Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:524

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
4242576
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Agentuurovereenkomst, was er sprake van dringende redenen, zodanig dat de aard ervan de overeenkomst doet eindigen en de wederpartij schadeplichtig werd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/367
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 4242576 \ CV EXPL 15-5837

datum uitspraak: 3 februari 2016

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

de maatschap [naam maatschap]

alsmede
[eiser 1]

alsmede
[eiser 2]

alle te [plaats]

eisers in conventie
verweerders in reconventie

hierna te noemen [de maatschap]

gemachtigde mr. L.J. Gravendeel

tegen

[naam B.V.] B.V.

te Haarlem

gedaagde in conventie
eiseres in reconventie

hierna te noemen [de B.V.]

gemachtigde mr. P.F. Holtrop

De procedure

[de maatschap] heeft [de B.V.] gedagvaard op 22 juni 2015. [de B.V.] heeft schriftelijk geantwoord en een eis in reconventie ingesteld. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 23 september 2015 een comparitie van partijen gelast. Bij brief van 29 december 2015 heeft [de maatschap] een akte houdende overlegging producties tevens conclusie van antwoord in reconventie en vermindering en vermeerdering van eis in conventie overgelegd. De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 6 januari 2016. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen naar voren hebben gebracht.

De feiten

  1. Partijen hebben op 21 april 2008 een agentuurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. In deze overeenkomst is neergelegd dat [de maatschap] als agent kleding van [de B.V.] zal afnemen voor inkopende winkeliers in België en Luxemburg.

  2. [de B.V.] ontwerpt ieder half jaar een nieuw collectie, de lente/zomer collectie en de herfst/winter collectie. Van iedere nieuwe collectie wordt een monstercollectie gemaakt. Deze monstercollectie wordt ter beschikking gesteld door [de B.V.] aan haar agenten. De inkopende winkeliers baseren hun inkoop van kleding op de monstercollectie.

  3. Partijen hebben op 30 april 2015 een bespreking gehad. Naar aanleiding van die bespreking heeft [de maatschap] een gespreksverslag gemaakt. Per brief van 5 mei 2015 is er een gespreksverslag door [de maatschap] aan [de B.V.] verzonden. Daarnaast heeft [de maatschap] in die brief het volgende opgenomen:
    “14. Wij verzoeken jullie dringend aan te geven dat jullie conform onze genoemde agentuur relatie de collectie tijdig beschikbaar zullen stellen en dat niet later doen dan uiterlijk 14 juli met vervolgens een verkoop periode tot 4 september 2015.
    15. (…)
    16. Mochten jullie niettemin jullie voornemen onverminderd willen uitvoeren en niet de gevraagde onvoorwaardelijke bevestiging geven, dan is jullie handelswijze in strijd met onze overeenkomst en de wet. “

  4. Bij brief van 12 mei 2015 heeft [de B.V.] op de brief van [de maatschap] gereageerd. Hierin staat het volgende opgenomen:
    “Wij verwachten dan ook dat de agent zich loyaal opstelt en de overeenkomst tussen partijen netjes zal uitvoeren zonder enige voorwaarde van zijn zijde. Tegelijkertijd verwachten wij een plan van aanpak van de agent, hoe het tij te keren en wat hij gaat doen om de omzet te laten groeien. Wanneer wij geen plan van aanpak en onvoorwaardelijke commitment van jullie krijgen, dan gaan wij er van uit dat jullie niet meer met ons willen samenwerken. Dat zou zeer spijtig zijn en ook niet nodig.”

  5. [de maatschap] heeft op 13 mei 2015 op de brief van [de B.V.] gereageerd. In deze brief staat het volgende opgenomen:
    “Uw handelswijze is aldus in strijd met de agentuur overeenkomst en de wet, in het bijzonder de art. 7:430 BW. Uw gedraging kwalificeert zich als een dringende redenen zodanig dat de aard ervan de overeenkomst doet eindigen en redelijkerwijs van cliënten niet gevergd kan worden de overeenkomst, met u, zelfs nog tijdelijk, in stand te laten. U wordt daarmee schadeplichtig; reden waarom ik u daartoe aansprakelijk stel alsmede voor de klantvergoeding.”

  6. Op 8 juni 2015 is, nadat daartoe op 5 juni 2015 verlof was verleend door de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, conservatoir beslag gelegd door [de maatschap] onder vorderingen van [de B.V.], ter hoogte van € 161.788,95.

  7. De beslagen zijn opgeheven op 17 juni 2015, nadat partijen zijn overeengekomen dat door [de B.V.] een bedrag van € 75.000,00 werd gestort op een derdenrekening tot zekerheid van de betaling van de vordering van [de maatschap] totdat er een onherroepelijke uitspraak is dan wel een schikking is getroffen tussen partijen.

De vordering in conventie

[de maatschap] vordert (samengevat) na eiswijziging

Primair:

te bepalen dat [de B.V.] de agentuurovereenkomst onregelmatig en verwijtbaar heeft doen

beëindigen en dat als gevolg daarvan er voor [de maatschap] dringende redenen bestaan van zodanige aard dat van [de maatschap] redelijkerwijs niet gevergd kan worden de overeenkomst, zelfs tijdelijk, in stand te laten;

te bepalen dat [de B.V.] op grond hiervan schadeplichtig is geworden jegens [de maatschap] en aan [de maatschap] dientengevolge haar aanspraak op een schadevergoeding van € 57.707,49 dient te voldoen;

te bepalen dat [de B.V.] aan [de maatschap] een klantenvergoeding van € 57.707,49, zijnde het gemiddelde over berekend over de afgelopen vijf jaar uitgaande van 2015, dient te voldoen.

Subsidiair:

te bepalen dat [de B.V.] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag in goede justitie te bepalen;

Primair of subsidiair:

te bepalen dat de bedragen waartoe [de B.V.] wordt veroordeeld dienen te worden

overgeboekt op de derdenrekening van Stichting Beheer derdengelden Gravendeel advocaten;

te bepalen dat [de B.V.] wordt veroordeeld in de proceskosten, daaronder begrepen de

kosten voor beslag onder derden van € 34.624,-, althans een bedrag in goede justitie te betalen.

[de maatschap] voert hiertoe aan dat door de opstelling van [de B.V.], te weten het slechts beperkt beschikbaar stellen van de monstercollectie, zij [de maatschap] als agent onvoldoende in staat stelt om de reguliere werkzaamheden te verrichten en dat als gevolg daarvan er voor [de maatschap] dringende redenen bestaan van dien aard dat van [de maatschap] niet gevergd kan worden de overeenkomst in stand te laten.

Het verweer

[de B.V.] betwist de vordering. Zij voert aan dat niet zij, maar [de maatschap] de overeenkomst opgezegd heeft. Er was voorts geen reden voor [de maatschap] om de relatie met onmiddellijke ingang te beëindigen. [de maatschap] heeft niet geprobeerd om met de nieuwe richtlijnen te werken. Voorts betwist [de B.V.] de beslagkosten, nu het beslag rauwelijks is gelegd.

De vordering in reconventie
[de B.V.] vordert dat [de maatschap] hoofdelijk wordt veroordeeld om aan [de B.V.] te voldoen ten titel van schadeloosstelling een bedrag van € 9.288,79, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente althans de wettelijke rente, te rekenen vanaf 13 mei 2015, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening.
voert hiertoe aan dat, omdat [de maatschap] de overeenkomst met onmiddellijke ingang heeft opgezegd, [de maatschap] schadeplichtig is geworden op grond van artikel 7:439, derde lid, BW.

Het verweer

[de maatschap] betwist de vordering. Zij voert aan dat [de maatschap] de overeenkomst niet heeft opgezegd. Voorts betwist zij dat zij enige schadevergoeding dient te betalen aan [de B.V.].

De beoordeling in conventie en reconventie

[de maatschap] trad op als agent voor [de B.V.] in België. [de maatschap] ontving twee maal per jaar een monstercollectie van [de B.V.], op grond waarvan winkeliers bepaalden of en hoeveel zij wilden inkopen. Tot en met de herfst/winter collectie 2014 had [de maatschap] de beschikking over de monstercollectie in de tijd, de zogenaamde verkoopperiode, die zij wenste. Tussen partijen is niet in geschil dat de omzet in België daalde. De lente/zomer collectie 2015 is in de zomer van 2014 door [de B.V.] bij [de maatschap] teruggehaald gedurende de gebruikelijke verkoopperiode. [de maatschap] voert aan dat dit onrechtmatig is en dat zij daardoor minder omzet heeft gedraaid.

Partijen hebben in de herfst van 2014 overleg gehad. [de B.V.] stelt dat er ten tijde van dat gesprek afspraken zijn gemaakt ten aanzien van de werkzaamheden van [de maatschap] en dat er een afspraak is gemaakt ten aanzien van de omzet van de komende collectie, de herfst/winter collectie 2015. De herfst/winter collectie 2015 is wel weer de gehele, door [de maatschap] gewenste, verkoopperiode aan [de maatschap] beschikbaar gesteld door [de B.V.]. [de maatschap] weerspreekt dat er afspraken zijn gemaakt, nu deze afspraken gezien de agentuurovereenkomst op schrift gesteld dienen te worden en dat is niet gedaan.

Wat hiervan ook zij, duidelijk is dat [de B.V.] in de zomer dan wel de herfst van 2014 heeft aangegeven dat zij van mening is dat de omzet in België dusdanig gedaald is, dat het niet langer bedrijfseconomisch verantwoord is om een monstercollectie enkel voor [de maatschap] te maken. [de maatschap] heeft weersproken dat het delen van een monstercollectie nodig is. [de B.V.] heeft de herfst/winter collectie 2015 wel volledig beschikbaar gesteld. Niet in geschil is dat de gerealiseerde omzet in België ten aanzien van die collectie lager was dan alle voorgaande collecties. [de maatschap] stelt dat de lagere omzet komt door een stijlwijziging van [de B.V.].

Partijen zijn op 30 april 2015 bijeen gekomen voor overleg. Uit de gespreksnotitie van 5 mei 2015 volgt dat [de B.V.] aan [de maatschap] heeft meegedeeld dat de lente/zomer collectie 2016 niet de door [de maatschap] gewenste verkoopperiode aan [de maatschap] beschikbaar zal worden gesteld. [de maatschap] stelt dat zij hierdoor de collectie nauwelijks zal kunnen afzetten. Bij brief van 5 mei 2015 heeft [de maatschap] [de B.V.] dringend verzocht de monstercollectie wel de gewenste verkoopperiode beschikbaar te stellen.

[de B.V.] heeft bij brief van 12 mei 2015 aangegeven dat in verband met de dalende omzet het voor haar niet meer mogelijk is om en een aparte monstercollectie voor België te maken. [de B.V.] stelt dat er geen vaste verkoopperiode is in België. Zij stelt voorts dat, als [de B.V.] geen plan van aanpak en onvoorwaardelijke commitment van [de maatschap] krijgt, [de B.V.] er van uit gaat dat [de maatschap] niet meer wil samenwerken.

De kantonrechter is van oordeel dat deze brief, gelet op de strekking en de bewoording, geen opzegging van de agentuurovereenkomst inhoudt. Immers, [de B.V.] geeft aan dat het spijtig en niet nodig zou zijn om de samenwerking te beëindigen en wenst verder in overleg te treden.

[de maatschap] voert aan dat door hetgeen [de B.V.] stelt in de brief van 12 mei 2015, namelijk het beperkt beschikbaar stellen van de monstercollectie, [de B.V.] in strijd handelt met de agentuurovereenkomst en [de maatschap] buiten spel zet, zodat er sprake is van een dringende reden, zodanig dat de aard ervan de overeenkomst doet eindigen en redelijkerwijs van [de maatschap] niet gevergd kan worden de overeenkomst, ook niet tijdelijk, in stand te laten. [de maatschap] heeft dit bij brief van 13 mei 2014 aan [de B.V.] medegedeeld.

De kantonrechter is van oordeel dat [de maatschap] bij brief van 13 mei 2014 de agentuurovereenkomst beëindigd heeft zonder inachtneming van de overeengekomen opzeggingstermijn. [de maatschap] stelt immers dat er niet van haar gevergd kan worden de overeenkomst in stand te laten. [de maatschap] stelt dat zij hiervoor dringende redenen had, en [de B.V.] op grond hiervan schadeplichtig is.

In artikel 7:439, tweede lid, BW staat dat dringende redenen omstandigheden van zodanige aard zijn, dat van de partij die de overeenkomst doet eindigen, redelijkerwijs niet gevergd kan worden de overeenkomst, zelfs tijdelijk, in stand te laten. [de maatschap] beroept zich op artikel 7:430 BW waarin neergelegd is dat de principaal ([de B.V.]) alles moet doen wat in de gegeven omstandigheden van haar kant nodig is om de handelsagent ([de maatschap]) in staat te stellen zijn werkzaamheden te verrichten. Hieronder valt het ter beschikking stellen van documentatiemateriaal. In casu kan de monstercollectie geschaard worden onder documentatiemateriaal. [de B.V.] heeft besloten de monstercollectie minder lang aan [de maatschap] beschikbaar te stellen, omdat de monstercollectie gedeeld dient te worden met de agent in Ierland.

De kantonrechter overweegt dat [de B.V.] nog immer de monstercollectie aan [de maatschap] beschikbaar wil stellen, maar minder lang dan voorheen. Nergens is tussen partijen vastgelegd welke periode de monstercollectie door [de B.V.] beschikbaar wordt gesteld aan [de maatschap]. Dat [de B.V.] van plan was om de monstercollectie minder lang aan [de maatschap] beschikbaar te stellen, was al langere tijd duidelijk. De door [de B.V.] opgegeven reden is een reden van bedrijfseconomie. [de B.V.] mag zelf haar bedrijfsstrategie bepalen. Dat de omzet van [de maatschap] is teruggelopen is voldoende duidelijk. [de B.V.] heeft aangegeven dat de klanten van [de maatschap] in de tijd dat [de maatschap] geen monstercollectie heeft, welkom zijn in Haarlem bij [de B.V.], waar een monstercollectie te bezichtigen is. [de maatschap] heeft aangevoerd dat er een vaste verkoopperiode is in België waarbuiten niet verkocht wordt. Dit wordt door [de B.V.] bestreden, zij voert aan dat ook buiten de door [de maatschap] genoemde periode verkocht wordt. Beide partijen hebben agenda’s en e-mails ter onderbouwing van hun standpunt overgelegd. Tegenover de verplichting van [de B.V.] om de monstercollectie beschikbaar te stellen, staat de verplichting van [de maatschap] op grond van de agentuurovereenkomst om de werkzaamheden actief en met grote inzet te verrichten.

Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat er ten tijde van de brief van 13 mei 2015 geen dringende redenen waren op grond waarvan [de maatschap] niet gevergd kon worden om de overeenkomst in stand te houden. [de maatschap] was al langer op de hoogte van het voornemen van [de B.V.] om de beschikbaarheid van de monstercollectie te verkorten. Dit is geen plotseling, onvoorzien, opgekomen punt. Daarnaast had [de maatschap] wel de beschikking over de monstercollectie, alleen minder lang, en, zoals ook door [de B.V.] is verzocht, had [de maatschap] een plan van aanpak kunnen maken om alsnog zoveel mogelijk klanten in België te bereiken. Dat door het verminderd beschikbaar hebben van de monstercollectie [de maatschap] haar werkzaamheden niet meer kan uitvoeren is, tegenover de gemotiveerde betwisting door [de B.V.], onvoldoende onderbouwd.

[de maatschap] heeft de agentuurovereenkomst dan ook beëindigd zonder inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn en zonder dat er sprake was van dringende redenen. Op grond van artikel 7:439, eerste lid, BW is [de maatschap] dan ook schadeplichtig. [de B.V.] vordert een schade van € 9.288,79. Zij baseert deze schade op de provisie die [de maatschap] zou hebben ontvangen in geval van een normale beëindiging, dat wil zeggen met in achtneming van de opzegtermijn van drie maanden. [de maatschap] heeft betwist schadeloosstelling aan [de B.V.] verschuldigd te zijn, maar heeft de hoogte van de door [de B.V.] gevorderde schadeloosstelling niet betwist. Nu de door [de B.V.] gevorderde schade de kantonrechter niet onredelijk voorkomt, zal deze worden toegekend, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 13 mei 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De proceskosten komen voor rekening van [de maatschap] omdat zij in het ongelijk wordt gesteld.

De beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt de maatschap [naam maatschap] alsmede [eiser 1]

alsmede [eiser 2] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [naam B.V.] B.V. tot en met vandaag wordt begroot op het volgende bedrag:

salaris gemachtigde € 1.200,00

te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening.

In reconventie:

- veroordeelt de maatschap [naam maatschap] alsmede [eiser 1] alsmede [eiser 2] hoofdelijk tot betaling aan [naam B.V.] B.V. van € 9.288,79 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 13 mei 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt de maatschap [naam maatschap] alsmede [eiser 1] alsmede [eiser 2] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [naam B.V.] B.V. inzake de reconventie wordt begroot op nihil, nu ten aanzien van de reconventie geen extra werkzaamheden zijn verricht;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.