Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:5388

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
C/15/241629 / HA RK 16-62
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoeksters zijn niet-ontvankelijk in hun wrakingsverzoek, omdat de wraking niet tijdig is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr]28 juni 2016

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/241629 / HA RK 16-62

Beslissing van 28 juni 2016

op het verzoek tot wraking ingediend door:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEUS EX MACHINA (D.E.M.) B.V.

gevestigd te Haarlem,

verzoekster,

advocaat mr. M.J. Geus,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JKS HOLDING B.V.

gevestigd te Haarlem,

verzoekster,

advocaat mr. M.J. Geus,

en

de stichting

STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR D.E.M.

gevestigd te Haarlem,

verzoekster,

advocaat mr. W.E. Pors.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. D.P Ruitinga, mr. J.J. Dijk en mr. M.M. Kruithof,

hierna te noemen: de rechters.

Verzoeksters zullen afzonderlijk worden aangeduid met DEM, JKS en STAK.

1 Procesverloop

1.1

Verzoeksters hebben op 5 april 2016 schriftelijk de wraking verzocht van de rechters in de bij deze rechtbank, afdeling privaatrecht, sectie Handel & Insolventie, locatie Haarlem, aanhangige zaak met als zaaknummer / rolnummer C/15/205972 / HA ZA 13-418, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2

De rechters hebben niet in de wraking berust en hebben, ieder afzonderlijk, schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3

Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 16 juni 2016. Verzoeksters, de rechters en de wederpartij in de hoofdzaak ( [eiser] ) zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeksters zijn verschenen. Voorts is verschenen mr. Ruitinga. De wederpartij in de hoofdzaak is eveneens verschenen. Mr. Dijk en mr. Kruithof hebben van de gelegenheid om te worden gehoord, met bericht, geen gebruik gemaakt.

2 De feiten

2.1

In de hoofdzaak heeft [eiser] onder andere gevorderd dat de rechtbank (I) JKS en DEM zal veroordelen tot overname van de aandelen van [eiser] en [eiser] zal veroordelen tot levering van die aandelen aan JKS en DEM tegen gelijktijdige betaling door JKS en DEM aan [eiser] van de door de rechtbank vast te stellen prijs en (II) één of meer deskundigen zal benoemen die schriftelijk bericht zullen uitbrengen over de prijs.

2.2

Bij tussenvonnis in de hoofdzaak van 9 juli 2014 heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:

4.12.

Gelet op het voorgaande zal het onder I gevorderde worden toegewezen en zal de rechtbank conform artikel 2:343 lid 2 BW juncto artikel 2:339 BW een deskundigenbericht gelasten, zoals gevorderd onder II. (…)

4.13.

Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen, alsmede over de methode die als meest geëigende waarderingsmaatstaf zou moeten worden gehanteerd en over de peildatum.

2.3.

Bij tussenvonnis in de hoofdzaak van 25 maart 2015 heeft de rechtbank [deskundige] tot deskundige benoemd. Nadien heeft diverse correspondentie plaatsgevonden, onder meer correspondentie tussen verzoeksters en de rechtbank, waarin verzoeksters de rechtbank onder andere hebben verzocht, “het debat over de persoon van de deskundige te heropenen” en tussentijds hoger beroep open te stellen tegen het tussenvonnis van 25 maart 2015. De rechtbank heeft beide verzoeken afgewezen.

2.4.

Op 21 januari 2016 heeft de deskundige een “opdrachtbevestiging” met als bijlage algemene voorwaarden naar verzoeksters gestuurd met het verzoek deze (ter acceptatie) te ondertekenen. Bij brief van 2 februari 2016 aan de deskundige heeft mr. Geus namens DEM en JKS gereageerd. In deze brief heeft mr. Geus opmerkingen gemaakt ten aanzien van de opdrachtbevestiging en bezwaar gemaakt tegen een aantal door de deskundige gestelde voorwaarden, met name met betrekking tot de beperking van de aansprakelijkheid. Deze brief is in kopie aan de rechtbank gestuurd.

2.5.

Bij brief van 22 februari 2016 heeft de griffier van de rechtbank het volgende aan mr. Geus geschreven:

“Wij ontvingen een kopie van uw brief van 2 februari 2016 aan [deskundige] , die in deze zaak door de rechtbank tot deskundige is benoemd. Wij vroegen de deskundige om een reactie, die wij bij e-mail van 16 februari 2016 ontvingen. Kopie daarvan gaat hierbij.

Wij stellen vast dat u na onze brieven van 22 december 2015 en 8 januari 2016 onverminderd bezwaren blijft opwerpen, mogelijk met de bedoeling het uitbrengen van een deskundigenrapport zoveel mogelijk te vertragen of zelfs geheel onmogelijk te maken. Uit voornoemd e-mail bericht van de deskundige kan worden afgeleid dat handhaving van uw bezwaren tegen de algemene voorwaarden van de deskundige ertoe zal leiden dat de deskundige zal besluiten niet tot uitvoering van zijn opdracht over te gaan. Voor het geval dat inderdaad gebeurt, wijzen wij u erop dat de rechtbank dan zal vaststellen of dat besluit aan de weigerachtige opstelling van uw cliënt(en) is toe te schrijven. In het bevestigende geval, dient u ermee te rekenen dat de rechtbank daaraan de gevolgen zal verbinden, die haar geraden voorkomen. Dat zal kunnen betekenen dat een tussenvonnis wordt gewezen waarin wordt overwogen dat i) door uw toedoen geen deskundigenrapport is verkregen, ii) het zinloos moet worden geacht nog een deskundige aan te zoeken, en iii) ieder van partijen nog een akte mag nemen, waarna de rechtbank in beginsel eindvonnis zal wijzen met bepaling van de waarde van de aandelen in DEM per 15 januari 2012 op basis van de bij vonniswijzing beschikbare informatie.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank partijen nog tot 1 april 2016 in de gelegenheid met de deskundige tot overeenstemming te komen over de voorwaarden waarop de deskundige het beoogde onderzoek kan gaan verrichten. Voor het geval het onderzoek inderdaad alsnog doorgang kan vinden, tekent de rechtbank reeds thans aan dat zodra haar door de deskundige te kennen wordt gegeven dat de voortgang van het onderzoek door één van partijen onredelijk wordt vertraagd, zij kan besluiten dat het onderzoek moet worden afgebroken, met vervolgens mogelijk de hiervoor van i) tot en met iii) genoemde stappen.

De opstelling van mrs. Geus en W.E. Pors heeft reeds thans aan de zijde van [eiser] tot het maken van extra kosten geleid waarmee bij een eventuele proceskostenveroordeling in deze procedure rekening zal worden gehouden.

Wij zullen van de deskundige wel van het verdere verloop vernemen.”

2.6.

Bij brief van 8 maart 2016 heeft mr. Geus – voor zover hier van belang – het volgende aan de rechtbank geschreven:

“Hierbij reageer ik namens JKS Holding BV en Deus Ex Machina (D.E.M.) BV, hierna kortweg aan te duiden met "DEM c.s." op uw brief van 22 februari 2016.

Uw brief heeft mij verbaasd. [deskundige] is bij tussenvonnis van uw rechtbank van 25 maart 2015 (“het Tussenvonnis”) benoemd als deskundige als bedoeld in artikel 2:343 lid 2 BW juncto de artikelen 2:339 BW en 194 t/m 199 Rv. De juridische grondslag voor zijn benoeming is daarmee duidelijk en afdoende. Uit de wet volgt op geen enkele wijze dat er naast deze grondslag nog een andere juridische grondslag nodig is voor de benoeming van de deskundige.

[…]

Zoals bekend is DEM c.s. het niet eens met het eerste tussenvonnis van uw rechtbank van 9 juli 2014 over een verplichting tot het uitkopen van [eiser] als aandeelhouder. […]

Desalniettemin zullen DEM c.s. loyaal medewerking verlenen aan de uitvoering van het deskundigenonderzoek op grond van artikel 194 Rv en het dictum van het Tussenvonnis. Tot meer zijn DEM c.s. echter niet gehouden.

[…]

Het zijn dus niet DEM c.s. die eisen stellen aan de deskundige, het is juist de deskundige die zonder juridische grond eisen stelt aan DEM c.s. Bovendien zijn deze eisen hetzij onbegrijpelijk en onuitvoerbaar, hetzij onaanvaardbaar, het laatste onder meer waar het de volledige uitsluiting van aansprakelijkheid jegens DEM c.s. betreft.

[…]

Hiermee staat dan ook reeds op voorhand vast dat, indien [deskundige] weigert zijn benoeming te aanvaarden, dit niet kan worden toegeschreven aan enige weigerachtige houding van DEM c.s. […]

Een tussenvonnis waarin geoordeeld zou worden dat door toedoen van DEM c.s. geen deskundigenrapport te verkrijgen zou zijn, behoort dan ook niet tot de mogelijkheden.

Uw rechtbank stelt DEM c.s. nog tot 1 april a.s. in de gelegenheid om met [deskundige] tot overeenstemming te komen over de door hem gestelde voorwaarden om zijn benoeming te aanvaarden en het beoogde onderzoek te doen. Deze mededeling van uw rechtbank is naar de mening van DEM c.s. buiten de orde. Voor een verplichting voor de gedaagde om voorwaarden van een deskundige te aanvaarden, zoals opgenomen in de kernbepalingen en de algemene voorwaarden van de “opdrachtbevestiging”, bestaat als gezegd geen juridische grond. DEM c.s. houden zich en zullen zich houden aan de wet en het Tussenvonnis.

[…]”

2.7.

Bij brief van 15 maart 2016 heeft de griffier van de rechtbank het volgende aan mr. Geus geschreven:

“Uw brief van 8 maart 2016 werd in goede orde ontvangen. […]

U schrijft dat DEM c.s. loyaal medewerking zullen verlenen aan de uitvoering van het deskundigenonderzoek op grond van artikel 94 Rv en het dictum van het tussenvonnis van 25 maart 2015. U voegt daaraan toe dat DEM c.s. tot meer niet zijn gehouden. Evenwel bepaalt artikel 20 lid 2 Rv dat partijen tegenover elkaar verplicht zijn onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen. Daarnaast bepaalt lid 1 van artikel 20 dat de rechter waakt tegen onredelijke vertraging van de procedure en zonodig op verzoek van een partij of ambtshalve maatregelen treft.

Van Uw reeds eerder besproken brief van 2 februari 2016 aan de deskundige kan bezwaarlijk worden gezegd dat de deskundige deze had behoren op te vatten als een uitnodiging/voorstel gezamenlijk te bezien op welke voet de deskundige zijn opdracht zou kunnen gaan uitvoeren. Dat heeft de deskundige in zijn reactie van 16 februari 2016, waarvan U bij brief van 22 februari 2016 een afschrift is toegezonden, ook duidelijk tot uitdrukking gebracht. Vervolgens hebben DEM c.s.

klaarblijkelijk niets meer ondernomen om met de deskundige tot een werkbaar vergelijkbaar te komen. Het mag zo zijn dat U

van mening bent dat van DEM c.s. niet kan worden gevergd met bepaalde voorwaarden in te stemmen, loyaal kan de opstelling van DEM c.s. naar het oordeel van de rechtbank op dit moment nog niet worden genoemd. En het gaat nu allemaal te lang duren. DEM c.s. heeft tot 1 april 2016 de gelegenheid met de deskundige alsnog tot overeenstemming te komen over de voorwaarden waarop de deskundige het onderzoek kan gaan verrichten.

Wij zullen van de deskundige wel van het verdere verloop vernemen.

[…]”

2.8.

Bij brief van 5 april 2016 hebben verzoeksters het wrakingsverzoek ingediend. In deze brief staat onder meer:

“Directe aanleiding voor deze wraking is de gang van zaken rond de opdrachtbevestiging en algemene voorwaarden van de deskundige, in welk kader de huidige zetel van de Rechtbank Noord-Holland aan DEM cs een buitengewoon onredelijk ultimatum heeft gesteld, dat op 1 april 2016 afliep. Aanvankelijk konden DEM cs niet vaststellen welke rechter of rechters hiervoor verantwoordelijk waren. Dat is echter opgehelderd in een brief van de waarnemend voorzitter van de Rechtbank Noord-Holland van 1 april 2016.”

3 De beoordeling

3.1

Alvorens het wrakingsverzoek inhoudelijk te beoordelen, moet de wrakingskamer ambtshalve beoordelen of het verzoek tot wraking tijdig is gedaan. Ingevolge artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die ertoe aanleiding geven aan de verzoekende partij bekend zijn geworden. Deze rechtsregel brengt mee dat niet mag worden getalmd met het indienen van een wrakingsverzoek en dat het verzoek moet worden gedaan zo spoedig mogelijk na het bekend worden van deze feiten en omstandigheden. Uit het verzoekschrift en de toelichting daarop ter zitting blijkt dat de directe aanleiding voor de wraking is gelegen in het ultimatum dat de rechtbank aan verzoeksters heeft gesteld om tot overeenstemming te komen met de deskundige over de voorwaarden en de daarbij in het vooruitzicht gestelde mogelijke “sancties”.

3.2

De wrakingskamer stelt vast dat zowel het gewraakte ultimatum van 1 april 2016 als de waarschuwing voor mogelijke “sancties” in de brief van de griffier van de rechtbank van 22 februari 2016 zijn vermeld. Verzoeksters waren op dat moment dus al bekend met de feiten en omstandigheden die zij thans aan hun wrakingsverzoek ten grondslag leggen. De wrakingskamer wijst in dit verband ook uitdrukkelijk op de inhoud van de pleitnotities die mr. Pors namens verzoeksters ter zitting van 16 juni 2016 heeft overgelegd. Onder punt 15 is gesteld: “[…] waar de kamer later in de brief van 22 februari 2016 in strijd met de wet op terug komt en zelfs zo ver gaat te dreigen dat JKS en DEM, de beide gedaagden, gestraft zullen worden” en “Met deze brief benadeelt de kamer de STAK en JKS (en DEM) en bevoordeelt zij [eiser] . Bovendien loopt de kamer daarmee in een brief, verzonden door een griffier, vooruit op een rechterlijk oordeel”. Onder punt 18 is voorts gesteld: “Als klap op de vuurpijl geeft de maker aan dat ook geoordeeld zal worden dat het verweer voor de eiser tot extra kosten heeft geleid, waarmee in de proceskostenveroordeling rekening zal worden gehouden. De eiser wrijft zich natuurlijk hierbij in de handen; STAK en JKS realiseren zich dat deze kamer volledig op de hand van de eiser is en dat zij bij deze kamer nooit meer een eerlijk proces zullen krijgen. De kaarten zijn al geschud lang voordat er een vonnis komt.” De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek om wraking kort na de brief van de rechtbank van 22 februari 2016 had moeten worden ingediend. Een kort uitstel voor beraad is aanvaardbaar, maar verzoeksters hebben tot 5 april 2016 gewacht om op grond van de op 22 februari 2016 reeds bekende feiten en omstandigheden een wrakingsverzoek in te dienen. Dat is te laat.

3.3

Als rechtvaardiging voor het pas op 5 april 2016 – dat is ná het verstrijken van het ultimatum – indienen van het wrakingsverzoek hebben verzoeksters aangevoerd dat het verzoek mede is ingegeven door de brief van de griffier van de rechtbank van 15 maart 2016, omdat in die brief wordt volhard bij het eerder gestelde ultimatum. Voorts betogen verzoeksters dat zij pas na de brief van de waarnemend president van de rechtbank Noord-Holland van 1 april 2016 bekend zijn geworden met de namen van de rechters achter de correspondentie. Deze door verzoeksters naar voren gebrachte omstandigheden zijn naar het oordeel van de wrakingskamer niet zodanig dat zij het tijdsverloop van bijna zes weken kunnen rechtvaardigen.

3.4

Zoals blijkt uit de hiervoor weergegeven citaten uit de pleitnotities van mr. Pors meenden verzoeksters direct na de brief van 22 februari 2016 al dat de rechtbank partijdig was en dat zij geen eerlijk proces zouden krijgen, en niet pas na de brief van 15 maart 2016, waarin het ultimatum uit de brief van 22 februari 2016 is herhaald.

3.5

Het argument dat verzoeksters niet eerder dan op 1 april 2016 bekend zijn geworden met de namen van de behandelend rechters en op dat moment pas in staat waren een wrakingsverzoek tegen deze rechters in te dienen, kan hen ook niet baten. Ter zitting is gebleken dat verzoeksters er bewust voor hebben gekozen via een brief aan de waarnemend president de namen van de behandelend rechters te achterhalen, terwijl een telefoontje naar de handelsgriffie had volstaan om deze informatie te verkrijgen. Deze keuze en het daarmee gemoeide tijdsverloop komen voor rekening van verzoeksters. Daar komt nog bij dat verzoeksters na de brief van de griffier van de rechtbank van 22 februari 2016 zonder meer een wrakingsverzoek hadden kunnen indienen met de mededeling dat, nu de huidige samenstelling van de kamer verzoeksters niet bekend is, zij alle rechters van de samenstelling die thans de hoofdzaak tussen [eiser] en verzoeksters behandelt, wraken. Dat verzoeksters hier niet voor hebben geopteerd, komt voor hun rekening.

3.6

De conclusie luidt dat het verzoek tot wraking niet tijdig is gedaan en dat verzoeksters om die reden niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek. De wrakingskamer ziet onvoldoende grond om thans reeds toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 39 lid 4 Rv.

4 Beslissing

De wrakingskamer

4.1

verklaart verzoeksters niet-ontvankelijk in hun verzoek tot wraking,

4.2

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeksters, de rechters en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

4.3

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek en beveelt dat de stukken daartoe in handen worden gesteld van de sectie Handel & Insolventie, locatie Haarlem.

Deze beslissing is gegeven door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mr. K.I. Oyunlu en

mr. S. Jongeling, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C.C. Kaal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2016.[concipiënt_initialen]

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.