreking op 12 maart 2015 onder meer aan de orde zullen komen:
“(…) Status en voortgang van het project, gesprekken en onderhandelingen (…)
- Uitgangspunten/contouren voor een aanbieding/overeenkomst (…)
- Plannen afspraak voor het ondertekenen van de contractstukken. (…)”

2.14.

In reactie daarop heeft [eiseres] Food op 20 februari 2015 laten weten: “(…) Zoals reeds eerder gemeld zal er niet eerder ondertekend (als er al getekend wordt) kunnen worden wanneer de problematiek met C1000 niet is opgelost. (…) De optie om het te verkopen aan Jumbo komt dan ook steeds vaker bij mij op. (…) Ik wil nogmaals benadrukken dat de druk die bij mij ligt voor mij als zeer groot wordt ervaren. Ik wens geen beslissingen te nemen onder deze omstandigheden. Ik laat mij niet onder druk zetten. U kunt een planning maken wat u wilt. (…)”

2.15.

Op 10 maart 2015 heeft AHF een aangepaste LTP met toelichting aan [eiseres] Food gestuurd. [eiseres] Food bleek zich daarin niet te kunnen vinden. De adviseur van [eiseres] Food heeft op 12 maart 2015 onder meer aan AHF geschreven: “(…) We verschillen van mening over de uitgangspunten van dit LTP en hierna is toegelicht de aanpassen/wijzigingen met de argumentatie. (…) Conclusie is dat de exploitatie een te hoog risicoprofiel heeft. Een oplossingsrichting is m.i. om de door AH te verstrekken achtergestelde lening als bijdrage in de eerste 5 jaar te verstrekken. (…)”

2.16.

Daarop heeft AHF op 18 maart 2015 onder meer laten weten: “(…) Zoals in ons laatste gesprek gesteld willen wij gaarne inzicht in de actuele ontwikkeling (….). De instuwing marge 2014 onder de C1000 formule bedraagt 28,7% van de goederen omzet en 26,9% gerealiseerd. In de LTP is dit 26% (27,5% minus 1,5%). De dering is gezien de lagere omzet druk en type klant taakstellend (maar is met een goed beheer van de winkel haalbaar). Hooguit wil ik die voor de jaren 1 en 2 met 0,2% verhogen om de winkel te laten intrillen. (…)
In de LTP hebben wij een OPWU ingezet van € 173 en deze is haalbaar. In jr. 1 hebben wij de OPWU verlaagd met ca. 3% naar € 167 gemiddeld per jaar (en betekent dat de winkel in het jaar van opening geleidelijk groeit naar een OPWU van € 173. De door jouw gestelde OPWU van € 160k deel ik niet (dat zou een onvoldoende voorbereiding, opleiding en aansturing van de winkel organisatie impliceren). (…)
Ik ga (gezien vorenstaande) niet mee in jouw opstelling om de loonkosten te verhogen. (…) Voor de overige kosten (waaronder de energiekosten) wil ik niet afwijken van de standaard bedragen uit de LTP berekening. (…) Dit betekent dat in de huur geen rekening is gehouden met de door de ondernemer gewenste uitbreiding van de winkel met meters van het gordijn atelier. (…) Daarbij speelt dat de inhuur door REC hoger ligt dan de verhuur aan de ondernemer (bedrag van € 65k per jaar sinds de overname van het huurcontract. De huur per meter ligt onder marktwaarde waarbij REC nog in overweging heeft al dan niet een huuraanpassingsprocedure op te starten. De afschrijvingskosten en rentekosten in jouw opstelling zijn afwijkend van die in de LTP.
De balanspositie is niet overeenkomstig mijn opstelling in de LTP, zoals;
* Actief in aanbouw: dit zijn ontwikkelkosten voor de relokatie propositie en hebben niets met de exploitatie van de winkel te maken (en dienen derhalve te worden voorzien ten laste van de huidige exploitatie daar de inbaarheid van deze post betwistbaar is). Ik wil daarom dat deze post uit de begin balans positie gaat.
* de voorraadpositie is hoger dan in de LTP (en dat is mogelijk gezien de lage omzetdruk) maar dan wordt ook het leverancierskrediet meer dan evenredig hoger(heb ik je al eerder uitgelegd).
* de lening van ING van € 37 laat jij staan maar die wordt in jr 1 afgelost
* de transitorische posten heb ik lager opgenomen (betaald) omdat die erg hoog zijn (het lijkt mij zinvol de opbouw van deze post toe te lichten.
Ergo: ik wil gaarne dat er wordt gestart met een schone balanspositie (…). De door jouw berekende kredietbehoefte ligt daardoor ca. € 200k hoger dan berekend in mijn LTP. Jouw voorstel is om de door AHF te verstrekken lening van € 550k te kwijten over de jaren 1 tem 5. Wij gaan hiermee niet akkoord. (…)
Wij hebben via REC begrepen dat de ondernemer de opening van de winkel wil verschuiven naar wk 34 (en de winkel dan einde wk 31 sluit.) De (eventuele) konsekwenties van dit esluit zijn niet aan AHF. Wel wil ik aangegeven dat daarbij de boekwaarde lager zal zijn en daarmee de desinvestering bijdrage lager (mede gezien enkele geactiveerde posten). Wij zullen uiterlijk volgende week een getekende overeenkomst (minimaal een door de ondernemer ondertekende verklaring) met de ondernemer dienen te hebben willen Format/REC kunnen doorwerken aan het projekt. (…)”

2.17.

Op 20 maart 2015 hebben C1000 en [eiseres] Food een beëindigingsovereenkomst gesloten, waarin staat: “(…) De ondernemer ontvangt van C1000 op de eerstvolgende weekfactuur na feitelijke Closing en beëindiging van de C1000 exploitatie een eenmalige – niet aan derden overdraagbare – vergoeding ter hoogte van € 450.000,- (…). C1000 zegt deze vergoeding toe onder de voorwaarde dat de ondernemer voor 23 maart 2015 24.00 uur definitief akkoord heeft met (een groepsmaatschappij van) Koninklijke Ahold N.V. over het aangaan van een franchise en leveringsovereenkomst. (…)”

2.18.

Bij e-mail van 20 maart 2015 heeft AHF aan [eiseres] Food laten weten: “(…) Maandag 23 maart einde dag zal ik telefonisch een reactie geven op het verzoek om het aanbod van AHF aan te passen. Het verzoek houdt in en overstijgt het directie mandaat fors:
1. Geen huurverhoging (behoudens reguliere indexering) gedurende de looptijd van de FO tot 2026
2. Renteloze lening ad 550K omzetten in een lening van 350K en een lening met kwijting van 200K, te kwijten in 10 jaar.
Uitgangspunten: toelichting LTP dd 10-3-2015, ombouw binnen de bestaande muren en uiterlijk week 29 2015.
Tevens bevestig ik hierbij dat dit uitstel nog (net) past in ons tijdspad voor een eventuele migratie van C1000 Theo [eiseres] naar Albert Heijn. (…)”

2.19.

Bij e-mail van 21 maart 2015 heeft Jumbo aan [eiseres] Food geschreven: “(…) Om misverstanden te voorkomen wil ik je er op wijzen dat ons aanbod van 400 k slechts geldt in geval van onvoorwaardelijke overeenstemming en tijdige overgang naar AH. Als er voor morgen geen akkoord met Ahold wordt bereikt, komt ons aanbod te vervallen en kan [eiseres] er in de toekomst geen rechte meer aan ontlenen. (…)”

2.20.

Op 23 maart 2015 heeft de adviseur van [eiseres] Food aan AHF geschreven: “(…) Na intensief overleg met [eiseres], kan ik je mededelen dat hij akkoord gaat met de transitie naar AH. Dit op basis van de laatste opgestelde LTP d.d. 10 maart 2015, met toelichting. En de aanpassingen in de onderstaande ondersteunende mail van [A.]. Met deze uitgangspunten kunnen de stukken definitief opgemaakt worden ter ondertekening door [eiseres]. Het is een moeizaam proces van beide kanten geweest, met dan toch de positieve afronding. (…)”

2.21.

Daarop heeft AHF op 24 maart 2015 aan [eiseres] Food geschreven: “(…)De inhoud van jouw e-mail verbaasde mij enigszins nu ik Jeroen gisterenmiddag heb laten weten dat wij na intern overleg geen aanleiding zien om jullie aanvullende voorwaarden te accepteren. Zowel het voorgaande als het feit dat er eveneens over een groot aantal zaken geen overeenstemming is, is de aanleiding om te concluderen dat er tussen partijen geen deal is. Wij hebben C1000/Jumbo hierover inmiddels geïnformeerd. (…)”

2.22.

In reactie daarop heeft de adviseur van [eiseres] Food aan AHF bericht: “(…) De aanvullende voorwaarden heb ik afgelopen week eerst met je afgestemd met het verzoek om er na te kijken en te bezien of er intern draagvlak voor is te krijgen, de terugkoppeling gisteren hebben we geaccepteerd. Ook de overige voorwaarden waarover geen overeenstemming was zoals, exclusiviteitsgebied, geen uitbreiding van de huidige m2, pick-up point, en overige zaken hebben we hebben we geaccepteerd. Voor alle duidelijkheid, we zijn nog steeds in onderhandeling. De conclusie om te concluderen dat er tussen partijen geen deal is te voorbarig en onjuist. (…)”

2.23.

Bij brief van 3 april 2015 heeft [eiseres] Food AHF gesommeerd om uiterlijk 9 april 2015 te bevestigen dat haar supermarkt zou worden omgevormd naar de Albert Heijn formule, bij gebreke waarvan zij AHF aansprakelijk hield voor de door haar te lijden schade.

2.24.

Korte tijd later heeft [eiseres] Food overeenstemming bereikt met Jumbo over de ombouw van de supermarkt naar de Jumbo formule. Bij brief van 27 mei 2015 heeft Jumbo aan [eiseres] Food geschreven: (…) Betreft: bevestiging van gemaakte afspraken (d.d. 15 en 21 april 2015) (…) Bij deze feliciteren wij u met u besluit inzake de ombouw van uw C1000 supermarkt, gelegen te Enschede aan de Burgemeester van Veenlaan nr. 100 naar de Jumbo supermarktformule. (…) Onderstaand bevestigen wij hetgeen wij met u zijn overeengekomen tijdens de gesprekken d.d. 15 en 21 april 2015 (…)”

3 De vordering

3.1.

[eiseres] Food vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
I. (primair) verklaart voor recht dat:
i. er tussen [eiseres] Food en AHF een overeenkomst tot stand is gekomen tot ombouw van de C1000 supermarkt van [eiseres] naar de Albert Heijn formule;
ii. AHF te kort is geschoten in de nakoming van deze overeenkomst;
iii. deze overeenkomst ontbonden is;
iv. deze overeenkomst is omgezet in een schadevergoedingsplicht.
II. (subsidiair) verklaart voor recht dat AHF schadeplichtig is wegens het onrechtmatig afbreken van onderhandelingen.
III. verklaart voor recht dat AFH ingevolge één of meer van voornoemde gedragingen aansprakelijk is voor de daardoor geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat.
IV. AHF veroordeelt tot vergoeding van:
a. de buitengerechtelijke kosten van deze procedure;
b. de proceskosten;
c. de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiseres] Food aan dat na langdurige onderhandelingen over de overgang van de door hem geëxploiteerde C1000 supermarkt naar een Albert Heijn supermarkt, door aanvaarding van het aanbod van AHF een overeenkomst tussen partijen is ontstaan. Nu AHF ondanks sommaties heeft nagelaten uitvoering te geven aan deze overeenkomst, is AHF gehouden de daaruit voor [eiseres] Food voortvloeiende schade te vergoeden. Subsidiair voert [eiseres] Food aan dat, voor zover er tussen partijen al geen volledige overeenstemming bestond, het AHF, gelet op het vergevorderde stadium waarin deze zich bevonden, niet meer vrij stond om de onderhandelingen af te breken, zodat AHF uit dien hoofde aansprakelijk is voor de door [eiseres] Food als gevolg hiervan geleden schade.

4 Het verweer

4.1.

AHF betwist de vordering. Zij voert daartoe het volgende aan. AHF heeft nooit een definitief aanbod aan [eiseres] Food gedaan, laat staan dat laatstgenoemde enig aanbod heeft aanvaard. Partijen hebben langdurig onderhandeld over een overgang van de C1000 supermarkt naar een Albert Heijn supermarkt, maar hebben daarover nooit definitieve overeenstemming bereikt. Op het moment waarop volgens [eiseres] Food die overeenstemming zou zijn bereikt, waren partijen het over meerdere (essentiële) voorwaarden volstrekt niet eens.
Van onrechtmatige afbreking van onderhandelingen is evenmin sprake. Er is nimmer sprake geweest van constructieve gesprekken tussen partijen en [eiseres] Food heeft er dan ook niet op mogen vertrouwen dat partijen tot overeenstemming zouden komen.
Voor zover op AHF al enige aansprakelijkheid zou rusten, geldt dat [eiseres] Food geen schade heeft geleden: binnen een week na het afbreken van de onderhandelingen tussen partijen, was [eiseres] Food al met Jumbo tot overeenstemming gekomen.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank zal eerst beoordelen of tussen [eiseres] Food en AHF een overeenkomst strekkende tot de overgang van de C1000 supermarkt van [eiseres] Food naar een Albert Heijn supermarkt tot stand is gekomen.
Daarbij geldt als uitgangpunt dat een overeenkomst wordt gesloten door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Onder een aanbod kan worden verstaan: een voorstel tot het sluiten van een overeenkomst dat voldoende bepaald is en waaruit blijkt van de wil van de aanbieder om in geval van aanvaarding gebonden te zijn.

5.2.

Vast staat dat partijen gedurende een langere periode (anderhalf jaar) meerdere keren bij elkaar zijn geweest om de betreffende overgang te bespreken, dat zij daarover hebben gecorrespondeerd en dat zij schriftelijke stukken hebben uitgewisseld. Deze onderhandelingen vloeiden voort uit de overname van C1000 door Jumbo. Aangezien wegens een besluit van de NMA niet alle C1000 vestigingen door Jumbo geëxploiteerd mochten gaan worden, had AHF zich verbonden om een deel van de C1000 winkels, waaronder die van [eiseres] Food, na verkregen instemming van de betreffende franchisenemer om te bouwen naar de Albert Heijn formule. Aangezien de exploitanten van de C1000 vestigingen niet gedwongen konden worden om over te gaan naar de Albert Heijn formule en die overgang de nodige kosten voor hen zouden meebrengen, moest met iedere individuele C1000 franchisenemer overeenstemming worden bereikt. Dit komt ook tot uitdrukking in artikel 2 van de Overgangsregeling die tussen AHF en de Vereniging C1000 tot stand is gekomen.

5.3.

Blijkens die zelfde Overgangsregeling kreeg iedere C1000 franchisenemer de standaard franchiseovereenkomst aangeboden en gold de voor iedere vestiging door AHF op te stellen LTP als vertrekpunt voor de overgang. Partijen moesten vervolgens eerst overeenstemming bereiken over de LTP, waarna de hoogte van de door AHF te verstrekken bijdrages kon worden bepaald. Conform de Overgangsregeling heeft AHF op 18 september 2012 bedoelde stukken overgelegd. Een aanbod in de in r.o. 5.1. bedoelde zin heeft zij daarmee niet gedaan: de stukken dienden als basis voor de verdere onderhandelingen. Dat blijkt ook wel uit de omstandigheid dat AHF op 22 oktober 2014 een concept aanbieding heeft gedaan, waarbij zij heeft vermeld dat zij, alvorens een definitieve aanbieding te kunnen doen, nog nadere informatie van [eiseres] Food moest ontvangen. Ook deze aanbieding was dus geen aanbod in de in r.o. 5.1. bedoelde zin, nog daargelaten dat [eiseres] Food in reactie hierop heeft laten weten de gesprekken te willen opschorten. Toen de onderhandelingen werden voortgezet, heeft AHF op 27 januari 2015 een aanbieding gedaan waarbij zij heeft vermeld dat het ging om een “praatplaatje” waarvoor zij geen mandaat van de directie had. Hieruit volgt dat ook toen geen sprake was van de wil van AHF om bij aanvaarding gebonden te zijn.

5.4.

Volgens [eiseres] Food moet de e-mail van AHF van 18 maart 2015, in combinatie met de mail van 22 oktober 2012 en de eerder toegezonden LTP en franchiseovereenkomst worden aangemerkt als een aanbod dat door [eiseres] Food is aanvaard en daarom tot een overeenkomst heeft geleid. Zoals uit het voorgaande volgt, kunnen de vóór 18 maart 2015 toegezonden e-mails en stukken op zich zelf niet als een definitief aanbod van AHF worden beschouwd. De e-mail van 18 maart 2015 maakt dat niet anders. Die e-mail is een reactie op een e-mail van de adviseur van [eiseres] Food van 10 maart 2015, waarin laatstgenoemde met zoveel woorden aangeeft dat partijen van mening verschillen over de uitgangspunten van de LTP. In de e-mail van 18 maart 2015 gaat AHF in op de door [eiseres] Food voorgestelde wijzigingen. Op sommige onderdelen worden die wijzigingen afgewezen (bijvoorbeeld: (…) Ik ga (gezien vorenstaande) niet mee in jouw opstelling om de loonkosten te verhogen.(…) Jouw voorstel is om de door AHF te verstrekken lening van
€ 550k te kwijten over de jaren 1 tem 5. Wij gaan hiermee niet akkoord. (…)),
terwijl op andere punten kennelijk nog nader overleg noodzakelijk is (bijvoorbeeld: (…) Hooguit wil ik die voor de jaren 1 en 2 met 0,2% verhogen om de winkel te laten intrillen.(…) de voorraadpositie is hoger dan in de LTP (en dat is mogelijk gezien de lage omzetdruk) maar dan wordt ook het leverancierskrediet meer dan evenredig hoger). Over meerdere punten is derhalve nog onduidelijkheid, waardoor de e-mail niet voldoet aan het vereiste van “voldoende bepaalbaarheid”. Bovendien ziet de e-mail alleen op de LTP en niet op de overige onderdelen van de beoogde overgang van C1000 naar Albert Heijn formule, zoals het exclusiviteitsgebied, de inhoud van de franchiseovereenkomst, de hoogte van de exploitatiebijdrage en commerciële bijdrage die AHF eventueel aan [eiseres] Food zou verstrekken en de debiteurenstand van [eiseres] Food. De e-mail van 18 maart 2015 kan daarom niet worden beschouwd als een aanbod dat voldoende bepaalbaar is en dat de strekking had om AHF bij aanvaarding ervan door [eiseres] Food, te binden.

5.5.

Naar het oordeel van de rechtbank is dat ook niet het geval indien de e-mail van 18 maart 2015 wordt gecombineerd met de eerder gezonden stukken en e-mails zoals door [eiseres] Food is betoogd. Zoals gezegd, dienden de toegezonden LTP en standaard franchiseovereenkomst alleen maar als uitgangspunten voor de verdere onderhandelingen, hetgeen ook is bevestigd in de begeleidende correspondentie. Pas als partijen het eens zouden zijn over de LTP, kon AHF aan [eiseres] Food een (definitief) aanbod doen aangaande de door haar te leveren bijdragen. Daarvan is het niet gekomen en een dergelijk aanbod kan niet worden afgeleid uit de e-mail van 18 maart 2015.

5.6.

De conclusie is dan ook dat daar waar AHF nooit een aanbod heeft gedaan dat voldoende bepaalbaar was en de strekking had om haar bij aanvaarding ervan te binden, er van aanvaarding door [eiseres] Food leidende tot een overeenkomst ook geen sprake kan zijn. [eiseres] Food heeft desgevraagd ook onvoldoende duidelijk kunnen maken over welke punten zij overeenstemming had met AHF, anders dan dat partijen het er volgens haar over eens waren dat de supermarkt van [eiseres] Food zou worden ingericht conform het Albert Heijn concept. [eiseres] Food heeft echter desgevraagd onvoldoende kunnen aangeven onder welke voorwaarden de supermarkt zou worden omgebouwd naar het Albert Heijn concept en onder welke voorwaarden [eiseres] Food de winkel zou gaan exploiteren. Dat betekent dat van een overeenkomst tussen partijen geen sprake is geweest, zodat alle op die veronderstelde overeenkomst gebaseerde vorderingen zullen worden afgewezen.

5.7.

Subsidiair heeft [eiseres] Food aangevoerd dat het AHF gelet op het stadium van de onderhandelingen niet meer vrij stond de onderhandelingen te staken, althans dat zij dit niet kon doen zonder de kosten die [eiseres] Food had gemaakt, voor haar rekening te nemen. Ook die grondslag kan niet leiden tot toewijzing van de vordering en daartoe is het volgende redengevend.

5.8.

Uitgangpunt is dat aansprakelijkheid voor afgebroken onderhandelingen niet snel kan worden aangenomen. Als “strenge en tot terughoudendheid nopende” maatstaf heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij.

5.9.

[eiseres] Food heeft in dat verband aangevoerd dat zij er gelet op de publiek gemaakte verplichting van AHF om 78 C1000 winkels, waaronder die van [eiseres] Food, om te bouwen naar de Albert Heijn formule, steeds vanuit is gegaan dat partijen uiteindelijk tot overeenstemming zouden komen. De onderhandelingen hebben zich, nadat AHF in de herfst van 2014 een concreet en uitgewerkt schriftelijk voorstel had gedaan, toegespitst op de LTP en op het moment dat AHF de onderhandelingen afbrak, waren partijen het op enkele details na, eens. [eiseres] Food heeft er verder op gewezen dat het wegzakken van de C1000 formule, het naderende einde van die formule, de omstandigheid dat AHF verhuurder van de winkelruimte van [eiseres] Food was geworden en het plotselinge afbreken van de onderhandelingen als bijzondere omstandigheden die het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar maken, moeten worden beschouwd. AHF heeft deze stellingen gemotiveerd betwist.

5.10.

De rechtbank oordeelt als volgt. Partijen hebben weliswaar langdurig onderhandeld, maar van soepele onderhandelingen waarbij partijen elkaar steeds dichter hebben genaderd, lijkt geen sprake te zijn geweest. [eiseres] Food heeft de onderhandelingen meerdere keren opgeschort en heeft nog vlak voor het afbreken daarvan door AHF, aangegeven dat zij zich niet onder druk wilde laten zetten en dat zij overwoog de winkel aan Jumbo te verkopen. Een overgang naar de Albert Heijn formule lag in de gegeven omstandigheden weliswaar voor de hand, maar een overgang naar een andere formule was niet uitgesloten. Dat blijkt ook wel uit het feit dat [eiseres] Food kort na het afbreken van de onderhandelingen door AHF met Jumbo tot overeenstemming is gekomen. Het door [eiseres] Food gestelde vertrouwen heeft zij naar het oordeel van de rechtbank ook niet kunnen afleiden uit het stadium waarin de onderhandelingen zich bevonden. Zoals eerder overwogen, waren partijen het over de LTP, die de basis moest vormen voor de verdere onderhandelingen, nog niet eens geworden, laat staan over andere essentialia.

5.11.

Ook de verdere door [eiseres] Food genoemde omstandigheden kunnen niet tot de conclusie leiden dat het afbreken van de onderhandelingen door AHF onaanvaardbaar was. Dat de C1000 formule op korte termijn zou ophouden te bestaan en daarvoor al aan kracht verloor, is een omstandigheid die AHF niet regardeert en waarmee [eiseres] Food al vanaf de overname van C1000 door Jumbo in 2012 rekening mee moest houden. De omstandigheid dat AHF verhuurder van de door [eiseres] Food geëxploiteerde winkel was geworden, stond en staat aan een exploitatie volgens een andere supermarkt formule niet in de weg. Van een plotsklaps afbreken van de onderhandelingen zoals door [eiseres] Food betoogd, is geen sprake. Uit de door [eiseres] Food kort voordien verzonden e-mails volgt immers dat zij zelf weinig vertrouwen in een samenwerking met AHF had, dat zij zich onder druk gezet voelde en dat zij overwoog aan Jumbo te verkopen. Daar komt bij dat [eiseres] Food na een lang traject van onderhandelingen die nog niet hadden geleid tot enige overeenstemming, op of omstreeks 20 maart 2015 twee nieuwe voorwaarden stelde die voor AHF niet aanvaardbaar waren. Dat AHF onder die omstandigheden geen vertrouwen meer had in verdere onderhandelingen, is niet verwonderlijk. Uit de reactie van AHF blijkt dat de e-mail van [eiseres] Food van 23 maart 2015, met de mededeling dat akkoord wordt gegaan met de transitie naar AH, verbazing wekte en niet valt uit te sluiten dat, zoals ook betoogd door AHF, deze berichtgeving aan AHF vooral lijkt te zijn ingegeven doordat het aanbod van Jumbo om bij overgang naar AHF een bedrag van € 450.000,-, althans € 400.000,- aan [eiseres] Food te betalen, die dag zou vervallen.

5.12.

De conclusie is dan ook dat van onrechtmatig door AHF afgebroken onderhandelingen geen sprake is. [eiseres] Food heeft er niet op kunnen of mogen vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen en de overige door haar aangevoerde omstandigheden maken het afbreken van de onderhandelingen door AHF niet onaanvaardbaar. Veelzeggend in dit verband is ook dat [eiseres] Food na het afbreken van de onderhandelingen niet heeft aangedrongen op voortzetting daarvan, maar jegens AHF uitsluitend aanspraak heeft gemaakt op schadevergoeding en spoorslags met Jumbo een overeenkomst heeft gesloten.

5.13.

[eiseres] Food heeft voorts nog betoogd dat ook als AHF de onderhandelingen gelegitimeerd zou hebben afgebroken, AHF dan in elk geval aansprakelijk is voor de door [eiseres] Food gemaakte kosten. AHF heeft de grondslag voor die aansprakelijkheid niet nader toegelicht. Voor zover zij heeft bedoeld te verwijzen naar de onder r.o. 5.10 aangevoerde omstandigheden, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder 5.11 heeft overwogen: AHF was in de gegeven omstandigheden gerechtigd de onderhandelingen af te breken ook zonder vergoeding van de door [eiseres] Food gemaakte kosten, als daarvan überhaupt al sprake is geweest nu de betreffende kosten vermoedelijk ook gemaakt zijn ten behoeve van de wel geslaagde overgang naar Jumbo.

5.14.

De conclusie van het voorgaande is dat ook de subsidiaire grondslag niet slaagt. Daarmee stranden ook de vorderingen onder III (betreffende de aansprakelijkheid voor schade) en IV (betreffende de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten). De vordering zal worden afgewezen.

5.15

[eiseres] Food zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van AHF worden begroot op:

- griffierecht 3.864,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punt × tarief € 2.580,00)

Totaal € 9.024,00

5.16

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal eveneens worden toegewezen op na te melden wijze.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [eiseres] Food in de proceskosten, aan de zijde van AHF tot op heden begroot op € 9.024,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.3.

veroordeelt [eiseres] Food in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] Food niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk, mr. M. Goedhuis en mr. M.C. Schenkeveld en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2016.1

1 type: coll: