Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:5068

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
15/700365-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

6 WVW. Verdachte heeft een ernstig verkeersongeval veroorzaakt: terwijl hij onder invloed was van THC heeft hij binnen de bebouwde kom met onverantwoord hoge snelheid op een bijzonder kruispunt afgereden. Hij is tegen de bromfiets van het slachtoffer aangereden, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700365-15 (P)

Uitspraakdatum: 7 juni 2016

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 mei 2016 in de zaak tegen:

[verdachte] [verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.A. Hobbelink en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W.A. Koers, advocaat te Leusden, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

PRIMAIR:

hij op of omstreeks 01 augustus 2015 in de gemeente Enkhuizen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Audi, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Piet Smitstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, -terwijl hij ter plaatse bekend is- aldaar te rijden in de richting van de kruising of splitsing van meerdere wegen, te weten de Asterstraat, de Oosterdijk, de Gerrit Stapelstraat en de meester Fluitmanstraat:

- met een zodanige snelheid dat hij niet in staat is gebleken om (a) zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of (b) zijn motorrijtuig voortdurend onder controle te houden, en/of

- onder invloed van een zodanige hoeveelheid van een stof, waarvan hij wist, althans redelijkerwijs had moeten weten, dat het gebruik daarvan -al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof- de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat was,

immers, verdachte is (rijdend als hiervoor omschreven) (terwijl het hem bekend was, althans had moeten zijn, dat het ABS-systeem van het door hem bestuurde motorrijtuig al enige tijd niet naar behoren functioneerde)
genoemde wegen met een aanzienlijke snelheid, in elk geval een snelheid hoger dan 50 kilometer per uur, genaderd en heeft toen niet tijdig zijn snelheid aangepast toen een hem vanaf de Gerrit Stapelstraat tegemoet rijdende bestuurder van een bromfiets -gezien diens rijrichting- bezig was linksaf te slaan, ten einde de Asterstraat in te rijden en daarvoor de rijbaan van de Piet Smitstraat diende over te steken, waarna hij, verdachte, (ondanks krachtig remmen) (met flinke vaart) is opgebotst of aangereden tegen de rechter flank van die bromfietser,

waardoor die bromfietser (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet.

SUBSIDIAIR:

hij op of omstreeks 01 augustus 2015 in de gemeente Enkhuizen als bestuurder van een voertuig, (personenauto, merk Audi, kenteken [kenteken] ), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten THC, in elk geval een stof genoemd op lijst 1 van de Opiumwet, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

en/of

hij op of omstreeks 01 augustus 2015 in de gemeente Enkhuizen als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Audi, kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, de Piet Smitstraat,

- met een zodanige snelheid dat hij niet in staat is gebleken om (a) zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of (b) zijn motorrijtuig voortdurend onder controle te houden,

waardoor hij, verdachte, ter hoogte van de kruising of splitsing van die Piet Smitstraat en de Asterstraat in botsing of aanrijding is gekomen met een aldaar de rijbaan de Piet Smitstraat overstekende bromfietser, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, in die zin dat sprake is van een aanmerkelijke mate van onoplettendheid en onvoorzichtigheid van verdachte.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. De hoeveelheid THC die in het bloed van verdachte was aangetroffen is zodanig gering, dat dit niet (mede) de oorzaak is dat hij niet tijdig kon stoppen. Het niet-functionerende ABS-systeem van de auto waarin verdachte reed was dit evenmin, nu de auto ruimschoots aan de wettelijke eisen voor remvertraging voldoet. De enige fout van verdachte, die mogelijk van invloed was op het ontstaan van het ongeval, is dat hij harder reed dan de maximum toegestane snelheid. Deze enkele verkeersovertreding is niet voldoende voor een bewezenverklaring van aanmerkelijke onvoorzichtigheid in de zin van artikel 6 WVW. Bovendien dient bij de beoordeling of sprake is geweest van schuld van verdachte betrokken te worden dat het slachtoffer, rijdend op een bromfiets, plotseling overstak zonder voorrang aan verdachte te verlenen en dat hij blijkens het schouwrapport verminderd zicht had. Van het subsidiair ten laste gelegde veroorzaken van gevaar op de weg dient verdachte eveneens vrijgesproken te worden, omdat het begaan van een enkele snelheidsovertreding onvoldoende is om het gevaar te construeren waarop in artikel 5 WVW wordt gedoeld. Daar komt bij dat verdachte op een voorrangsweg reed en dat hij erop mocht vertrouwen dat het slachtoffer hem voorrang zou verlenen.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Verdachte reed op 1 augustus 2015 als bestuurder van een personenauto (merk Audi, kenteken [kenteken] ) over de Piet Smitstraat te Enkhuizen in de richting van de Oosterdijk. Verdachte was daar ter plaatse bekend en tevens was het hem bekend dat de maximum toegestane snelheid 50 kilometer per uur betrof.2

[slachtoffer] reed als bestuurder van een snor-scooter over de Gerrit Stapelstraat, zijnde een parallelweg van de Oosterdijk, in de richting van de kruising met de Mr. Fluitmanstraat en de Piet Smitstraat. Hij stak ter hoogte van de kruising de Piet Smitstraat over teneinde de Asterstraat in te rijden.3

Bij deze kruising is de door verdachte bestuurde personenauto in botsing gekomen met de (rechter)flank van de naar links afslaande bestuurder van de snorfiets [slachtoffer] .4

[slachtoffer] raakte bij deze aanrijding zeer ernstig gewond en overleed ten gevolge van zijn verwondingen op 6 augustus 2015 in het VUmc te Amsterdam.5

Uit rij- en remproeven met het voertuig van verdachte is gebleken dat de gemiddelde oorspronkelijke snelheid waarmee verdachte reed meer was dan 67 kilometer per uur maar minder dan 79 kilometer per uur en waarschijnlijk ongeveer 71 kilometer per uur. Wanneer verdachte niet sneller zou hebben gereden dan 50 kilometer per uur, zou hij de aanrijding hebben kunnen voorkomen.6

Meerdere getuigen hebben verklaard over de snelheid van verdachte.
Getuige [getuige 1] zag en hoorde dat met hoge snelheid een auto aan kwam rijden. Zij wachtte eigenlijk op de klap.7
Getuige [getuige 2] vond dat de auto erg hard reed, naar schatting ongeveer 70 km/h.8

Bij een onderzoek aan de auto waarin verdachte reed is gebleken dat het ABS-systeem niet functioneerde.9 Verdachte heeft verklaard dat hij het storingslampje van de ABS had zien branden en dat hij wist dat het systeem niet werkte.10 Een goed functionerend ABS remsysteem zou geresulteerd kunnen hebben in een sterk verbeterde remvertraging en dus een sterk verbeterde (kortere) remweg.11

Voorts is het met toestemming van verdachte afgenomen bloed toxicologisch onderzocht en is daarin een THC-concentratie (cannabinoïden) gemeten die hoger is dan de zogenoemde grensconcentratie. De conclusie van het onderzoek is dat de rijvaardigheid ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk nadelig beïnvloed was door de aanwezigheid van THC.12
Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van cannabis de rijvaardigheid nadelig kan beïnvloeden.

Verdachte heeft verklaard dat hij harder dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur reed. Hij had haast. Bij het zien van de bromfietser is hij meteen op zijn rem gaan staan.13
Hij zag de bromfietser pas vlak voordat de botsing plaatsvond, te weten op het moment dat hij ineens voor zijn neus langs ging.14

3.4.

Bewijsoverwegingen

Om tot een veroordeling op grond van overtreding van artikel 6 WVW te komen, moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Het juridische begrip “schuld” in het kader van de Wegenverkeerswet houdt in dat voor strafbaarheid minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, NJ 2005/253).

Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte reed omstreeks 15.00 uur ‘s middags in zijn auto over de Piet Smitstraat in de dorpskern van Enkhuizen. Hij naderde een bijzonder kruispunt (met de Asterstraat, Oosterdijk, Gerrit Stapelstraat en de mr. Fluitmanstraat ) waarop hij vrij en onbelemmerd zicht had. Gelet op de situatie ter plaatse, reed verdachte met een snelheid van minimaal 67 kilometer per uur onverantwoord hard op die kruising af. Bij oplettend rijden had verdachte de bromfietser, die komend vanuit de Gerrit Stapelweg de Piet Smitstraat overstak om zijn weg te vervolgen via de Asterstraat, eerder kunnen en moeten opmerken en zijn snelheid moeten aanpassen, zodat hij zijn voertuig tijdig tot stilstand had kunnen brengen.

Op het moment van het ongeval verkeerde verdachte onder invloed van THC. De rechtbank volgt de verdediging niet in het betoog dat de aangetroffen concentratie THC zodanig gering was, dat dit geen invloed kan hebben gehad op het ontstaan van de het ongeval. Dit betoog wordt weerlegd door de conclusie van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek, dat de rijvaardigheid waarschijnlijk nadelig beïnvloed was. Bovendien was het bloed vijf uur nadat het ongeval had plaatsgevonden bij verdachte afgenomen, zodat de concentratie THC in het lichaam van verdachte ten tijde van het ongeval nog hoger zal zijn geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat de aanwezigheid van THC in het lichaam het reactievermogen beïnvloedt, zodat verdachte redelijkerwijs had moeten weten dat zijn cannabisgebruik zijn rijvaardigheid (waaronder zijn reactiesnelheid) kon verminderen.

Daarbij komt nog dat het antiblokkersysteem van de auto van verdachte niet functioneerde, hetgeen hij redelijkerwijs had kunnen weten nu hij al eerder het waarschuwings-/storingslampje van het ABS had zien branden. Indien het ABS had gewerkt, was remvertraging groter geweest en de remweg korter.
In dit kader is niet van belang dat de auto voldeed aan de wettelijke eisen, gesteld aan de remvertraging, zoals door de verdediging onweersproken is aangevoerd. Het niet werken van het systeem is onverminderd een relevante factor waarmee rekening gehouden moet worden.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het handelen van verdachte dient te worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en dat het derhalve aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden en dat het slachtoffer als gevolg daarvan is komen te overlijden.

Het door de verdediging aangevoerde verweer, inhoudende dat het slachtoffer gelet op de verkeerssituatie ter plaatse voorrang had behoren te verlenen aan verdachte, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de verwijtbaarheid van de gedragingen van verdachte.

De verkeerssituatie ter plaatste vergde immers extra oplettendheid.

Verdachte heeft kennelijk onvoldoende rekening gehouden met de mogelijkheid dat hij alhier met andere verkeersdeelnemers zou kunnen worden geconfronteerd. Verdachte had het slachtoffer dienen op te merken en zijn voertuig tijdig tot stilstand moeten brengen zodat een aanrijding voorkomen werd. Bovendien is niet uit te sluiten dat het slachtoffer, die een visuele handicap had, de te hoge snelheid van verdachte verkeerd heeft ingeschat.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

PRIMAIR:

hij op 1 augustus 2015 in de gemeente Enkhuizen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Audi, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Piet Smitstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, - terwijl hij ter plaatse bekend is - aldaar te rijden in de richting van de kruising van meerdere wegen, te weten de Asterstraat, de Oosterdijk, de Gerrit Stapelstraat en de meester Fluitmanstraat:

- met een zodanige snelheid dat hij niet in staat is gebleken om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en

- onder invloed van een zodanige hoeveelheid van een stof, waarvan hij redelijkerwijs had moeten weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat was,

immers, verdachte is rijdend als hiervoor omschreven terwijl het hem bekend was dat het ABS-systeem van het door hem bestuurde motorrijtuig al enige tijd niet naar behoren functioneerde genoemde wegen met een aanzienlijke snelheid genaderd en heeft toen niet tijdig zijn snelheid aangepast toen een hem vanaf de Gerrit Stapelstraat tegemoet rijdende bestuurder van een bromfiets -gezien diens rijrichting- bezig was linksaf te slaan, ten einde de Asterstraat in te rijden en daarvoor de rijbaan van de Piet Smitstraat diende over te steken, waarna hij, verdachte, ondanks krachtig remmen met flinke vaart is gebotst tegen de rechter flank van die bromfietser, waardoor die bromfietser (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het primair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en tevens tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Verdachte is, terwijl hij onder invloed was van THC, binnen de bebouwde kom met een onverantwoord hoge snelheid op een bijzonder kruispunt afgereden. Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer] , die met zijn bromfiets de weg overstak, niet tijdig opgemerkt en zijn voertuig niet tijdig tot stilstand kunnen brengen, waarna hij tegen het slachtoffer is aangereden. [slachtoffer] is als gevolg van het verkeersongeval overleden.

Zijn dood heeft onherstelbaar leed veroorzaakt bij zijn echtgenote, kinderen en andere nabestaanden. Zijn dochter heeft dit in de door haar ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring op pakkende wijze verwoord .

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 15 maart 2016, waaruit blijkt dat op 24 april 2014 aan verdachte middels een strafbeschikking een geldboete is opgelegd wegens te hard rijden binnen de bebouwde kom in februari 2014;

- het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies gedateerd 8 april 2016, opgesteld door
G. Porte als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland. Porte duidt het recidiverisico als laag en heeft tevens geen andere risicofactoren geconstateerd. Voorts is aangegeven dat er geen contra-indicaties voor een werkstraf zijn.

Tevens hecht de rechtbank er belang aan dat verdachte bij de reclassering heeft besproken inmiddels te zijn gestopt met het gebruik van softdrugs.

De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren en als bijkomende straf een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van na te melden duur passend en geboden.

Het rijbewijs van verdachte is sedert het verkeersongeval ingevorderd. De rechtbank acht het echter noodzakelijk dat naast een ontzegging ook een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid met een proeftijd van twee jaren zal worden opgelegd. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding naast een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid een deel van de op te leggen taakstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a (lid 3), 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Artikelen 6, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 3.5. bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 180 (honderdtachtig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 90 dagen hechtenis.

Veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Beveelt dat een gedeelte van deze straf, groot 6 (zes) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. H.E.C. de Wit en mr. N. Boots, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier O. Bergmans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 juni 2016.

Mr. H.E.C. de Wit is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van verhoor van 1 augustus 2015 inhoudende de verklaring van verdachte, pagina 49 en proces-verbaal van verhoor van 24 september 2015 inhoudende de verklaring van verdachte, pagina 54.

3 Proces-verbaal van VerkeersOngevalAnalyse (VOA) van verbalisanten L. Gerssen en R.P. Zandvliet van 21 november 2015, dossierpagina 37.

4 Proces-verbaal van VerkeersOngevalAnalyse (VOA) van verbalisanten L. Gerssen en R.P. Zandvliet van 21 november 2015, dossierpagina 11 en 13.

5 Een geschrift, zijnde een schouwverslag van 6 augustus 2015, opgemaakt door dr. G.L. van Rijk-Zwikker, forensisch arts, AGZ, GGD Amsterdam, dossierpagina 113-114.

6 Proces-verbaal van VerkeersOngevalAnalyse (VOA) van verbalisanten L. Gerssen en R.P. Zandvliet van 21 november 2015, dossierpagina’s 31 en 36.

7 Proces-verbaal van verhoor van 1 augustus 2015 (geen paginanummer) en proces verbaal van verhoor van 12 augustus 2015, inhoudende de verklaringen van getuige [getuige 1] , dossierpagina 100.

8 Proces verbaal van verhoor van 1 augustus 2015, inhoudende de verklaring van getuige [getuige 2] , dossierpagina 103.

9 Proces-verbaal van VerkeersOngevalAnalyse (VOA) van verbalisanten L. Gerssen en R.P. Zandvliet van 21 november 2015, dossierpagina 36.

10 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 24 mei 2016.

11 Proces-verbaal van VerkeersOngevalAnalyse (VOA) van verbalisanten L. Gerssen en R.P. Zandvliet van 21 november 2015, dossierpagina 36.

12 Een geschrift, zijnde een toxicologisch onderzoek van 24 augustus 2015, opgesteld door dr. I.J. Bosman, apotheker-toxicoloog.

13 Proces-verbaal van verhoor van 1 augustus 2015, inhoudende de verklaring van verdachte, dossierpagina’s 49 en 50.

14 Proces-verbaal van verhoor van 24 september 2015, inhoudende de verklaring van verdachte, dossierpagina 55.