Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2016:4993

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2952
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft ter zitting desgevraagd medegedeeld dat hij tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland- Westbrabant van 21 december 2015 weliswaar hoger beroep bij de Afdeling heeft ingesteld, maar dat hij vervolgens heeft afgezien van het indienen van gronden. Daaraan ligt ten grondslag dat is besloten om het hoger beroep niet door te zetten. Verweerder zal naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant de wet- en regelgeving met betrekking tot de certificering opnieuw onder de loep nemen en waar nodig wijzigen om één en ander te repareren. Nu verweerder zich aldus conformeert aan de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant stelt de rechtbank vast dat verweerder het door hem ingenomen standpunt in het bestreden besluit derhalve niet meer onderschrijft. Het bestreden besluit ontbeert dan ook reeds daarom een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd, nu het is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder zal worden opgedragen om binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het administratief beroep te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat deze zaak vanwege zijn aard zich niet leent voor finale geschilbeslechting

Wetsverwijzingen
Regeling wapens en munitie 43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/2952

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.M.M. Jacobs),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. van den Boom).

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2014 (het primaire besluit) heeft de politiechef van de eenheid

Noord-Holland Noord namens de korpschef van de Nationale Politie (hierna: de korpschef)

het door eiser gevraagde verlof tot het voorhanden hebben van wapens en/of munitie

geweigerd.

Bij besluit van 22 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser

ingestelde administratieve beroep gegrond verklaard, het primaire besluit vernietigd en een

nieuw besluit genomen, waarbij het door eiser gevraagde verlof tot het voorhanden hebben

van wapens en/of munitie - op een andere wettelijke grondslag - opnieuw is geweigerd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij beslissing van 9 december 2015 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde deze zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

De behandeling ter zitting door de meervoudige kamer van de rechtbank heeft plaatsgevonden op 1 april 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1.1.

Eiser is lid van schietsportvereniging [naam schietvereniging] . [naam schietvereniging] was in het verleden aangesloten bij de Koninklijke Nederlandse Schuttersorganisatie (KNSA). In 2011 heeft de KNSA [naam schietvereniging] geroyeerd en het aan [naam schietvereniging] verleende verenigingsverlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens en/of munitie ingetrokken.

1.2.

Aan eiser is laatstelijk bij besluit van 31 oktober 2011 verlof verleend tot het voorhanden hebben van wapens en/of munitie. Bij brief van 21 februari 2012 heeft de KNSA aan eiser medegedeeld dat zijn KNSA-licentie is ingetrokken. Bij besluit van 23 mei 2012 heeft de korpschef het aan eiser verleende verlof ingetrokken, omdat - nu eiser niet meer lid is van een bij de KNSA aangesloten schietvereniging en niet meer in het bezit is van een geldige licentie van de KNSA - volgens verweerder niet langer werd voldaan aan het criterium van een redelijk belang bij het voorhanden hebben van een wapenverlof, zoals neergelegd in artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet wapens en munitie (Wwm). Bij besluit van 29 mei 2013 heeft verweerder het hiertegen door eiser ingestelde administratieve beroep ongegrond verklaard. Het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep heeft deze rechtbank in een uitspraak van 17 maart 2014 (zaaknummer ALK 13/1329) gegrond verklaard. Aan dit oordeel heeft de rechtbank de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2557) en 20 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2080) ten grondslag gelegd, waarin - voor zover hier van belang en samengevat - is geoordeeld dat de vereisten dat zich slechts een redelijk belang in de zin van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwm voordoet indien een sportschutter lid is van een bij de KNSA aangesloten schietvereniging en een geldige KNSA licentie heeft, de grenzen van een redelijke wetsuitleg te buiten. De eis om lid te zijn van een bij de KNSA aangesloten schietvereniging acht de Afdeling in strijd met het in artikel 11 van het EVRM neergelegde recht op vrijheid van vereniging. De rechtbank heeft het besluit van 29 mei 2013 vernietigd, het administratief beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 mei 2012 herroepen en daarbij bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 29 mei 2013.

1.3.

Omdat de geldigheidsduur van het wapenverlof van eiser reeds was verlopen ten tijde van de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank, heeft verweerder eisers verzoek tot teruggave van zijn wapenverlof opgevat als een nieuwe aanvraag. Verweerder heeft vervolgens eisers aanvraag afgewezen, onder meer omdat eisers schietvereniging [naam schietvereniging] niet is gecertificeerd door de KNSA, zoals is vereist in artikel 43, vijfde lid, in samenhang met artikel 43a, eerste lid, van de Regeling wapens en munitie (Rwm). Hierdoor voldoet eiser niet aan de voorwaarde dat hij, als aanvrager van een wapenverlof, geen gevaar voor de openbare orde of veiligheid vormt, als bedoeld in artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wwm. Verweerder heeft in dit verband tevens verwezen naar artikel 26, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wwm, waarin is bepaald dat verweerder regels kan vaststellen met betrekking tot - onder meer - de vaardigheid in het omgaan met wapens en de vereiste kennis op het terrein van wapens. Verweerder heeft toegelicht dat de genoemde uitspraken van de Afdeling hebben geleid tot aanpassingen in de Rwm en de Cwm. Het KNSA-lidmaatschap voor verenigingen en de KNSA-licentie voor schutters zijn niet langer vereist. Daarentegen dient de schietsportvereniging waarvan de aanvrager van verlof lid is door de KNSA gecertificeerd te zijn. Door middel van de certificering kan de schietvereniging aantonen dat aan bepaalde kwaliteitseisen wordt voldaan, zodat wordt gewaarborgd dat de schietsport op veilige en controleerbare wijze wordt beoefend.

2. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij stelt in beroep onder meer dat het uitgangspunt dat de schietsport alleen in verenigingsverband mag worden uitgeoefend in strijd is met het bepaalde in artikel 11 van het EVRM. Voorts stelt hij dat voor de door verweerder geëiste certificering door de KNSA van de schietvereniging waar hij lid van is geen wettelijke grondslag bestaat. Eiser stelt dat artikel 26, vierde lid, aanhef onder a en b, van de Wwm de certificeringseis niet kan dragen. Verweerder heeft volgens eiser de eerdergenoemde uitspraken van de Afdeling van 24 december 2013 en 20 november 2013 genegeerd. Eiser verzoekt de rechtbank de artikelen 43, vijfde lid van de Rwm en artikel 43a, eerste en zevende lid, van de Rwm, buiten toepassing te laten, omdat deze strijdig zijn met artikel 11 van het EVRM. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stellingen gewezen op een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van

21 december 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2015:8410).

3.1.

Ter zitting heeft de rechtbank met partijen voornoemde uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant besproken. In die uitspraak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant in een soortgelijke zaak als onderhavige, waarin een gelijksoortig besluit met dezelfde afwijzingsgrond ter beoordeling voorlag, geoordeeld dat artikel 43a van de Rwm - en daarmee ook artikel 43, vijfde lid, van de Rwm - onverbindend zijn en buiten toepassing moeten blijven. Naar het oordeel van de rechtbank Zeeland-West-Brabant hebben deze bepalingen namelijk tot gevolg dat het recht van eiser om zich niet te verenigen, ernstiger wordt aangetast dan artikel 11, tweede lid, van het EVRM toelaat.

3.2.

Verweerder heeft ter zitting desgevraagd medegedeeld dat hij tegen deze uitspraak weliswaar hoger beroep bij de Afdeling heeft ingesteld, maar dat hij vervolgens heeft afgezien van het indienen van gronden. Daaraan ligt ten grondslag dat is besloten om het hoger beroep niet door te zetten. Verweerder zal naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant de wet- en regelgeving met betrekking tot de certificering opnieuw onder de loep nemen en waar nodig wijzigen om één en ander te repareren. Nu verweerder zich aldus conformeert aan de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant stelt de rechtbank vast dat verweerder het door hem ingenomen standpunt in het bestreden besluit derhalve niet meer onderschrijft. Het bestreden besluit ontbeert dan ook reeds daarom een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd, nu het is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder zal worden opgedragen om binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het administratief beroep te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat deze zaak vanwege zijn aard zich niet leent voor finale geschilbeslechting.

4. De rechtbank zal het verzoek van eiser om vergoeding van schade thans afwijzen. Het primaire besluit - dit is de rechtshandeling die naar zeggen van eiser schade heeft veroorzaakt - geldt immers nog steeds. Of dit besluit uiteindelijk stand houdt en (on)rechtmatig is, wordt niet eerder duidelijk dan na de tweede beslissing op het administratief beroep.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1488,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punten voor het (twee maal) verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). Voorts dient verweerder het griffierecht aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    gelast verweerder om binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het administratief beroep te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1488,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis, voorzitter, en mr. J.M. Janse van Mantgem, en mr. drs. B. Veenman, leden, in aanwezigheid van mr. M. Dittmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.