Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:5021

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
18-04-2017
Zaaknummer
C/15/241274 / FA RK 16-1938
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2017:965, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming voor verhuizing. Hoewel de moeder eigenhandig heeft gehandeld en de huidige situatie in het leven heeft geroepen, waarin andere belangen een rol spelen dan voor de verhuizing, acht de rechtbank het op dit moment in het belang van het kind dat de verhuizing niet terug wordt gedraaid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

vervangende toestemming verhuizing, hoofdverblijfplaats, omgang

zaak-/rekestnr.: C/15/241274 / FA RK 16-1938

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 24 mei 2016

in de zaak van:

[de moeder] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. Q. Overeijnder, kantoorhoudende te Monnickendam,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.I. Lunshof, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de moeder van 30 april 2016 (naar de rechtbank begrijpt: 30 maart 2016), ingekomen bij de griffie op 31 maart 2016;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoeken, met bijlagen, van de vader van 1 april 2016, ingekomen bij de griffie op dezelfde datum;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vader van 11 mei 2016.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van de meervoudige kamer van 17 mei 2016 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen hebben tot 29 juli 2015 een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2

Uit deze relatie is geboren de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .

De vader heeft de minderjarige erkend.

De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de minderjarige.

De minderjarige verblijft sinds de relatiebreuk van de ouders bij de moeder.

3 Verzoek

3.1

De moeder heeft verzocht aan haar (vervangende) toestemming te verlenen op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) om per 11 februari 2016 met de minderjarige [minderjarige] van [plaats] naar [plaats] te verhuizen. Zij heeft tevens verzocht de vader te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2

De moeder heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zij enige maanden na de relatiebreuk de woning van partijen in [plaats] moest verlaten, aangezien overeengekomen was dat de vader deze woning zou overnemen, en dat zij na een lange zoektocht een voor haar betaalbare woning in [plaats] heeft gevonden. De moeder heeft gesteld dat de vader aanvankelijk heeft ingestemd met de verhuizing van haar met [minderjarige] naar de omgeving van haar werk op [bedrijf] , waar de vader ook werkt, derhalve ook met haar verhuizing naar [plaats] . Naar nu is gebleken stemt de vader echter niet in met deze verhuizing.

3.3

Ter onderbouwing van de noodzaak van de verhuizing heeft de moeder aangevoerd dat zij vanwege financiële en fiscale redenen alsmede de woningmarktsituatie een zeer beperkte woningkeuze heeft gehad. De moeder is voorts van mening dat het belang van [minderjarige] zich niet tegen de verhuizing verzet, aangezien de woning in [plaats] perfect voor haar is en zij niet naar de voorschoolse opvang hoeft. De verhuizing verandert niets aan de omgang tussen de vader en [minderjarige] ; de bestaande regeling van grofweg vijf dagen bij de moeder en twee dagen bij de vader blijft ongewijzigd; dat geldt eveneens voor het halen en brengen van [minderjarige] door de moeder en het dragen van de reiskosten door haar.

4 Verweer en zelfstandige verzoeken

4.1

De vader heeft verweer gevoerd tegen de verzochte toestemming voor de verhuizing van de moeder met [minderjarige] naar [plaats] . De vader heeft gesteld dat hij nooit zijn toestemming voor die verhuizing heeft verleend, dat de moeder daarvan op de hoogte was en desondanks zonder overleg en zonder toestemming is verhuisd en dat hij over de verhuizing ook pas achteraf is geïnformeerd. De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak tot de verhuizing naar [plaats] ontbreekt. Hij is ook van mening dat de moeder door haar abrupte, niet-toegestane verhuizing in strijd met de belangen van het kind heeft gehandeld, mede omdat de reisafstand tussen de woonplaatsen van beide ouders het feitelijk uitoefenen van co-ouderschap onmogelijk maakt.

4.2

De vader heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen en een zorgregeling vast te stellen. Subsidiair heeft hij verzocht de terugkeer van de moeder naar [plaats] of de omgeving daarvan, binnen een straal van vijf kilometer, te gelasten, onder oplegging van een dwangsom. De vader vindt het handelen van de moeder zo zeer in strijd met de belangen van het kind dat de hoofdverblijfplaats dient te worden gewijzigd en een meer gelijke zorgregeling dient te worden vastgesteld van drie dagen bij de moeder en vier dagen bij de vader, alsmede een zomervakantieregeling van drie aaneensluitende weken bij iedere ouder.

5 Verweer tegen zelfstandige verzoeken

De moeder heeft verweer gevoerd tegen de verzochte wijziging van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling. De moeder weerspreekt dat zij in strijd met de belangen van [minderjarige] heeft gehandeld wat betreft haar verhuizing. Het voordeel van de verhuizing is dat er geen voor- en naschoolse opvang voor [minderjarige] nodig is. Daarnaast vindt zij het co-ouderschap, waaronder de moeder ook het verblijven van [minderjarige] vier dagen bij de ene en drie dagen bij de andere ouder verstaat, niet in het belang van [minderjarige] vanwege de slechte communicatie tussen de ouders. Daarbij speelt een rol dat co-ouderschap minder rust en regelmaat voor [minderjarige] inhoudt. Zij heeft bovendien haar twijfels of de vader in staat is de dagelijkse zorg voor [minderjarige] te dragen.

6 Beoordeling

6.1

De belangen van het kind, in casu [minderjarige] , dienen bij de beslissing van de rechter om vervangende toestemming voor een verhuizing van een ouder, in casu de moeder, in het kader van artikel 1:253a BW te verlenen, een eerste overweging te vormen. Echter, volgens vaste rechtspraak, dient de rechter bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle betrokken belangen af te wegen.

6.2

Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarige elders een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval, na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd, een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.

6.3

Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is het volgende gebleken.

De ouders werken beiden op [bedrijf] . Tijdens hun relatie hebben de ouders ervoor gekozen in [plaats] te wonen. [minderjarige] is daar geboren. [minderjarige] wordt binnenkort vier jaar en zal naar school gaan.

De ouders hebben sinds hun relatiebreuk op 29 juli 2015 nog geen overeenstemming bereikt over het van rechtswege verplicht op te stellen ouderschapsplan. De ouders hebben getracht tot afspraken te komen middels mediation maar zijn daarin niet geslaagd. [minderjarige] verblijft nu, zoals is gebleken, telkens vijf dagen bij de moeder en twee dagen bij de vader, waarbij het wisselmoment vaak bij de grootouders vaderszijde in [plaats] plaatsvindt. De verzorging en opvoeding wordt grotendeels door de moeder gedragen en ook de financiële verantwoordelijkheid rust merendeels op de moeder.

De ouders zijn na de relatiebreuk overeengekomen dat de vader de woning in [plaats] en de daarop rustende hypotheek zal overnemen en dat de moeder nog enkele maanden in die woning zal blijven wonen en naar een nieuwe woning zal zoeken. De moeder heeft ongeveer medio januari 2016 een woning in [plaats] aangeboden gekregen en geaccepteerd. De moeder heeft daarom economisch belang bij verhuizing naar [plaats] , zij het dat de moeder dat belang zelf heeft gecreëerd doordat zij onomkeerbare stappen heeft genomen voordat de duidelijke en expliciete toestemming van de vader was verkregen.

6.4

De rechtbank constateert dat beide ouders sinds hun relatiebreuk het belang van het kind niet voorop stellen bij de door hen te nemen of genomen beslissingen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, de verhuizing daaronder begrepen. De ouders zijn er nog niet in geslaagd om het ouderschapsplan op te stellen en om degelijk overleg te hebben over de beslissingen die [minderjarige] aangaan, terwijl [minderjarige] belang heeft bij duidelijkheid en stabiliteit – te meer nu zij binnenkort vier wordt en naar school zal gaan –, terwijl ze recht heeft op in beginsel gelijkwaardige verzorging en opvoeding door haar beide ouders.

De moeder heeft een zware wissel op de toekomst getrokken door te verhuizen, zonder toestemming van de vader. Het informeren van de vader door de moeder had absoluut in een eerder stadium en op een meer verantwoorde wijze moeten gebeuren.

De vader stelt zich daarentegen star op door te eisen dat de moeder zich binnen een straal van vijf kilometer binnen de voormalige gezamenlijke woning moet vestigen en haar leven na de relatiebreuk aldaar moet opbouwen, waaraan ook nadelige consequenties voor [minderjarige] verbonden zijn.

Voor beide ouders geldt dat hun onderlinge communicatie en overleg aanzienlijke verbetering behoeven. Het overleggen tussen en het nemen van beslissingen door twee gezaghebbende ouders kan niet worden vervangen door het whatsappen van eenzijdige beslissingen over belangrijke aspecten in het leven van [minderjarige] , zoals haar woonplaats, contact met de andere ouder en school.

6.5

De moeder heeft de verhuizing niet voorbereid in die zin dat zij daarover voldoende overleg met de vader heeft gevoerd en zijn standpunt proactief en tijdig heeft ingewonnen. Datzelfde geldt voor het vinden van een huisarts, school en eventuele buitenschoolse opvang in [plaats] . Om de gevolgen van de verhuizing voor de vader te compenseren heeft de moeder zich wel bereid verklaard tot continuering van de lopende zorgregeling en tot het brengen en halen van [minderjarige] naar de vader in [plaats] . Aldus blijft de frequentie van het contact tussen [minderjarige] en de vader voor en na de verhuizing gelijk.

De vader heeft de vrees uitgesproken dat de reisafstand tussen [plaats] en [plaats] het co-ouderschap feitelijk onmogelijk maakt. Gelet op de reisafstand tussen (de school in) [plaats] en de woonplaats van de vader in [plaats] , zal het afhangen van de mate waarin en de wijze waarop de ouders tot overeenstemming kunnen komen over het aandeel van de vader in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] of deze vrees bewaarheid wordt.

6.6

De bestaande feitelijke situatie in ogenschouw nemend, is de rechtbank van oordeel dat de belangen van het kind boven die van beide ouders dienen te prevaleren. [minderjarige] woont sinds februari 2016 in [plaats] , met de moeder die het merendeel van de zorg voor haar draagt en in de afgelopen maanden heeft gedragen. De ouders hebben nog geen overeenstemming over het ouderschapsplan bereikt en hebben zich, naar het oordeel van de rechtbank, nog onvoldoende daarvoor ingespannen. [minderjarige] zal nog voor de zomervakantie naar school gaan. De woning van de moeder en de beoogde school in [plaats] liggen in de omgeving van het werk van beide ouders op [bedrijf] , waardoor [minderjarige] niet of minder naar de buitenschoolse opvang zou hoeven. Hoewel de moeder eigenhandig heeft gehandeld en de huidige situatie in het leven heeft geroepen, waarin andere belangen een rol spelen dan voor de verhuizing, acht de rechtbank het op dit moment in het belang van [minderjarige] dat haar verhuizing naar [plaats] niet terug wordt gedraaid en dat zij daar met haar schoolgang kan starten.

De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor verhuizing toewijzen. De rechtbank merkt daarbij nadrukkelijk op dat haar vervangende toestemming geen terugwerkende kracht heeft en dat daarmee niet de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] wordt vastgesteld.

6.7

Gelet op de houding en het handelen van beide ouders in deze zaak ziet de rechtbank geen aanleiding tot veroordeling van de vader in de proceskosten. Het daartoe strekkend verzoek van de moeder zal daarom worden afgewezen.

6.8

Nu de ouders nog niet aan hun verplichting uit artikel 1:247a BW hebben voldaan en geen ouderschapsplan hebben opgesteld, ziet de rechtbank op grond van artikel I: 253a, derde lid BW aanleiding tot aanhouding van de behandeling van de zelfstandige verzoeken van de vader tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en tot vaststelling van een zorg- en vakantieregeling, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om het ouderschapsplan alsnog op te stellen en om in onderling overleg afspraken te maken, onder meer over de zomervakantie 2016 waarbij [minderjarige] – gelet op haar jonge leeftijd – naar het oordeel van de rechtbank tweemaal anderhalve week aaneengesloten bij iedere ouder kan verblijven.

De behandeling van die verzoeken zal daarom worden aangehouden, zoals hierna bepaald.

7 Beslissing

De rechtbank:

7.1

verleent aan de moeder vervangende toestemming om met de minderjarige:

- [minderjarige] ,

naar [plaats] te verhuizen;

7.2

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.3

wijst af het verzoek van de moeder tot proceskostenveroordeling van de vader;

7.4

houdt de behandeling van de zaak voor het overige (te weten bepaling van de hoofdverblijfplaats, de vaststelling van de zorgregeling en de (zomer)vakantieregeling) aan tot de zitting van 18 juli 2016 pro forma;

7.5

verzoekt de advocaten van partijen om haar uiterlijk 4 juli 2016 schriftelijk te berichten over de actuele stand van zaken en de gewenste voortgang van de procedure.

Deze beschikking is gegeven door mr. Ph. Burgers, voorzitter, en mrs. C.M. van Wechem en J.J.M. Uitermark, allen tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Hausenblasová als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2016.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.