Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:5344

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
15/710391-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Holland heeft zestig uren taakstraf voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar opgelegd aan een (ten tijde van het feit minderjarige) verdachte wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd, van een eveneens minderjarig slachtoffer. Daarnaast moet verdachte het meisje 750 euro immateriële schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710391-14 (P)

Uitspraakdatum: 28 juni 2016

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 juni 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M.H.G. Peters en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. A. Çimen, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 september 2013 te Haarlem, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] (telkens) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het (meermalen) betasten van en/of strelen van en/of knijpen in de borsten en/of billen en/of de vagina van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit:

het (telkens) onverwachts en/of op intimiderende wijze uitvoeren van voornoemde ontuchtige handelingen tijdens werkzaamheden (in het magazijn van supermarkt Vomar) en/of aldus een dermate overrompelende situatie voor die [slachtoffer] te creëren waardoor zij niet in staat was zich te onttrekken aan voornoemde ontuchtige handelingen.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte niet heeft ontkend dat hij aan het lichaam van [slachtoffer] heeft gezeten, maar dat hij niet wist dat deze handelingen tegen haar zin waren. Er is niet gebleken van enige geweldshandeling of bedreiging met geweld noch van het creëren van een situatie waardoor [slachtoffer] werd gedwongen om de aanrakingen te dulden.

Voorts heeft de raadvrouw aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen de auditu verklaringen zijn, die geen steun bieden aan de verklaring van [slachtoffer] en dat uit de camerabeelden ook niet opgemaakt kan worden dat [slachtoffer] het strelen niet wilde. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op zaterdag 21 september 2013 zijn verdachte en [slachtoffer] aan het werk in een filiaal van de Vomar in Haarlem.2 Als ze beiden in het magazijn van de supermarkt zijn, raakt verdachte plotseling de billen van [slachtoffer] aan en even later zit hij – nog steeds in het magazijn – nabij de flessenafdeling aan haar borsten en billen; hij knijpt erin en wrijft er over. [slachtoffer] trekt zich los van verdachte. Verdachte gaat vervolgens bij de flessenafdeling, waar [slachtoffer] en hij beiden werkzaamheden moeten verrichten, dichter bij [slachtoffer] staan. Zij raakt daardoor ingesloten tussen een muur en een kar en kan geen kant op. Verdachte wrijft hierbij af en toe over de billen van [slachtoffer].3

Als [slachtoffer] staand op een kratje in de winkel werkzaamheden verricht, raakt verdachte met zijn hand de binnenkant van haar bovenbeen aan. [slachtoffer] zegt tegen verdachte dat hij moet ophouden.4

Vervolgens, terwijl [slachtoffer] en verdachte in een doodlopend deel van het magazijn werkzaamheden moeten verrichten, knijpt verdachte plotseling met beide handen in de borsten van [slachtoffer] en haar billen en hij zit aan haar vagina. Verdachte gaat achter haar staan en houdt met zijn beide armen om haar heen de borsten van [slachtoffer] vast. Zij zegt dat verdachte moet stoppen en slaat met haar elleboog naar achteren. Zij draait zich om en duwt verdachte tegen zijn buik naar achteren. Daarna loopt [slachtoffer] weg.5

Leidinggevende bij de Vomar [getuige 1] merkt de volgende dag op dat [slachtoffer] nerveus wordt bij het horen van de naam [verdachte] en er fel op reageert. Als [getuige 1] aan [slachtoffer] vraagt wat er aan de hand is, zegt zij dat ze die avond ervoor met verdachte moest werken en dat hij toen zijn hand op haar billen heeft gelegd.6

Filiaalmanager van de Vomar [getuige 2] voert kort na het voorval een gesprek met verdachte. Daarin antwoordt verdachte eerst dat hij niet weet wie [slachtoffer] is. Vervolgens ontkent verdachte, ook na het tonen van de camerabeelden, dat hij aan haar heeft gezeten. Nadat [getuige 2] zegt dat het toch duidelijk te zien is, zegt verdachte dat hij het misschien één keer heeft gedaan. Naar de indruk van [getuige 2] was verdachte geschrokken dat hij met de camerabeelden werd geconfronteerd.7

Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat aangeefster [naam] heet8 en dat hij aangeefster heeft aangeraakt bij haar billen en borsten. Of hij haar ook bij haar vagina heeft aangeraakt, kan verdachte zich niet herinneren, maar hij sluit het niet uit.9

3.4.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft ontkend dat hij aangeefster zou hebben aangerand. Volgens verdachte had hij ten tijde van de aanrakingen een ‘flow-relatie’ met [slachtoffer] en dacht hij dat zij de aanrakingen fijn vond. Volgens verdachte heeft [slachtoffer] aangifte gedaan, omdat verdachte de relatie na een aantal dagen heeft uitgemaakt.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet geloofwaardig. Daarbij heeft de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen:

- dat op de camerabeelden op geen enkel moment te zien is dat aangeefster op een affectieve manier ingaat op de plotselinge aanrakingen van verdachte, waartoe alleen hij steeds het initiatief neemt, terwijl daarop wel is te zien dat aangeefster – zich aan verdachtes aanrakingen onttrekkend – steeds van verdachte wegloopt;

- dat leidinggevende [getuige 1] een nerveuze en felle reactie heeft opgemerkt bij aangeefster, bij het vooruitzicht dat zij opnieuw samen met verdachte zou moeten werken, in combinatie met haar opmerking dat verdachte de avond ervoor aan haar billen heeft gezeten en dat ze dit niet durfde te vertellen omdat ze bang was dat verdachte er achter zou komen en daar iets mee zou doen;

- verdachtes verklaring in het gesprek met filiaalleider [getuige 2], zoals hiervoor weergegeven en zijn opstelling in het vervolg van dat gesprek, te weten dat hij, ook nadat hij werd geschorst en hem is medegedeeld dat er een kans op ontslag bestond, niets heeft gezegd over het (volgens hem) bestaan van een relatie;

- dat verdachte niet alleen in het gesprek met [getuige 2] zegt niet te weten wie [slachtoffer] is, maar in zijn verhoor bij de politie zegt te denken dat aangeefster [naam] heet.

Een en ander past naar het oordeel van de rechtbank niet bij de lezing van de gebeurtenissen van verdachte, maar sluit wel aan en ondersteunt de verklaring van aangeefster, die naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal om tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde te kunnen komen.

De rechtbank ziet vervolgens geen reden te twijfelen aan de verklaring van aangeefster dat zij verdachte meermalen en op verschillende manieren duidelijk heeft gemaakt dat zij van zijn aanrakingen niet gediend was. In dat licht en gelet op de omstandigheden waaronder die aanrakingen plaatsvonden, is de rechtbank van oordeel dat verdachte aangeefster heeft gedwongen deze te dulden. De door de raadsvrouw gevoerde bewijsverweren vinden dan ook hun weerlegging in de bewijsmiddelen.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 21 september 2013 te Haarlem door feitelijkheden [slachtoffer] telkens heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het (meermalen) betasten van en/of strelen van en/of knijpen in de borsten en/of billen en/of de vagina van die [slachtoffer] en bestaande die feitelijkheden uit:

het (telkens) onverwachts en/of op intimiderende wijze uitvoeren van voornoemde ontuchtige handelingen tijdens werkzaamheden in supermarkt Vomar en aldus een dermate overrompelende situatie voor die [slachtoffer] te creëren waardoor zij niet in staat was zich te onttrekken aan voornoemde ontuchtige handelingen.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uur, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. De officier van justitie heeft verzocht om toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft zij verzocht om matiging van het bedrag voor de benadeelde partij.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich destijds (in 2013) als 17-jarige seksueel misdragen tegenover zijn
15-jarige collega [slachtoffer]. Hij heeft haar onzedelijk betast door onder meer aan haar billen en borsten te zitten. Dit zijn ernstige feiten, temeer daar deze geheel onverwachts tijdens het werk in de supermarkt zijn begaan en verdachte hier ook mee doorging nadat [slachtoffer] hem op verschillende wijzen duidelijk had gemaakt dat hij daarmee op moest houden. Verdachte heeft dit meisje in haar lichamelijke en geestelijke integriteit aangetast en haar aldus leed aangedaan. Bovendien zal het feit een beangstigende situatie voor haar hebben opgeleverd.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op

het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 31 mei 2016 van

[reclasseringswerker], als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland. Uit het verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 8 juni 2016 blijkt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. Mede gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het feit, de omstandigheid dat dit inmiddels bijna drie jaar geleden is begaan en verdachte daarna niet opnieuw met justitie in aanraking is geweest zal de rechtbank echter bepalen dat deze taakstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van één jaar, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot na te melden bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Vergoeding van dit bedrag komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen, zodat zij dat deel van haar vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 246 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 60 (zegge: zestig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 dagen jeugddetentie, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op één jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 750,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 15 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Kuiper, voorzitter,

mrs. W.J. van Andel en E.J. Bellaart, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 juni 2016.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 15 oktober 2013 (in het bijzonder dossierpagina 24), proces-verbaal informatief gesprek zeden d.d. 27 september 2013 (in het bijzonder dossierpagina 16 en 17) en het proces-verbaal bevindingen Beelden beveiligingscamera Vomar d.d. 23 juli 2014 (dossierpagina’s 52-64).

3 Proces-verbaal van aangifte d.d. 15 oktober 2013 (in het bijzonder dossierpagina 24, 26 en 29), proces-verbaal d.d. 23 juli 2014 (dossierpagina 52 tot en met 64).

4 Proces-verbaal van aangifte d.d. 15 oktober 2013 (in het bijzonder dossierpagina 29 en 30).

5 Proces-verbaal van aangifte d.d. 15 oktober 2013 (in het bijzonder dossierpagina 30, 31 en 32).

6 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 8 november 2013 (in het bijzonder dossierpagina 41).

7 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 21 juli 2014 (in het bijzonder dossierpagina 45).

8 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 28 oktober 2014 (in het bijzonder dossierpagina 69).

9 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.