Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:5045

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-07-2016
Datum publicatie
14-07-2016
Zaaknummer
4728001 CV EXPL 16-242 (H.K.)
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Werkneemster mocht er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij ook na 104 weken arbeidsongeschiktheid 100% van het loon doorbetaald zou krijgen in plaats van 70%

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2054
AR-Updates.nl 2016-0784
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Alkmaar

zaak/rolnr.: 4728001 CV EXPL 16-242 (H.K.)

datum uitspraak 13 juli 2016

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[naam] , wonende te [plaats]

eisende partij in conventie / verwerende partij in reconventie

hierna ook te noemen: [de werkneemster]

gemachtigde: CNV Connectief te Den Haag (mr. Chr.J.M. Scheen)

tegen

de besloten vennootschap Huisarts voor Huisarts Kop van Noord-Holland B.V., gevestigd te Den Helder

gedaagde partij in conventie / eisende partij in reconventie

hierna ook te noemen: Huisarts voor Huisarts

gemachtigde: SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer (mr. H. de Graaf-de Waard).

1 De procedure

in conventie en in reconventie

1.1.

[de werkneemster] heeft Huisarts voor Huisarts gedagvaard op 28 december 2015.

Huisarts voor Huisarts heeft in conventie bij antwoord verweer gevoerd en in reconventie een tegenvordering ingesteld. [de werkneemster] heeft zich op na te melden comparitiezitting mondeling verweerd tegen deze tegenvordering.

1.2.

Na beraad heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 23 maart 2016 een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is gehouden op 14 juni 2016, waarbij zijn verschenen:

[de werkneemster] , bijgestaan door mr. Scheen en Huisarts voor Huisarts bij [x] (huisarts) en [y] (bestuurder), bijgestaan door mr. De Graaf-de Waard.

Op de zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. Van het ter terechtzitting verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

2 De feiten

in conventie en in reconventie

2.1.

Op 1 maart 2011 is [de werkneemster] in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van Huisarts voor Huisarts. Sinds 1 oktober 2012 is zij in dienst van Huisarts voor Huisarts, in de functie van doktersassistente. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst wordt een arbeidsduur vermeld van 26¼ uren per week en een salaris van € 1.331,84 bruto per maand.

2.2.

Op de overeenkomst is van toepassing de CAO Huisartsenzorg [hierna te noemen: de CAO]. Artikel 5.2 (Salarisbetaling bij arbeidsongeschiktheid) van de CAO luidt:

a. a) Indien de werknemer wegens arbeidsongeschiktheid aanspraak heeft op een vergoeding conform artikel 7:629 Burgerlijk Wetboek, behoudt werknemer aanspraak op 100% van het voor de werknemer bij aanvang van de arbeidsongeschiktheid geldende (bruto) basissalaris, inclusief ANW-toeslag, en de hieraan gerelateerde vakantietoeslag over een tijdvak van maximaal 26 weken.

Over een tweede tijdvak van maximaal 26 weken heeft de werknemer aanspraak op 90% van dit salaris.

Over een derde tijdvak van maximaal 26 weken heeft de werknemer aanspraak op 80% van dit salaris.

Over een vierde tijdvak van maximaal 26 weken heeft de werknemer aanspraak op 70% van dit salaris. Een en ander onder aftrek van de aan de werknemer toekomende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (…).

b) De werknemer heeft aanspraak op doorbetaling van 100% van het onder lid a genoemde salaris bij aanvang van de arbeidsongeschiktheid geldende bruto basissalaris (inclusief ANW) en de hieraan gerelateerde vakantietoeslag gedurende de uren dat hij op grond van het re-integratieplan re-integreert bij zijn eigen werkgever of bij een derde en gedurende de uren dat hij op grond van het re-integratieplan een opleiding volgt.

2.3.

Op 18 april 2013 is [de werkneemster] ziek geworden. Op 18 april 2015 was zij derhalve 104 weken arbeidsongeschikt.

2.4.

Het eerste jaar bedroeg de ziektewetuitkering van [de werkneemster] 100% en het tweede jaar 70%. Op grond van de CAO heeft Huisarts voor Huisarts de Wajong-uitkering van [de werkneemster] aangevuld tot 100% ( [de werkneemster] ontving reeds voor indiensttreding bij Huisarts voor Huisarts een Wajong-uitkering).

2.5.

Op 13 mei 2015 heeft het UWV een loonsanctie opgelegd aan Huisarts voor Huisarts, omdat zij niet voldoende heeft gedaan om [de werkneemster] succesvol te re-integreren. Huisarts voor Huisarts wordt verplicht het loon van [de werkneemster] na afloop van het tweede ziektejaar door te betalen tot 18 april 2016.

2.6.

Huisarts voor Huisarts heeft bezwaar aangetekend tegen deze loonsanctie omdat zij de loonsanctie financieel niet zou kunnen dragen. Bij beslissing van 11 november 2015 heeft het UWV daarom de loonsanctie ingetrokken.

2.7.

Bij beslissing van 24 november 2015 heeft het UWV deze laatste beslissing herzien. Het UWV heeft Huisarts voor Huisarts een loonsanctie opgelegd tot 16 september 2015.

2.8.

Beide partijen zijn tegen de laatste beslissing van het UWV in beroep gegaan bij de bestuursrechter van deze rechtbank. Nog niet bekend is wanneer de bestuursrechter uitspraak doet.

2.9.

Vanaf april 2015 heeft Huisarts voor Huisarts de volgende betalingen aan [de werkneemster] gedaan:

april 2015 100% loon € 1.368,69 bruto

mei 2015 100% loon € 1.368,69 bruto en € 1.314,-- vakantiegeld bruto

juni 2015 100% loon € 1.368,69 bruto

juli 2015 70% loon € 958,33 bruto

augustus 2015 70% loon € 958,33 bruto

september 2015 70% loon € 958,33 bruto

oktober 2015 70% loon € 958,33 bruto.

Na oktober 2015 heeft Huisarts voor Huisarts geen betalingen meer aan [de werkneemster] gedaan.

2.10.

Vanaf 16 september 2015 ontvangt [de werkneemster] een WIA-uitkering.

3 De vordering in conventie en het verweer in reconventie

3.1.

[de werkneemster] vordert (samengevat) bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) een verklaring voor recht dat Huisarts voor Huisarts in strijd handelt met het recht door na 18 april 2015 slechts 70% loon aan [de werkneemster] uit te betalen;

b) veroordeling van Huisarts voor Huisarts tot betaling aan [de werkneemster] van € 1.945,59,

vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;

c) Huisarts voor Huisarts te veroordelen de “oude” (lees: ongewijzigde en overeengekomen)

afspraken na te komen voor wat betreft de loonbetaling;

d) Huisarts voor Huisarts te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[de werkneemster] legt aan haar vordering, zakelijk samengevat, het volgende ten grondslag.

Het loon van [de werkneemster] bedraagt € 1.444,73 bruto per maand. Omdat een CAO-verhoging niet is doorgegaan kreeg zij per maand betaald € 1.368,69 bruto.

Omdat Huisarts voor Huisarts zich onvoldoende heeft ingespannen in het kader van de re‑integratieverplichting heeft het UWV de verlengde loonsanctie opgelegd. [de werkneemster] heeft tot 23 juli 2015 100% van haar loon ontvangen. Daarom mocht zij er in de gegeven omstandigheden en te goeder trouw gerechtvaardigd op vertrouwen dat Huisarts voor Huisarts het gehele derde, verlengde ziektejaar van [de werkneemster] ook 100% zou blijven doorbetalen. Omdat [de werkneemster] in beroep is gegaan tegen de UWV-beslissing van 24 november 2015 moet Huisarts voor Huisarts 100% betalen tot 18 april 2016. In het kader van de re-integratie (2e spoor) heeft [de werkneemster] van januari 2015 tot eind november 2015 als cliëntbegeleider gewerkt op een zorgboerderij. [de werkneemster] heeft zelf voor deze re-integratiemogelijkheid gezorgd, omdat Huisarts voor Huisarts haar verplichtingen niet nakwam.

Gelet op dit standpunt van [de werkneemster] in conventie kan van terugbetaling aan Huisarts voor Huisarts, zoals in reconventie gevorderd, geen sprake zijn.

4 Het verweer in conventie en de vordering in reconventie

Huisarts voor Huisarts betwist de vordering in conventie. Zij voert hiertoe, zakelijk samengevat, het volgende aan.

De dagvaarding van [de werkneemster] is zeer summier. Bovendien heeft [de werkneemster] niet voldaan aan haar substantiëringsplicht. Hetgeen [de werkneemster] op de comparitiezitting heeft aangevoerd is deels nieuw voor Huisarts voor Huisarts, zodat zij zich hiertegen niet heeft kunnen verweren.

Primair is Huisarts voor Huisarts is van mening dat het UWV ten onrechte een loonsanctie heeft opgelegd voor het derde ziektejaar van [de werkneemster] . Gelet op haar penibele financiële situatie en de onterecht opgelegde loonsanctie, waartegen beroep is ingesteld, dient de vordering in conventie te worden afgewezen. Immers, [de werkneemster] heeft gedurende twee jaar tijdens ziekte 100% doorbetaald gekregen. Na twee jaar ontstaat er een nieuwe situatie en hoeft er normaliter niets meer betaald te worden door de werkgever.

Subsidiair is Huisarts voor Huisarts van mening, dat zij op grond van artikel 5.2, lid b van de CAO gehouden is om 70% door te betalen in het derde ziektejaar tot 16 september 2015. Overigens voorziet de CAO niet in een regeling met betrekking tot de situatie dat er een loonsanctie is opgelegd.

Huisarts voor Huisarts is van mening dat zij ten onrechte en onverschuldigd betalingen aan [de werkneemster] heeft gedaan vanaf 18 april 2015. Gelet op de UWV-beslissing van 24 november 2011 had zij slechts 70% van het loon hoeven te betalen tot 16 september 2015. Dit houdt in dat zij € 2.336,52 bruto teveel heeft betaald aan [de werkneemster] , welk bedrag in reconventie wordt teruggevorderd.

5 De beoordeling

in conventie

5.1.

Voor de beoordeling van deze zaak gaat de kantonrechter, hangende het beroep bij de bestuursrechter tegen de laatste UWV-beslissing, ervan uit dat op grond van de UWV-beschikking van 24 november 2015 (loonsanctie), mede gelet op het in de CAO bepaalde, er voor Huisarts voor Huisarts een verplichting bestaat tot doorbetaling van het loon aan [de werkneemster] tot 16 september 2015.

5.2.

Vaststaat dat Huisarts voor Huisarts tot en met juni 2015 100% van het loon heeft betaald (€ 1.368,69 bruto) en van juli 2015 tot en met oktober 2015 70% (€ 958,33 bruto). Dat 100% van het salaris zou neerkomen op een bedrag van € 1.444,73 bruto, zoals [de werkneemster] aanvoert, is niet onderbouwd, zodat hieraan voorbij wordt gegaan.

5.3.

[de werkneemster] stelt dat dat zij ook na 18 april 2015 erop mocht vertrouwen dat 100% van het salaris betaald zou worden nu dit tot 23 juli 2015 het geval was. In dit verband wordt het volgende overwogen.

Voor de beoordeling van de zaak moet worden gekeken naar hetgeen [de werkneemster] bij dagvaarding heeft gesteld, welke dagvaarding overigens summier van opzet is. [de werkneemster] beroept zich erop dat zij er te goeder trouw en gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Huisarts voor Huisarts ook na twee jaar arbeidsongeschiktheid, dus na 18 april 2015, 100% van het salaris zou blijven doorbetalen. [de werkneemster] verwijst in dit verband naar het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:2626).

Vaststaat dat geen sprake was van een wettelijke of contractuele verplichting tot doorbetaling van het loon tot 100% na 104 weken arbeidsongeschiktheid.

De te beantwoorden vraag in deze is óf [de werkneemster] desalniettemin er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat ook na die tijd 100% van het loon zou worden doorbetaald. Naar het oordeel van de kantonrechter is geen sprake van zodanige feiten en omstandigheden dat [de werkneemster] hiervan uit mocht gaan. Weliswaar heeft Huisarts voor Huisarts tot eind juni 2015 het loon voor 100% doorbetaald, maar zij is hiermee gestopt nadat zij haar vergissing bemerkte; zij is vanaf dat moment (tot eind oktober 2015) 70% gaan betalen. Dat deze vergissing aan het licht kwam in het kader van een bezwaarschriftprocedure, zoals [de werkneemster] heeft aangevoerd, is hierbij niet van belang. De situatie van [de werkneemster] laat zich niet vergelijken met die in het arrest van 14 juli 2015. Het hof heeft constateerde in die zaak dat er geen noemenswaardige verschillen waren tussen een eerdere ziekteperiode van vier maanden in 2013 – waarbij zonder grondslag 100% van het loon werd betaald – en een ziekteperiode van vier maanden in 2014. Kort gezegd overwoog het hof: in 2013 zonder reden 100%, dan ook in 2014.

In de onderhavige zaak is echter wel sprake van een nieuwe situatie, te weten het verstrijken van de 104 weken-termijn. Het enkele feit dat de werkgever abusievelijk na het verstrijken van die termijn nog drie maanden 100% van het loon betaalt, brengt niet mee dat de werknemer er vervolgens gerechtvaardigd op mag vertrouwen dat dit zo doorgaat. In het bijzonder nu er in beginsel geen grondslag is voor een 100% doorbetaling.

5.4.

Eerst ter zitting heeft [de werkneemster] gesteld dat de loondoorbetalingsverplichting van het derde jaar moet worden beschouwd als een verlenging van de verplichtingen die gold voor het tweede jaar – inclusief het daarbij behorende regime. Omdat het UWV oordeelde dat Huisarts voor Huisarts niet aan haar re-integratieverplichting had voldaan, werd niet alleen de doorbetalingsverplichting met een jaar werd verlengd, maar ook de re-integratieverplichtingen. Dit zou het UWV uitdrukkelijk zo aan [de werkneemster] hebben medegedeeld. De kantonrechter is van oordeel dat [de werkneemster] te laat is gekomen met deze gewijzigde feitelijke grondslag van haar vordering. Hiervan is in de dagvaarding niets terug te vinden – deze is enkel gebaseerd op een niet noemenswaardig toegelicht ‘gerechtvaardigd vertrouwen’. Huisarts voor Huisarts heeft zich niet tegen deze gewijzigde grondslag kunnen voorbereiden of verweren, waardoor zij in haar verdediging is geschaad.

Het vorenstaande brengt met zich dat er voor Huisarts voor Huisarts geen verplichting bestond tot 100% doorbetaling van het loon na 104 weken arbeidsongeschiktheid. Het onder a en b gevorderde moet daarom worden afgewezen.

5.5.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of het onder c gevorderde toewijsbaar is. Zoals hiervoor overwogen, wordt aangenomen dat op grond van de UWV-beschikking van 24 november 2015 er voor Huisarts voor Huisarts een verplichting bestaat tot doorbetaling van het loon aan [de werkneemster] tot 16 september 2015. Nu Huisarts voor Huisarts aan deze verplichting heeft voldaan – zij heeft (in ieder geval) 70% van het loon betaald tot 16 september 2015 – dient ook deze laatste vordering van [de werkneemster] te worden afgewezen. De kantonrechter merkt in dit verband nog op, dat hij niet vooruitloopt op de beslissing van de bestuursrechter die moet oordelen of de UWV-beslissing van 24 november 2015 in stand blijft.

in reconventie

5.6.

De kantonrechter neemt over hetgeen hiervoor in conventie is overwogen.

In reconventie vordert Huisarts voor Huisarts de volgens haar aan [de werkneemster] onverschuldigd betaalde bedragen terug. Dit betreft de volgende bedragen:

  • -

    over april 2015 € 189,51

  • -

    over mei 2015 € 410,60

  • -

    over juni 2015 € 410,60

  • -

    over september 2015 € 516,02

  • -

    over oktober 2015 € 809,79

Totaal: € 2.336,52 bruto, vermeerderd met vakantiegeld en rente.

5.7.

Naar het oordeel van de kantonrechter behoeft een werknemer slechts “onverschuldigd” betaald loon c.a. terug te betalen als het voor hem/haar evident duidelijk is dat aan de zijde van werkgever sprake is geweest van een vergissing. Van zodanige vergissing is in deze zaak geen sprake, alleen al vanwege het feit dat geen van partijen de kantonrechter ter zitting duidelijk heeft kunnen maken wat exact het basisloon is dat [de werkneemster] per maand verdient (€ 1.444,73 bruto, € 1.368,69 bruto of enig ander bedrag). Daar komt nog bij de onduidelijkheid over de doorbetalingsverplichting van Huisarts voor Huisarts vanwege de tot tweemaal toe herziene beslissing van het UWV. Gelet op deze omstandigheden behoefde het voor [de werkneemster] niet evident duidelijk te zijn dat zij teveel loon c.a. had ontvangen. Weliswaar heeft Huisarts voor Huisarts ter zitting nog aangevoerd, dat het voor [de werkneemster] wel duidelijk had kunnen zijn na de UWV-beschikking van 24 november 2015, maar dit standpunt wordt verworpen. Het loon over oktober 2015 was toen reeds aan [de werkneemster] betaald. Om al deze redenen dient te worden geoordeeld dat [de werkneemster] het in de ogen van Huisarts voor Huisarts onverschuldigd betaalde loon niet behoeft terug te betalen.

De vordering in reconventie dient daarom te worden afgewezen.

in conventie en in reconventie

5.8.

Gelet op de uitslag in conventie en in reconventie zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd als na te melden.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

6.1.

Wijst de vordering van [de werkneemster] af.

in reconventie

6.2.

Wijst de vordering van Huisarts voor Huisarts af.

in conventie en in reconventie

6.3.

Compenseert de proceskosten aldus tussen partijen dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier, De kantonrechter,